Volksverhalen Almanak

U denti paladinu (De tand van de paladijn) Een Corsicaans sprookje over een ijdele en eerzuchtige ridder

Heel, heel lang geleden verhief zich, in een dal tussen hoge bergen, dicht begroeid met de ondoordringbare wirwar van struiken en bomen - die men op Corsica de 'maqui' noemt - een prachtig kasteel. En iedereen wist, dat dit het kasteel van de duivel was. Rondom het gebouw was een hoge muur van graniet gebouwd en rondom die muur liep een brede gracht, waarin het water voortdurend kookte. Wie het ongeluk had daarin te vallen, was onmiddellijk een lijk. Men zou zeggen dat dit al genoeg was om elke waaghals terug te houden van iedere poging om het kasteel binnen te dringen, maar tot overmaat van zekerheid lag nog aan elke kant van de zware bronzen ingangspoort een draak met zeven koppen op de loer.

Toch waren er al vele ridders op uit getrokken om te proberen het kasteel binnen te komen, ten einde 'u denti paladinu' te veroveren, die daar door de duivel verborgen werd gehouden. Deze 'denti' had namelijk de eigenschap, dat er onophoudelijk wijn uit vloeide; de geurigste muskaatwijn, die op de hele wereld te vinden was, maar tevens zo giftig, dat satan er veelvuldig gebruik van maakte om er zoveel mogelijk mensen mee te verderven.

Een enkele maal was het gebeurd dat de een of andere onverschrokken ridder tot aan de poort van het kasteel had weten door te dringen; maar zodra hij die, al was het ook nog zo vluchtig, even aanraakte in de mening dat de beide draken in diepe slaap lagen, begonnen daarbinnen plotseling honderden heldere klokjes te luiden, ieder op een verschillende toon gestemd. Deze muziek nu klonk zeker buitengewoon lieflijk, maar zodra ze zich liet horen, ontwaakten de draken en binnen een ogenblik hadden ze de indringer levend verslonden.

Nog nooit was een van de ridders die het waagde om 'u denti paladino' te bemachtigen teruggekeerd. En toch was het of er voor elke waaghals of avonturier een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitging van deze plek. De een werd gedreven door geldzucht, de ander door het verlangen te slagen in een onderneming, die tot nu toe aan iedereen was mislukt, een derde door het edele verlangen de wereld te verlossen van de verderf brengende 'denti paladinu' die - zolang hij in handen van de duivel bleef - zoveel kwaad stichtte.

Zo was er dan ook weer eens een jonge ridder die - hoewel hij al bekend stond als de dapperste onder de dapperen - zijn roem toch nog wenste te vermeerderen door een waagstuk uit te voeren, dat nog geen ander had kunnen volbrengen. Hij was uitgetogen met het vaste besluit om satan zijn 'denti paladinu' te ontstelen - niet zozeer met het doel om de mensheid van deze vloek te bevrijden, maar uit persoonlijke ijdelheid en eerzucht.

Om in het dal te komen, waarin het kasteel stond, moest hij beginnen met zich een weg te banen door de dichte 'maqui', maar eindelijk was hem dit gelukt en hij liet zich in het gras neer om - eer hij verdere stappen deed - een beetje uit te rusten van deze moeizame tocht. Het was doodstil rondom. Men hoorde niets dan het getsjirp van duizenden krekels en de ridder was op het punt om in te dutten, toen hij werd gewekt door een angstige kreet. In een ogenblik was hij op de been en ontwaarde nu een schone jonkvrouw, die in doodsangst vluchtte voor een haar achtervolgend reusachtig everzwijn. Nauwelijks kreeg ze hem in het oog, of ze riep hem toe: "Edele ridder, red mij! Red mij toch!"

Snel trok nu de ridder het grote mes, dat hij gebruikt had om zich een weg door het dichte struikgewas te banen, uit de schede, en een ogenblik later viel het everzwijn dood neer.

"Heb duizendmaal dank, edele ridder!" sprak nu de jonkvrouw, "u hebt mij het leven gered en ik heb de macht u daarvoor te belonen. Weet, dat ik een toverfee ben en welke wens u ook mocht doen, ik beloof u die te zullen vervullen."

"Schone fee," antwoordde de ridder, "mijn wens is, dat ik ginds kasteel zal mogen binnengaan zonder dat de draken, die aan weerszijden van de poort de wacht houden, wakker worden."

"Ach, ridder," zuchtte de fee, "bedenk u nog eens goed, eer u deze wens doet! Weet u dan niet dat dit onzalige kasteel het eigendom van de duivel is en dat nog nooit enig mens die het betrad, er levend uit te voorschijn is gekomen?"

"Jawel, schone fee, ik weet het, maar toch wens ik het waagstuk te ondernemen."

"Welnu dan, ik ben tenminste in staat u zonder levensgevaar het kasteel te doen betreden. Wat er dan verder gebeurt, moet u zelf verantwoorden. Luister goed, naar wat ik u zal zeggen. Om te beginnen moet u een van de slachttanden nemen van het zo-even door u verslagen everzwijn en die in uw zak steken. Zolang u die bij u draagt, zult u het kasteel kunnen binnengaan zonder dat de draken u verslinden of de duizenden klokjes beginnen te tingelen. Maar pas op dat u - zolang u binnen deze muren vertoeft - geen enkel ding aanraakt en niets gebruikt van alles wat u zal worden aangeboden. Want in dat geval zou zelfs de invloed van de slachttand u niet van een onmiddellijke dood kunnen redden."

De ridder dankte de fee voor haar hulp en goede raad, voorzag zich van een slachttand van het everzwijn en stapte vol moed naar de zware bronzen poort, die zich uit eigen beweging opende toen hij haar even aanraakte, zonder dat de draken ontwaakten of de duizenden klokjes hun lieflijke muziek lieten horen.

Zonder één ogenblik te aarzelen betrad hij het voorhof van het kasteel en alles, wat hij daar zag, was nog veel schoner dan hij het zich ooit had kunnen voorstellen! Hoe had hij ook kunnen denken dat de vloer zou bestaan uit een mozaïek van zeldzame diamanten en allerlei andere kostbare stenen? Dat was me daar een onbeschrijflijk geschitter en geflonker in het heldere licht van de honderden met welriekende olie gevulde lampen, die langs de wanden waren aangebracht!

De ridder echter hield zich niet op om al deze wonderen nader te beschouwen; zijn doel was de 'denti paladinu' en hij liep maar door, van de ene zaal in de andere, steeds hopende, deze te zullen ontdekken!

Er waren echter vele zalen, de ene al schoner dan de andere en overal langs de muren waren, in gouden nissen, prachtig gebeeldhouwde standbeelden geplaatst, die, tot grote verbazing van de ridder, menselijke stemmen schenen te bezitten. Een van hen riep hem toe, zodra hij hem zag: "O, ongelukkige, wat komt u hier doen? Bent u dan de enige sterveling die geen vrees koestert voor de machtige geest aan wie dit kasteel toebehoort?" Een ander blikte hem dreigend aan en schreeuwde hem tegemoet: "Onbeschaamde, hoe durft u het te wagen, hier binnen te treden? Ik zou veel lust hebben, u op een dracht stokslagen te onthalen, maar omdat ik zie dat u van edel bloed bent, daag ik u uit tot een tweegevecht. Hier, neem dit zwaard en verdedig u!"

De ridder herinnerde zich gelukkig nog tijdig de waarschuwing van de fee en trok vlug de hand terug van het gevest van zijn degen, die hij juist had willen trekken om zich op zijn belediger te wreken. Het kostte hem moeite zich in te houden, maar hij beheerste zich en liep door alsof hij niets had gehoord.

Nu kwam hij in een lieflijke tuin vol heerlijk geurende, schitterende bloemen, zingende vogels en volgeladen vruchtbomen van de edelste soort. "Pluk van deze vruchten!" zongen de bontgekleurde vogeltjes, "ze zijn zoet en sappig! Pluk deze, pluk deze! Proef ze gerust, ze zijn zo verfrissend!" De ridder echter wendde zijn hoofd af van de verleidelijke vruchten en antwoordde niet.

Op de tuin volgde opnieuw een ruime zaal, nog grootser dan al de vorige, en hier was het, dat hij voor 't eerst levende mensen ontmoette. Van alle kanten kwamen bekoorlijke jonkvrouwen te voorschijn en de schoonste van allen stak hem haar hand toe en sprak vriendelijk: "Welkom hier, schone ridder! U bent ongetwijfeld in dit kasteel binnengedrongen om ons te verlossen uit de macht van de boze geest, die ons hier al bijna duizend jaar lang gevangen heeft gehouden! O, wij willen u ons vertrouwen schenken, omdat u de eerste mens bent die het heeft mogen gelukken tot onze gevangenis door te dringen, niettegenstaande de monsterachtige draken en de luidende klokjes, die voor ieder ander de toegang onmogelijk maken! Zet u neder, dappere ridder, en eet en drink van de verversingen die wij u hier voorzetten, opdat u daarna met vernieuwde krachten uw heldendaad zult kunnen voltooien."

Dit aanbod werd hem met zoveel hartelijkheid gedaan en de jonkvrouw keek hem daarbij zo vriendelijk aan, dat hij het bijna had aangenomen. Maar ook thans dacht hij gelukkig nog net op tijd aan de waarschuwing van de fee en hij liep door zonder de lieflijke jonkvrouw te antwoorden.

In de zaal, die hij vervolgens betrad, heerste een verstikkende hitte, die hem bijna de adem benam. Hij verhaastte zijn schreden om zo spoedig mogelijk uit deze drukkende atmosfeer vandaan te komen. Maar ach, dit vertrek scheen eindeloos te zijn - ja, het scheen wel of het zich voortdurend vergrootte, naarmate hij verder en verder doorliep!

Dit was inderdaad het geval en de arme ridder, bijna bezwijkend van honger, dorst en vermoeidheid, werd gedwongen, dertig dagen en nachten te blijven ronddolen in dit vreselijke oord!

Zijn krachten namen meer en meer af en hij stond juist op het punt te bezwijken, toen hij zich plotseling voor een groot marmeren bekken bevond. Boven dit bekken hing 'u denti paladinu' waaruit onophoudelijk in dikke stralen de geurigste muskaatwijn neerviel.

De ridder verzamelde zijn laatste krachten en stond het volgende ogenblik aan de rand van de marmeren kom, terwijl ontelbare zachte, vleiende stemmen hem toefluisterden dat hij gerust een enkel slokje van deze opwekkende, verfrissende wijn kon drinken om de ondraaglijke dorst die hem kwelde te lessen.

Even aarzelde de ridder - één enkel ogenblik dacht hij aan de waarschuwing van de fee - toen boog hij zich over het bekken en dronk met volle teugen van de wijn, die dood en verderf veroorzaakt. Hij kon niet ophouden met drinken. Hij dronk - en dronk - en dronk maar, net zolang tot hij voorover in het bekken tuimelde. En vanaf die rampzalige dag heeft geen sterfelijk mens ooit deze dapperste aller ridders teruggezien.


*   *   *

U denti paladinu (De tand van de paladijn) Samenvatting
Een Corsicaans sprookje over een ijdele en eerzuchtige ridder. In een kasteel op Corsica bevindt zich 'u denti paladinu', waaruit onophoudelijk muskaatwijn vloeit, die de duivel gebruikt om de mensen te verderven. Het kasteel wordt bewaakt door twee zevenkoppige draken en geen ridder is er ooit levend van teruggekeerd. Dan gaat een ridder op pad en met behulp van een fee lukt het hem binnen te komen. Toch kan hij de verleidingen van de duivel niet weerstaan en ook hij keert niet weer. Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 13-18.

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 15 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook