Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 11 min.
Herkomst:

Schele Guurte Een Gelderse sage over een heuvel die zich op kerstavond opent

Als je over de Wildenborchseweg gaat, die van de Wildenborch naar Vorden loopt, dan ligt er aan de rechterkant een heuvel. Deze heuvel noemen ze wel eens de 'Schelleguurtjesbelt' en als je niet weet waarom, dan zal ik je het vertellen. Wil je het niet geloven, dan ben je daardoor nog geen beter mens.

Een oude tante van mij heeft me eens verteld, hoe ze ertoe gekomen zijn deze heuvel die naam te geven. Toen ze hier in de Mosselse Enk nog zoveel last hadden van de elfen, die 's nachts al het melkgerei ondersteboven keerden en rommel maakten, toen stond er dicht bij de molen van Wildenborch een huis, waar dit volkje nooit kwam.

Nou, iedereen wist dat Winkels Hente een bijzonder kwaad wijf was, en dat Winkel, sinds hij zijn eerste vrouw naar Marten Eskes [de doodgraver] had gebracht en met Hente Wonnink was getrouwd, de hel in huis had. Om haar - zou je zeggen - bleef dat volkje weg, maar meestal zag men toch, dat ze het juist op een dergelijk vrouwmens erg voorzien hadden; en bang waren de elfen helemaal niet.

Nee, maar er was een meisje in huis, net zo oud als het dagen geleden was, dat Winkel weduwnaar was van zijn eerste vrouw. Een aardig meisje was het, die kleine Aaltje, fijntjes van gezicht en altijd zo knap en helder; je keek er langer naar dan het eigenlijk hoorde, als je haar ontmoette. Ze droeg geen muts, zoals de andere meisjes van zeventien of achttien jaar uit de buurt. Moeder - of liever haar stiefmoeder - zei, dat het beter was, dat de meisjes 's zomers blootshoofds liepen. 's Winters kon ze haar schorteldoek [voorschoot] wel over haar hoofd slaan. En kousen in de zomer, dat was ook te verkwistend, eigenlijk was de vrouw er te gierig voor. Dat was ook de reden, dat Aaltje nooit mee mocht naar de Vordense kermis of de kermis in 't Linde.

Altijd moest ze maar op de deel zijn bij de koe, of in de melkkelder bij de potten daar en was ze daar klaar, dan moest ze stro brengen naar de schaapsschuur, zodat daar ook alles in orde was, als de scheper thuiskwam. Verder moest ze de varkens voeren en gras maaien voor de geiten. Hoe of het ook kwam, nooit deden de elfen haar kwaad en zelfs toen zij de mazelen had, kijk, toen was alles in de stal en overal aan kant gemaakt zonder dat iemand gezien had, hoe dat was gebeurd.

Nou, Winkel had een flinke boerderij en een goed huis en iedereen in de buurt wist, dat de tweede vrouw van Winkel rijk was, want haar vader had een eigen boerderij in de Leuke, terwijl het erf van Winkel toebehoorde aan de heer van 't Medler. Maar Aaltje, nee, die had daarvan niets te wachten. Alles bleef zo bij het oude tot de avond voor Kerstmis.

Nu was de vrouw de hele dag al erg kwaad geweest, want Aaltje had één van haar kinderen, die de melkemmer uit louter kwaadwilligheid had omgegooid en toen gezegd had, dat Aaltje dat had gedaan, een draai om zijn oren gegeven. Ze had Aaltje uitgevloekt en gezegd: "Van mijn kinderen blijf je af, of je gaat de deur uit."

Toen was Aaltje stilletjes in de meente [stuk gemeenschappelijke, woeste grond] gaan zitten grienen. Toen Aaltje thuiskwam was het al donker, maar niemand vroeg: "Waar kom jij vandaan?" Ze deden alsof ze er niet was. De vrouw keek als altijd nijdig en zat bij het haardvuur het beslag voor de koeken klaar te maken.

Een poosje later zei de vrouw: "Aaltje, jij moet even naar het dorp gaan, ik heb de olie om de koeken in te bakken glad vergeten. Maar schiet wat op, dan kun je voor elf uur best terug zijn."

Het was in die tijd nog een fikse wandeling van de Wildenborch naar Vorden - de grindweg was er nog niet, de grote weg betekende een omweg en het voetpad ging dwars door de bossen. En nu begon het ook nog te sneeuwen, zodat Aaltje moeite had niet te verdwalen en het erg koud kreeg. Ze kwam in het dorp en liep met de olie bij zich terug. Vanwege de sneeuw, raakte ze bij Gruwel Jan Berend, waar ze van de enk af de weg door het bos moest inslaan, het spoor bijster, maar ze liep toch dwars door de hei heen, naar ze meende, op Kamphuizen aan.

Opeens was het of het klaarlichte dag werd, zodat ze kon zien, dat ze bij de heuveltjes was en Kamphuizen voorbij. Dag worden, dat kon toch niet, want een poosje geleden had ze de dorpsklok half twaalf horen slaan. Nu begon de klok op de Wildenborch te slaan, het was twaalf uur. Mijn God, had ze zich zo verlopen en nu juist om twaalf uur bij de Schelleguurtjesbelt! Berend met de honden en Derk met de beer, die zouden nu wel komen: het was kerstavond en dan trok om twaalf uur de wilde jacht door de bossen. Angstrillingen liepen over haar rug, maar ze wilde zich niet laten kennen door al die praatjes, daar was toch niets van waar.

Op het moment dat ze om de draai van de weg kwam, om over de Schelleguurtjesbelt in de richting van de molen te gaan, zag ze, dat de hele heuvel open was en glansde van de lichten. En met zilver en goud en mooie stenen erin, niet om te geloven. Toen ze goed keek, kwam er een oud wijf uit, dat scheel keek. Die riep: "Aaltje, kom maar hier! Ik heet Guurte en ik meen het goed met je, neem maar net zoveel als je wilt." Veel, nee, dat wou Aaltje niet, maar een beetje? Ja, dan hoefde Gertjan, die haar stille vrijer was, zich niet als remplaçant bij de soldaten te verhuren. Ze nam, wat vlak bij haar stond en dat was een zilveren lamp. En toen weg; meteen sloeg de klok de laatste slag van twaalf en ze stond weer in het donker.

Nu was ze uit de zorgen. Met Sint-Pieter ging ze trouwen met Gertjan, want de goudsmid in Zutphen had zoveel geld voor de lamp gegeven, dat ze er een boerderij voor konden kopen onder het Hackfort, dicht bij het Smallegoor.

Je kunt je voorstellen, dat de vrouw van Winkel erg jaloers was. Ze was inwendig erg kwaad en het volgende jaar met Kerstmis wou ze het ook eens proberen, maar ze wou te veel hebben. Toen ze in de heuveltjes bezig was allemaal goud op te rapen, viel de laatste klokslag, de heuvel ging dicht en zij zat erin. Zeven uur, meende ze, zocht ze voordat ze eruit kwam. Maar het waren zeven jaar geweest en ondertussen was Winkel weer getrouwd met een betere vrouw. Toen ze dat zag, veranderde ze van kwaadheid in een kat en als je nu op kerstavond bij de Schelleguurtjesbelt komt, kun je Guurte daar nog zien zitten. Maar je moet oppassen voor de duivelse zwarte kat, die daar altijd nog spookt en je de ogen wil uitkrabben.


*   *   *

Schele Guurte Samenvatting
Een Gelderse sage over een heuvel die zich op kerstavond opent. Op kerstavond moet een 17-jarig meisje van haar gemene stiefmoeder nog 's nachts door het bos lopen om in Vorden olie te halen. Om klokslag 12 uur ziet ze de heuvel van Schele Guurte glanzen van licht, goud en edelstenen. Ze mag van de oude vrouw zoveel nemen als ze wilt, maar de heuvel sluit zich zodra de laatste klokslag geklonken heeft om pas volgende jaar Kerst weer open te gaan. Gelukkig is het meisje op tijd, maar als het jaar daarop de gemene stiefmoeder het probeert, zit zij voor zeven jaar gevangen. Lees het verhaal

Toelichting
Voor uitleg over de wilde jacht die op kerstavond door de bossen zou trekken, zie De wilde jacht.

Vergelijk ook met Ali Baba en de veertig rovers.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit Gelderland" samengesteld door G.J.H. Krosenbrink. Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-274-7082-0

Herkomst: Gelderland
Verteltijd: ca. 11 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook