Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 21 min.
Herkomst:

Ridder Etoile

Er was eens een jongen die zijn vader en moeder had verloren. Zijn naam was Etoile. Hij was mooi als de zon en dapper en sterk als Samson. Toen hij tot een jongeman was opgegroeid, werd hij soldaat en als gevolg van zijn dappere daden werd hij tot ridder geslagen.

Op een dag kwam hij op een rit met zijn schildknaap een koets tegen die met vier koolzwarte paarden was bespannen. In de koets zat een prinses die mooi was als het daglicht.

Ridder Etoile hield zijn paard in, boog voor de prinses en zei: "Waarheen ben je zo alleen onderweg? Heb je dan niemand bij je om je te beschermen? Sta me toe dat ik je begeleid!"

"Ach, knappe ridder, je weet niet waar ik heen word gebracht. Een verschrikkelijk monster heeft me in zijn macht gekregen en nu moet ik naar zijn kasteel. Het ga je goed, want ook jij kunt me niet helpen."

Nauwelijks had ze deze woorden gesproken, of de koets ging er als de wind vandoor en werd niet meer teruggezien.

Dat betreurde ridder Etoile ten zeerste. Hij besloot de prinses te gaan zoeken, al was het aan het einde van de wereld. Zeven jaar lang dwaalde hij met zijn trouwe dienaar over de aardbol. Niemand kon hem helaas iets over de prinses vertellen. Op een dag bevond hij zich in de avondschemering diep in het bos, toen hij midden in een tuin vol bloemen een prachtig kasteel ontdekte. Er was geen levende ziel te bekennen, maar in een van de kamers stonden twee opgemaakte bedden en omdat hij en zijn dienaar doodmoe waren, gingen ze daar slapen. Toen ze de volgende ochtend wakker werden, hadden onzichtbare handen het ontbijt al klaargezet. Ze maakten er dankbaar gebruik van. Daarna ging ridder Etoile naar de kasteeltuin, waar plotseling een grote witte geit met gouden horens voor hem stond. Het dier zei met een menselijke stem: "Herken je mij, knappe ridder?"

"O ja, ik hoor de stem van de prinses die ik al zoveel jaren zoek."

"Dat vreselijke monster heeft me deze gedaante gegeven. Ik kan pas worden verlost wanneer een dappere ridder drie nachten onder de grootste gevaren in mijn slaapkamer doorbrengt. Als er ook maar één enkele zucht aan zijn lippen ontsnapt, is alle moeite vergeefs geweest."

"Maak je geen zorgen, lieftallige prinses, wat er ook gebeurt, ik wil het wagen. Ik wil alle moeilijkheden op me nemen om je te verlossen!"

Toen de avond aanbrak, at ridder Etoile samen met zijn dienaar. Hij betrad daarna het slaapvertrek van de prinses, ging in het bed liggen en viel direct in slaap. Klokslag middernacht werd ridder Etoile gewekt door de luidruchtige komst van het verschrikkelijke monster en een dozijn beresterke kerels. Ze stortten zich met z'n allen op de ridder en staken en sloegen hem waar ze hem maar konden raken. Toen hij alles zwijgend verdroeg, werden ze zo kwaad, dat ze hem z'n hoofd afsloegen.

Bij het eerste kraaien van de haan verloren de monsters hun macht en moesten ze vertrekken. Daarop kwam de geit de kamer binnen. Ze vond de dode, zette zijn hoofd weer op zijn schouders, wreef zijn lichaam in met een geneeskrachtige zalf en kijk, ridder Etoile kwam weer tot leven. De geit had haar menselijke gezicht al teruggekregen en ze was mooier dan ooit. "Dank je, ridder Etoile," zei ze. "Je hebt vreselijke dingen doorstaan en in de komende nacht wordt het nog erger!"

"Wees maar niet bang, mooie prinses, ik wil en moet je verlossen, koste wat het kost."

De volgende nacht begaf ridder Etoile zich weer naar de slaapkamer van de prinses, ging in het bed liggen en sliep direct in. Precies om middernacht werd hij ook deze keer gewekt door de afschuwelijke herrie van het binnenstormende monster en zijn twaalf beresterke kornuiten. Met z'n allen staken en sloegen ze de jongeman zo hard ze konden, nog veel harder dan de vorige nacht, maar hij gaf geen kik. Daarover werden ze zo kwaad, dat ze hem met een bijl in stukken, hakten.

Bij het eerste hanengekraai moesten ze de kamer weer verlaten en direct daarna verscheen de geit. Ze zag dat de ridder in stukken was gehakt, zette hem in elkaar, wreef hem in met een geneeskrachtige zalf en kijk, ridder Etoile kwam weer tot leven. Nu had de geit ook haar menselijke gedaante teruggekregen en ze was mooier dan ooit. Alleen haar benen waren nog geitenpoten. "Hoe moet ik je bedanken, ridder Etoile," zei ze. "De ergste kwellingen heb je doorstaan en toch zal het nog erger worden."

"Maak je geen zorgen, beminde prinses. Wat er ook gebeurt, ik wil en moet je verlossen."

De volgende nacht, klokslag middernacht, werd hij opnieuw bestormd door het verschrikkelijke monster en zijn trawanten. Ze mishandelden hem zo ernstig, dat het niet meer te beschrijven is. Tenslotte doodden ze hem in hun woede en vraten hem met beenderen en al op.

Bij het eerste kraaien van de haan moesten ze het veld weer ruimen en onmiddellijk kwam de beeldschone prinses haar slaapvertrek binnen. Nu was ze echt mooier dan ooit, maar toen ze nergens het lijk van de ridder kon vinden, liet ze zich gaan en huilde bittere tranen. Uiteindelijk vond ze toch nog een splintertje bot. Ze nam het in haar handen, blies erop en wreef het in met geneeskrachtige zalf. En kijk, het splintertje begon te groeien en enkele ogenblikken later stond de jonge ridder voor haar, ongeschonden, sterk en gezond.

De prinses zei tegen hem: "Ik dank je, ridder Etoile, want je hebt me verlost. Mijn lijden en jouw pijn zijn nu voorbij. Wil je mijn echtgenoot worden?"

"Ik wil mets liever, mooie prinses."

Ze omhelsden en kusten elkaar en waren dolgelukkig.

"Laten we van deze plek wegrijden," zei ridder Etoile, maar de prinses schudde haar hoofd.

"Nog drie dagen moeten we het hier uithouden, pas dan heeft het verschrikkelijke monster geen macht meer over ons. In die dagen mag je tot middernacht niets eten of drinken, hoeveel honger en dorst je ook hebt. Om middernacht zal ik bij je komen en dan mag je naar hartenlust eten en drinken."

"Liefste, ik zal alles doen wat je wilt."

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de prinses was verdwenen. Vanaf dat moment werd hij geplaagd door de ergste honger en dorst die hij ooit had gekend. Tenslotte werd het onhoudbaar en zei hij: "Als ik dan niet mag eten, dan moet ik toch in elk geval iets drinken!"

Tevergeefs waarschuwde zijn trouwe dienaar hem. Ridder Etoile boog zich over de rand van de put op de binnenplaats en dronk. Onmiddellijk viel hij in een diepe, diepe slaap.

Om middernacht kwam de prinses en ze begreep direct wat er was gebeurd. Huilend legde ze een witte doek op zijn gezicht, zodat hij haar niet zou vergeten. Daarna zei ze tegen zijn dienaar: "Wanneer ridder Etoile wakker wordt, zeg hem dan dat hij me moet zoeken in de stad met de zeven klokkentorens."

Toen ridder Etoile de volgende ochtend eindelijk wakker werd, maakte de boodschap van zijn dienaar hem diep bedroefd.

Drie jaar lang dwaalden ze door de wereld, maar nergens had ook maar iemand gehoord van de stad met de zeven klokkentorens. Toen ze de moed al lieten zakken, zagen ze onverwachts een oude vrouw op hen afkomen die zo zwart was als een schoorsteen en zo oud als de straatweg.

"Waar tob je over, mijn zoon?" vroeg ze ridder Etoile.

"Ach moedertje, hoe zou jij ons kunnen helpen? Ik zoek mijn geliefde. Ze bevindt zich in de stad met de zeven klokkentorens en geen mens weet hoe ik daar moet komen."

Daarop gaf de oude vrouw hem een stokje met de woorden: "Wanneer je met dit stokje driemaal de grond aanraakt, ben je op hetzelfde moment op de plek waar je wilt zijn."

Ridder Etoile bedankte de behulpzame oude vrouw en tikte driemaal met het stokje op de grond. En kijk, op hetzelfde moment bevond hij zich in de stad met de zeven klokkentorens, waar de prinses al op hem wachtte met drie gezadelde en opgetuigde paarden. In gestrekte draf verlieten ze de stad en na vele uren rijden bereikten ze een open plek waar een zilveren bron klaterde. Daar hield de prinses haar paard in, sprong op de grond en zei: "Hier is een rode appel, liefste. Eet hem op wanneer je honger hebt, maar drink niet uit deze bron, al heb je nog zoveel dorst."

Nauwelijks had ze deze woorden gesproken, of ze was alweer verdwenen. Even later werd de jonge ridder overvallen door een enorme honger, zodat hij de appel opat. Daarna kreeg hij echter zo'n verschrikkelijke dorst, dat hij ondanks alle waarschuwingen uit de bron dronk, hoe zijn dienaar hem ook bad en smeekte het niet te doen.

Al na de eerste slok uit de bron viel de ridder in een diepe, diepe slaap. Om middernacht verscheen de prinses, die direct zag wat er was gebeurd. Huilend boog ze zich over ridder Etoile heen en legde een bloedrode en een pikzwarte doek op zijn gezicht, zodat hij haar niet zou vergeten. Vervolgens zei ze tegen zijn dienaar: "Wanneer ridder Etoile wakker wordt, zeg hem dan dat hij me vóór morgenmiddag moet zoeken in het land waar de zuidenwind waait."

Toen ridder Etoile de volgende ochtend eindelijk wakker werd, huilde hij bittere tranen om de boodschap die hij van zijn dienaar vernam.

Met losse teugel reden ze weg en twee uur voor zonsondergang bereikten ze de voet van een berg die zo steil en hoog was, dat ze af moesten stijgen.

Plotseling kwam een stokoude vrouw die nog zwarter en ouder was dan de eerste, naar ridder Etoile toe en zei: "Waar tob je over, mijn zoon?"

"Ach moedertje, hoe zou jij ons kunnen helpen? Ik zoek mijn geliefde. Ze is in het land waar de zuidenwind waait en vóór morgenmiddag moet ik daar aankomen."

Daarop blies en snoof de oude vrouw uit alle macht en in een oogwenk bevonden ze zich samen op de top van de berg.

"Ik ben de moeder van de winden," zei de oude vrouw. "Een uur na zonsondergang verwacht ik mijn zonen terug. Verstoppen jullie je in een kist en luister goed naar wat mijn zonen tegen me zeggen."

Een uur na zonsondergang hoorden ze zo'n hevig lawaai en gebulder, dat alles om hen heen stond te trillen. De winden keerden naar huis terug. Ze schoven direct hongerig aan tafel, snoven en riepen: "Moeder, het ruikt hier naar mensenvlees!"

"Ach welnee, er is hier geen mens geweest, hoe komen jullie erbij! Eet de ossen maar op die ik voor jullie heb gebraden en drink de vaten rode wijn leeg."

Daarop verslonden de winden in een handomdraai twaalf gebraden ossen en ze dronken er twaalf vaten wijn bij. Intussen vroeg hun moeder: "Wat ga jij morgen doen, zuidwestenwind?"

"Morgen blaas ik over de uitgestrekte zee."

"Wat ga jij morgen doen, noordwestenwind?"

"Morgen blaas ik in de stad Parijs en ik zal flink tekeergaan om het paleis van de koning."

"En jij, noordenwind?"

"Morgen ga ik in de stad Rome de paus heftig om zijn oren blazen."

"En wat zijn jouw plannen voor morgen, zuidenwind?"

"Morgen blaas ik bij het huwelijk van de mooie prinses met de heerser van het nooit geziene land."

"Had zij geen geliefde, ene ridder Etoile?"

"O zeker en ze verlangt innig naar hem. Hij zou haar ook waardig zijn geweest, want hij is dapper en onverschrokken. Als hij hier was, zou ik hem niet opvreten."

"Hij is hier, mijn beste zuidenwind!"

Daarop kroop ridder Etoile uit zijn schuilplaats te voorschijn en smeekte de zuidenwind hem mee te nemen naar het nooit geziene land.

"Omdat jij het bent, ridder Etoile, wil ik je dat plezier wel doen."

De volgende ochtend ging ridder Etoile op de rug van de zuidenwind zitten en in een mum van tijd stoven ze weg. Ze vlogen over bergen, steden en zeeën, tot ze tenslotte het nooit geziene land bereikten. Daar daalde de zuidenwind af naar de aarde en zette de jongeman neer op de binnenplaats van het kasteel van de heerser van het nooit geziene land. Ridder Etoile bedankte de zuidenwind, haalde zijn drie doeken te voorschijn, knoopte ze om zijn stok en plantte deze in het midden van de binnenplaats. Daarop verwijderde hij zich.

Het duurde niet lang, of de mooie prinses kwam aan de zijde van de heerser van het nooit geziene land de binnenplaats op. Zodra ze de stok met de drie doeken in het oog kreeg, begon ze te huilen van vreugde en verlangen. Ze verzocht zich terug te mogen trekken, omdat ze werd overvallen door een treurige herinnering. Op haar kamer riep ze een dienares en zei: "Ga naar de binnenplaats. Daar zul je drie doeken aan een stok zien. Vraag aan wie ze behoren en voor welke prijs ik ze kan verkrijgen, want ik heb mijn zinnen gezet op die zijden doeken."

Niet lang daarna kwam de dienares haar vertellen: "Geliefde meesteres, de man aan wie de doeken behoren, wil ze niet verkopen, noch voor zilver, noch voor goud. Hij wil alleen bij u komen en u spreken."

Het hart van de mooie prinses sprong op van blijdschap en ze antwoordde: "Breng die man dan bij me."

En dat gebeurde ook. De vreugde van de beide geliefden was zo groot, dat het zich niet laat beschrijven. Toen ze elkaar lang genoeg hadden omhelsd en gekust, liet de mooie prinses de heerser van het nooit geziene land bij zich komen om een vraag te beantwoorden: "Ik bezat een kistje met een prachtige gouden sleutel. Ik verloor de sleutel en ik liet een nieuwe maken. Lange tijd later vond ik de eerste sleutel echter terug en nu weet ik niet welke sleutel ik moet gebruiken."

"Je moet de oude in ere houden en niet de nieuwe. Het is dus de oude die je moet gebruiken."

"Wat ben ik blij dat je er net zo over denkt als ik. Deze jongeman die je hier ziet staan, is mijn oude sleutel. Hij heeft veel voor mij doorstaan en hij heeft me gered van een verschrikkelijk lot. Hij en geen ander zal mijn echtgenoot zijn."

Nog dezelfde dag werd het huwelijk gevierd en het feest duurde zeven dagen en zeven nachten. De trouwe dienaar, die ridder Etoile zoveel diensten had bewezen, werd zijn opperste kamerheer.


*   *   *

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Provençaalse sprookjes" geselecteerd en bewerkt door Marlies Hörger. Nederlandse vertaling door Uta Anderson. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 2002. ISBN: 90-389-1317-6

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 21 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook