Volksverhalen Almanak

Twee prinsen Een prachtig sprookje over twee koninklijke broers uit India

Er was eens een koning die twee zonen had. De twee prinsen volgden onderwijs bij een leermeester, die hun de dingen bijbracht waarvan prinsen op de hoogte dienen te zijn.

Het lot besliste dat de moeder van de twee knapen al vroeg in hun jeugd kwam te overlijden. De koning huwde een tweede vrouw en, zoals wel vaker voorkomt bij stiefmoeders, was deze vrouw jaloers op de twee zonen die ze van haar voorgangster geërfd had. Het brood dat ze voor hen bakte was niet bereid uit tarwe, maar uit gerst. Ze vond het een overbodige luxe om met zout hun gerechten op smaak te brengen. In een later stadium voegde ze zelfs bittere kruiden toe aan hun gerstebrood; louter en alleen om hen te kwellen.

Wanneer de prinsen over het slechte eten klaagden, verweet hun stiefmoeder hun dat ze verwend waren. Klopten ze vervolgens met klachten bij hun vader aan, dan trakteerde hij hen eerst op een oorvijg en voegde er de waarschuwing aan toe dat ze hun stiefmoeder in het vervolg niet meer lastig moesten vallen.

Zonder morren verdroeg het tweetal de beschimpingen van hun stiefmoeder en de straf van hun vader. Maar op een dag, terwijl ze in hun kamer zaten, zei de jongste prins: "Laten we van huis weglopen. Het lijkt hier wel een gevangenis. Als we werken voor ons brood, dan zijn we vrij."

De kroonprins toonde minder vastberadenheid en dat kwam natuurlijk doordat hij zijn rechten op de troon niet wilde verspelen. Ten slotte liet hij zich overhalen en zei: "Goed dan, laten we er vannacht vandoor gaan."

"Nee," antwoordde de jonge prins, "we gaan morgen, nadat we ons middagmaal gegeten hebben. Zegt men niet, dat het slecht lopen is op een lege maag."

De volgende middag aten ze meer dan ze op konden en verwisselden daarna hun prinselijke tuniek voor een stel versleten kleren. Gewapend met pijl en boog haalden ze twee pony's van stal en reden van het paleis weg, zonder dat ze door de paleiswachten werden opgemerkt.

Nadat ze de hele middag door het dorre landschap hadden gereden, besloten ze bij een paar bomen, die rondom een waterbron groeiden, te stoppen. Terwijl ze in de koele schaduw van de bomen lagen uit te rusten, streken een papegaai en een spreeuw op een tak neer. De twee broers hoorden de papegaai zeggen: "Jij zit precies op de plaats waar ik altijd zit." Daarop antwoordde de spreeuw: "Ik ben belangrijker dan jij. Iedereen weet dat de man die mij opeet eerste minister wordt." - "Dan ken jij blijkbaar de legende niet," antwoordde de papegaai, "waarin verteld wordt, dat degene die mij opeet koning wordt."

Toen ze dit hadden gehoord, spanden beide prinsen een pijl op hun boog en schoten de twee vogels dood. Ze plukten de veren en roosterden het vlees boven een vuurtje. De jonge prins weigerde de papegaai en nodigde zijn oudere broer uit om de vogel op te eten. De kroonprins zei: "Zolang onze stiefmoeder leeft, is de kans gering dat een van ons koning of eerste minister wordt. Het is daarom beter dat we ons eten delen."

De jonge prins sprak hem tegen: "Het is altijd mogelijk dat onze stiefmoeder komt te overlijden. In dat geval kan ik, als jongste zoon, geen aanspraak maken op de troon. Daarom moet jij, de oudste zoon, de papegaai alleen opeten."

De kroonprins liet verdere tegenwerpingen achterwege en pakte de papegaai, terwijl de jongste prins van de spreeuw begon te eten. Daarna gingen ze weer op weg. Na een poosje rijden ontdekte de kroonprins dat hij zijn rijzweep kwijt was. Hij was er zeker van dat hij die bij de bron had laten liggen en maakte aanstalten om rechtsomkeert te maken. "Nee!" sprak zijn broertje, "jij bent de koning. Ik zal de zweep gaan halen."

Zonder op antwoord te wachten gaf de jonge prins zijn pony de sporen en verdween in de richting van de bron.

De hele middag bleef de kroonprins wachten. Langzaam maar zeker begon hij het vermoeden te koesteren, dat zijn broertje mogelijk via een andere route naar de volgende stad was doorgereden. Hij sprong in het zadel en reed in gestrekte galop verder. Voor het invallen van de avond arriveerde hij in de volgende stad. Daar zag hij overal mensen, die in diepe rouw gedompeld waren. Hij reed op een groep mannen af en vroeg: "Kan iemand mij vertellen waarom iedereen zo'n verdriet heeft."

Iemand uit de groep antwoordde: "De koning is overleden, daarom zijn wij bedroefd. Bovendien is er sinds zijn dood nog geen opvolger gevonden. Daarvoor bestaat in ons rijk een eeuwenoud gebruik. Alle onderdanen moeten langs een heilige, witte olifant lopen. Degene voor wie de olifant een buiging maakt, wordt de nieuwe vorst van het land. Dit keer zijn er problemen. Hoewel alle onderdanen al langs de heilige olifant zijn gelopen, heeft het dier nog niemand aangewezen. Het besluit is nu genomen om elke vreemdeling, die onze stad aandoet, voor de olifant te leiden. Tot nu toe echter heeft ook dit niet tot het gewenste resultaat geleid."

De man was nauwelijks uitgesproken, of een ander uit de groep riep: "Jij bent een vreemdeling, we zullen jou ook voor de olifant moeten leiden."

De kroonprins gehoorzaamde aan dit verzoek en liet zich naar de witte olifant brengen. En jawel hoor! Luid trompetterend knielde de olifant voor hem neer. Daarna sloeg het dier zijn slurf om het middel van de prins en plaatste hem op zijn rug. Op deze wijze werd de kroonprins tot koning van het land uitgeroepen.

In de stad heerste vreugde. De kroonprins kon zijn geluk niet op nu hij koning was en keek vol spanning uit naar de komst van zijn jongere broer. Hij was van plan om hem de post van eerste minister aan te bieden, zodat ze samen het land konden regeren. Maanden gingen voorbij, maar zijn broertje kwam niet opdagen. De koning was genoodzaakt iemand anders tot eerste minister te benoemen.

Maar wat was er in de tussentijd van de jonge prins gekomen? Hij was teruggereden naar de bron en zag de rijzweep liggen op de plek waar ze hadden gezeten. Maar pal naast de zweep bevond zich een enorme slang, die schijnbaar lag te slapen. Voorzichtig sloop hij naar de zweep toe. Hij strekte zijn arm om de zweep te pakken, maar voor hij zover was, sloeg de slang toe en beet hem in zijn hand. De jonge prins viel dood neer.

In de buurt van de bron leefde een tovenaar met zijn vrouw. Elke avond liepen ze erheen om water te halen. De vrouw van de tovenaar ontdekte het levenloze lichaam van de jonge prins. Zij sprak tot haar echtgenoot: "Nog nimmer heb ik zo'n mooie jongen gezien. Jij beweert de toverkracht te hebben om de doden weer levend te maken. Bewijs het nu."

Vanwege de bewonderende blikken die zijn vrouw op de jongeman wierp was de tovenaar jaloers en schudde van nee. Daarop sprak zijn vrouw honend: "Als jij hem niet levend kunt maken, dan zal ik een andere tovenaar vragen om het te doen."

De tovenaar slaakte een zucht en commandeerde zijn vrouw: "Ga een emmer water halen." De vrouw liep naar de bron en zag dat het water was opgedroogd. "Ga maar mee naar huis," sprak de tovenaar nu, "maar vraag me verder niets meer, gebruik enkel je ogen."

De slang, die samen met zijn gezin in een hol onder een van de bomen huisde, ontdekte diezelfde avond dat er geen water meer in de bron was. Drie dagen en nachten leed de slangenfamilie dorst. Op de vierde dag kronkelde de slang naar het huis van de tovenaar en smeekte hem om het water weer in de bron te laten terugkeren. "Dat wil ik best doen," sprak de tovenaar, "op voorwaarde dat jij de jongeman, die je hebt gebeten, weer levend maakt."

Nadat de slang beloofd had om aan die voorwaarde te voldoen, bracht de tovenaar met een toverspreuk opnieuw water in de bron.

Toen de jonge prins uit de dood ontwaakte, had hij het gevoel alsof hij lange tijd geslapen had. Al die tijd heb ik mijn oudere broer laten wachten, dacht hij bij zichzelf. Dadelijk pakte hij de zweep en besteeg zijn pony, die een eindje verderop stond te grazen. Hij wilde zo snel mogelijk naar de plek waar hij zijn broer voor het laatst gezien had. Maar in de haast vergiste hij zich halverwege in de weg. Hierdoor kwam hij in een andere stad aan dan die, waar de kroonprins op dat moment koning was.

Hij was moe, hij rammelde van de honger en hij had geen cent op zak. Hij reed langs een oud vrouwtje, dat bezig was haar geiten te hoeden en vroeg: "Moedertje, wilt u mij in ruil voor deze pony wat te eten geven?" Dat wilde de geitenhoedster wel. Ze gaf hem goed te eten en nodigde hem bovendien uit om bij haar in huis te komen wonen. Het duurde niet lang of ze behandelde hem als haar eigen zoon.

Op een dag maakte het vrouwtje een terneergeslagen indruk en de jonge prins vroeg haar wat er scheelde. "Beste zoon," antwoordde zij hem, "in deze stad woont een heks. Dagelijks verorbert zij een brood, een geit en een jongeman. Alleen als haar eetlust bevredigd is, laat ze ons met rust. Het komt er dus op neer, dat wij haar dagelijks een dergelijk menu moeten voorschotelen. Het lot heeft mij aangewezen om vandaag voor haar eten te zorgen. Ik kan haar een geit geven en een brood, maar hoe kom ik aan een jongeman. Jou wil ik het niet vragen; hoe kan ik immers toestaan dat zij mijn pleegzoon opeet?"

"Waarom brengt niemand die heks dan om het leven?" vroeg de prins. "Velen hebben het geprobeerd," sprak de oude vrouw, "maar hun pogingen zijn allemaal mislukt. De koning heeft de positie van eerste minister en zelfs de hand van zijn dochter beloofd aan degene die de heks vermoord. Maar het is niemand gelukt om de heks te doden." De oude vrouw begon te snikken. "Huil maar niet meer, moedertje, ik zal de heks een kopje kleiner maken," sprak de jonge prins. "U moet een zo groot mogelijk rond brood voor me bakken en vervolgens de vetste geit uit uw kudde kiezen." De oude vrouw deed wat hij haar had gevraagd en tegen de avond liep de jonge prins naar de boom, waar de heks altijd kwam om te eten. Onder zijn arm droeg hij een enorm rond brood en een vette geit liep aan een touw met hem mee.

Nadat hij de geit aan de boom had vastgebonden en het brood op de grond had neergelegd, stelde hij zich een eindje verder verdekt op. Even later verscheen de heks. Ze zag er angstaanjagend uit; ze had een formidabel lichaam en enorm grote handen. Het was haar gewoonte om eerst de geit en het brood op te eten. Terwijl ze op de laatste restjes van haar voorgerecht zat te kauwen en haar ogen al in het rond schoten op zoek naar het hoofdmaal, sprong de prins met opgeheven zwaard op haar af. Er volgde een verschrikkelijk gevecht. De heks was sterker dan de prins, maar zij had al een vette geit en een groot brood op. Ze vocht op een volle maag, waardoor ze niet meer zo snel en behendig was. In de korte maar hevige strijd moest ze het onderspit delven en ten slotte bleef ze dood voor de voeten van de jonge prins liggen. Hij hakte het hoofd van haar lichaam en wikkelde dat in een doek. Daarna besloot hij om even te rusten, alvorens terug te keren naar de oude vrouw. Hij vleide zich neer en viel weldra diep in slaap.

Elke ochtend kwam een straatveger naar de plek waar de heks te eten kreeg, om de restanten van het feestmaal van de vorige nacht op te ruimen. Hij vond enkel wat broodkruimels en de afgekloven botten van een geit. Verbaasd vroeg hij zich af wat er met de rest was gebeurd. Hij keek om zich heen en zag de prins, die nog steeds in diepe slaap verkeerde. Hij tilde de prins op, legde hem een eindje verderop in een kuil neer en bedekte zijn lichaam met aarde. De prins sliep zo vast, dat hij nergens wat van merkte en niet wakker werd. Daarna pakte de straatveger het hoofd van de heks en ging ermee naar het paleis van de koning om zijn beloning op te eisen.

De koning twijfelde aan het verhaal van de straatveger. Maar belofte maakt schuld en hij was genoodzaakt om hem als eerste minister aan te stellen. Uit trots weigerde hij echter zijn dochter aan een straatveger uit te huwelijken. Bovendien was de man al getrouwd en had hij kinderen. Daarom zei de koning: "De prinses wil haar huwelijk nog een jaar uitstellen."

De straatveger was nu eerste minister en hij wreef zich in de handen bij het vooruitzicht dat hij over een jaar met de prinses zou trouwen.

Niet lang nadat de straatveger was vertrokken, verscheen een pottenbakker met zijn zoon bij de kuil waar de prins begraven lag. Ze kwamen klei graven en vonden zodoende het lichaam van de prins. Tot hun verbazing ademde hij nog en ze besloten om hem mee naar huis te nemen. Onder de zorgzame hand van de vrouw des huizes kwam de prins snel weer tot bewustzijn. Hij vertelde de pottenbakker en zijn familie dat hij de heks gedood had en daarna in slaap gevallen was. Tot zijn verbijstering kreeg hij te horen dat een straatveger hetzelfde beweerd had en dat de koning hem daarvoor al had beloond. De jonge prins had geen getuigen en besloot bij de pottenbakker en zijn familie te blijven. Hij leerde hun vak en verwierf zich in korte tijd een reputatie als bekwaam pottenbakker. Spoedig deed het gerucht de ronde dat hij degene was die de heks gedood had en niet de straatveger die de beloning had opgeëist.

Hetzelfde gerucht kwam de eerste minister ter ore en prompt zorgde hij ervoor dat de pottenbakker met zijn familie en de jonge prins uit de stad verbannen werden. Zij trokken weg en vestigden zich in de heuvels niet ver van de stad. Daar bouwden ze een nieuwe oven. Van een zacht glooiende heuvel groeven ze trapsgewijs de klei af voor hun potten. Op de terrassen, die al gravend ontstonden, besloot de prins een tuin aan te leggen. Eerst leidde hij er het water van een hoger gelegen bron naar toe en daarna begon hij met de aanplant van fruitbomen en heesters. De familie van de pottenbakker maakte honderden bloempotten. De jonge prins plaatste ze her en der in de tuin en zaaide er de prachtigste bloemen in. Na verloop van tijd lag er zo'n schitterende tuin, dat mensen er van heinde en ver op afkwamen om van de bloemenpracht te genieten.

Op een dag kwam de eerste minister met zijn familie naar de tuin om er te picknicken. De dochter van de eerste minister zag de fruitbomen, de duiven die overal in het rond vlogen en het water dat van het ene terras in het andere omlaag stroomde. Ze raakte in de ban van al die schoonheid om haar heen en ze vroeg haar vader om in de toekomst vaker terug te komen. Bij haar tweede bezoek was het meisje wederom in verrukking. Ze wandelde langs de verschillende terrassen omhoog en bereikte ten slotte de bron. Daar zag ze een jongeman; hij zat naast de bron, met het hoofd in de handen naar het water te staren. Toen hij haar zag naderen stond hij op, slaakte een diepe zucht en verdween. De dochter van de eerste minister was op slag verliefd.

Nadat zij thuisgekomen was, sprak zij tot haar vader: "Vandaag heb ik een wonderschone jongeman gezien. Hij zat te zuchten naast de bron. Ik zal eten noch drinken voordat ik met hem getrouwd ben." De eerste minister stuurde een paar dienaren op onderzoek uit, hij wilde eerst weten wie deze jongeman was.

De mannen ontdekten dat het om dezelfde persoon ging als degene die beweerde, dat hij en niet de straatveger de heks gedood had.

Uit vrees dat zijn bedrog ontdekt zou worden, wilde de eerste minister het liefst verder niets met de jongeman te maken hebben. Aan de andere kant kon hij de wens van zijn dochter niet negeren, aangezien zij al in hongerstaking was. Hij verzon een snood plan. Hij zou ervoor zorgen dat zijn dochter met de pottenbakker trouwde. Meteen na de bruiloft zou hij hun als huwelijksreis een boottocht aanbieden. Hij zou zijn bedienden de opdracht geven om de bruidegom onderweg overboord te werpen en zijn dochter terug naar huis te brengen.

Alles geschiedde zoals de eerste minister zich had voorgenomen. Het huwelijk werd voltrokken en het bruidspaar ging per schip op huwelijksreis. De eerste nacht lokten de bedienden de bruidegom naar het dek en gooiden hem overboord. Even later sloegen zij alarm en een van de bedienden rende naar de prinses om te vertellen dat haar man was verdronken. De jonge prins had echter op miraculeuze wijze een touw, dat van het schip hing, kunnen beetpakken. Hij zag kans om onopgemerkt weer aan boord te klimmen en sloop naar het vertrek van zijn vrouw. Zij schrok zich een aap en het kostte hem de nodige moeite om haar te verzekeren dat hij nog leefde en niet een schim was uit het dodenrijk. Hij legde haar precies uit wat hem was overkomen. Ze besloten daarop dat hij zich in haar grote hutkoffer verborgen moest houden.

De volgende morgen bracht een bediende het ontbijt. Zij bleef op bed liggen en sprak met een droevig stemmetje: "Leg het maar neer, ik weet nog niet of ik wel zin heb om te eten." Nadat de bediende verdwenen was, deelde zij het ontbijt met haar echtgenoot.

Het schip keerde terug en in gepaste rouwstemming werd het meisje met haar bagage terug naar het huis van haar vader geleid. De eerste minister was zeer in zijn schik en gaf zijn bedienden een rijke beloning.

Terug in haar kamer opende het meisje de hutkoffer en vermomde de jonge prins als dienstmeid, zodat hij bij haar kon blijven. In de dagen die volgden vertelde hij haar zijn levensverhaal. Zij op haar beurt vertelde hem dat de koning van het land een vreemdeling was en hoe hij door de heilige olifant was uitverkoren. Toen de jonge prins dat hoorde, kreeg hij het vermoeden dat deze koning wel eens zijn broer zou kunnen zijn.

Om zijn vermoeden te staven bedacht hij een plan. Hij wist dat de eerste minister elke dag een boeket bloemen uit zijn tuin naar de koning stuurde. Op een avond ging hij naar de dochter van de tuinman en zei: "Ik zal je een nieuwe manier van bloemschikken leren." Hij pakte de bloemen en schikte ze op precies dezelfde wijze als hij dat de tuinman van zijn vader altijd had zien doen.

De volgende ochtend ging de tuinman met de bloemen naar het paleis. Toen de koning het boeket in ontvangst nam trok hij één wenkbrauw omhoog en vroeg wie de bloemen had geschikt. "Dat heb ik gedaan, sire," antwoordde de tuinman. "Dat is gelogen," sprak de koning, "maak nu dat je weg komt! Morgen breng je me precies zo'n boeket bloemen. Zo niet, dan hak ik je eigenhandig het hoofd af."

De tuinman ging naar huis en vertelde zijn dochter wat de koning hem bevolen had. De dochter haastte zich naar de als dienstmeid vermomde jonge prins en vertelde wat de koning tegen haar vader had gezegd. Daarna smeekte zij: "U moet mijn vader redden. Alstublieft, schikt u de bloemen weer zoals gisteren." De jonge prins was er nu zeker van dat de koning niemand anders kon zijn dan zijn verloren broer. Hij maakte een prachtig boeket en tussen de bloemen verstopte hij een papiertje waarop zijn naam geschreven stond.

De koning was tevreden met het boeket. Toen hij tussen de bloemen het papiertje met de naam van zijn broer vond, zei hij tegen de tuinman: "Ik weet dat jij deze bloemen niet hebt geschikt. Vertel eens wie het wel gedaan heeft." De tuinman antwoordde: "De dienstmeid, die voor de dochter van de eerste minister werkt, heeft het voor mijn dochter gedaan."

De koning liep samen met de tuinman naar het huis van zijn minister. En warempel, daar zag hij zijn broer vermomd als dienstmeid. Ze vlogen elkaar om de hals.

Nadat ze hun hereniging gevierd hadden, verdreef de koning de eerste minister uit zijn rijk en in zijn plaats stelde hij zijn jongere broer aan. De voorspelling van de papegaai en de spreeuw was uitgekomen. De kroonprins werd koning en de jonge prins werd zijn eerste minister.


*   *   *

Twee prinsen Samenvatting
Een prachtig sprookje over twee koninklijke broers uit India. Twee koningszonen lopen vanwege hun stiefmoeder van huis weg. Onderweg voorspellen een spreeuw en een papegaai dat degene die hen opeten eerste minister en koning zullen worden. De twee broers eten de dieren op en al snel wordt de oudste broer koning. De jongste broer is echter verdwenen en ondervindt veel pech en verdriet... Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Reizen. Verhalen over avontuurlijke reizen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: India
Verteltijd: ca. 31 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook