Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 24 min.
Herkomst:

Van de dieren, die hun straf ontvluchtten Een dierenverhaal uit Estland over een overmoedige vos

Er was eens een vrouw die een kat had. Op een dag stootte de kat een kan met melk om, die in de keuken stond, zodat de melk over de vloer stroomde. "O, wat heb ik nu gedaan!" riep de kat geschrokken uit, toen ze zag wat ze uitgericht had. "Daarvoor zal ik slaag van mijn bazin krijgen, als ik hier blijf. Weet je wat, ik ga op de vlucht, dan hoef ik nooit meer bang te zijn voor straf." En de kat begaf zich op weg.

Onderweg kwam ze een haas tegen. "Goedendag, lieve nicht, waar gaat de reis naar toe?" riep de haas. "Ik heb de kan met melk van mijn meesteres omgegooid en ik ben nu op de vlucht om mijn straf te ontlopen," antwoordde de kat. "Laat ik dan met je mee gaan," hernam de haas. "Want ook ik heb kwaad gedaan." - "Wat heb jij dan uitgevoerd?" vroeg de kat. "Ik hield zodanig huis in het koolveld van een boer, dat het voor de helft kaalgevreten is." En de haas voegde zich bij de kat en ze gingen samen verder.

Toen kwamen ze een vos tegen. "Goedendag, lieve nichten," riep de vos al van verre. "Waar gaat de reis naar toe?" - "Wij zijn op weg om onze gerechte straf te ontlopen. Ik stootte de melkkan van mijn meesteres om en ik vrat het koolveld van een boer kaal," zo antwoordden de kat en de haas. - "Wel, dan ga ik met jullie mee, want ik voel me ook bezwaard. Gisteren kwam ik bij een boerderij een troep ganzen tegen, die ik allemaal de kop afbeet." En de vos voegde zich bij de twee anderen.

Toen ze een eind gelopen hadden, kwamen ze een wolf tegen. "Wel, lieve nichten, en jij, neef vos, zo vroeg al op pad. Waar is de reis naar toe?" vroeg de wolf. De kat, de haas en de vos vertelden de wolf, waarvoor ze op weg waren. "Ik voel me ook schuldig," riep de wolf. "Vorige week, toen mijn maag knorde en kreunde van de honger, ben ik het weiland van een boer opgeslopen en heb daar een mooie vette koe geroofd en verscheurd." - "Ga dan met ons mee," riepen de anderen en de wolf voegde zich bij hen.

Toen kwamen ze een grote bruine beer tegen. "Kijk eens aan," bromde de beer met zijn diepe basstem. "Daar zijn mijn lieve nichten de kat en de haas en mijn waarde neven de vos en de wolf, gevieren op stap. Waar moet dat zo vroeg op de dag al naar toe?" De anderen vertelden de beer, waarom ze op weg waren. "Zo, zo," gromde de beer. "Nou, om heel eerlijk te zijn, ik voel me ook niet helemaal veilig. Een tijdje geleden kwam ik in het bos een man te paard tegen. De ruiter heb ik laten gaan, maar de prachtige hengst die hij bereed, heb ik tegen de grond geslagen en gedood. Ik denk, dat ik eigenlijk ook maar met jullie meega." Zo gezegd, zo gedaan en de beer voegde zich bij het gezelschap en met z'n vijven gingen ze verder.

Toen kwamen ze aan een diepe kuil midden op het pad, waar een smalle stang overheen lag. "Wie over de stang lopend de andere kant van de kuil bereikt, die hoeft niet meer bevreesd te zijn en kan met een gerust hart terugkeren," riep de kat en liep zelf op een drafje over de stang naar de overzijde.

De haas wilde dat toen ook gauw proberen. Maar nauwelijks had ze haar poten op de gladde stang gezet, of ze viel naar beneden in de kuil. De vos kwam een eindje verder, maar gleed toen ook uit en tuimelde eveneens naar beneden. Toen kwam de wolf aan de beurt. Balancerend met zijn staart kwam hij ongeveer halverwege, maar ook hij kon het toen niet langer volhouden en hij stortte in de kuil. De beer, die vaak in bomen klom om daar honing te roven uit de nesten van de wilde bijen en zodoende goed kon klauteren, kwam tot op een paar meter van de overzijde van de kuil. Toen verloor echter ook hij zijn evenwicht. Hij greep zich nog met zijn klauwen aan de stang vast, maar tenslotte viel hij evenals de anderen omlaag, met stang en al.

Daar zaten ze toen met hun vieren in de diepe kuil: de haas, de vos, de wolf en de beer. Iedere poging om tegen de steile gladde wanden omhoog te klauteren, mislukte en het duurde niet lang, of de honger begon het viertal te plagen.

Wat moesten ze nu beginnen? De vos wist tenslotte een oplossing. "We moeten om het hardst gaan zingen," stelde hij voor. "En wie dan de zachtste stem blijkt te hebben, die eten we op. Ikzelf zal dan wel als scheidsrechter optreden."

"Een uitstekend idee!" brulde de beer. "Ik zal wel beginnen." En de beer hief een brullend gezang aan, dat de wanden van de kuil trilden en in het bos de vogels van schrik hun eigen gezang staakten. Toen kwam de wolf aan de beurt. Hij stak zijn kop in de lucht en hief zo'n doordringend gehuil aan, dat al de anderen de vingers in de oren staken om niet doof te worden.

Wat kon daartegen het arme haasje met zijn piepstem uitrichten! Hij verloor het dan ook en werd door de anderen opgegeten.

De vos zelf had zijn mond helemaal niet opengedaan, want die had het te druk met scheidsrechter te spelen. En aangezien de anderen hem graag te vriend wilden houden, zeiden ze daar verder maar niets van.

Maar één haas is voor een beer, een wolf en een vos geen overvloedig maal en spoedig begonnen hun magen dan ook weer geducht te knorren. Ze besloten dan ook een tweede zangwedstrijd te houden. De beer zette zijn borst nog wijder uit dan de eerste keer en stootte een dusdanig oorverdovend gebrul uit, dat het stof in dichte wolken uit de kuil omhoog dwarrelde. Toen was de beurt aan de wolf. Die stak zijn kop weer in de lucht en hief nu zo'n schril en door merg en been snijdend gehuil aan, dat de beide anderen verschrikt naar hun oren grepen en de vos haastig uitriep: "Genoeg! Genoeg! Houd je mond maar, jij hebt het gewonnen!"

En zo werd de beer door de wolf en de vos opgegeten. Dat was een héél wat vettere kluif, dan het kleine haasje en de beide overgebleven dieren hadden er wel een week lang genoeg aan. Maar zelfs een beer raakt tenslotte op en na een week zaten de wolf en de vos elkaar weer met hongerige ogen aan te kijken.

Nu had de vos stilletjes en zonder dat de wolf het had gemerkt, het hart van de beer weggenomen en achter zich verstopt. En toen er niets meer te eten viel, nam hij telkens een stukje van dat hart en begon het op te eten. "Ach, m'n beste neef," klaagde de wolf, "ik heb zo'n vreselijke honger en ik zie dat jij nog altijd wat te eten hebt. Mag ik daar ook wat van hebben?"

De vos gaf de wolf een klein stukje van het berenhart, dat deze gulzig naar binnen slokte. Het smaakte de wolf zó goed, dat hij dadelijk om nog meer vroeg.

"Nee, je krijgt niet meer," zei de vos. "Je ziet, dat ik zelf al van mijn eigen hart aan het eten ben. Dan moet je ook maar aan het jouwe beginnen, dat is bovendien nog groter dan het mijne ook." En opnieuw nam hij een stuk hart in zijn bek.

Dat kon de wolf niet langer aanzien. Het water kwam hem in de bek, toen hij de vos daar zo smakelijk zag zitten eten. Hij nam een moedig besluit en scheurde zich de borst open, om van zijn eigen hart te gaan eten, net zoals hij dat de vos zag doen. Dat betekende voor de wolf echter zijn einde. Dodelijk gewond viel hij op de grond en stierf in enkele ogenblikken.

Nu bleef de vos alleen over. Eerst peuzelde hij de wolf op, maar toen ook die tot op het laatste beentje was afgekloven, begon hij op middelen te zinnen, om uit de kuil te geraken.

Op dat ogenblik streek er een spreeuw neer op de rand van de kuil. "Hé daar, spreeuw! Als jij niet zorgt, dat ik heel gauw uit deze kuil kom, zijn je jongen en je eieren geen moment meer veilig. Die eet ik dan met huid en haar op!" zo schreeuwde de vos de spreeuw toe.

"Maar hoe moet ik het dan aanleggen, om je uit die kuil te krijgen?" vroeg de spreeuw verschrikt.

"Zoek takjes en twijgjes bij elkaar en gooi daar net zo veel van in de kuil, dat die helemaal gevuld raakt."

De arme spreeuw, die bang was dat zijn jongen inderdaad door de vos zouden worden opgegeten, vloog weg om net zo veel takjes bij elkaar te zoeken, dat hij daarmee de diepe kuil kon opvullen. Drie dagen was hij onafgebroken bezig met het aanslepen van alles en nog wat en toen de spreeuw zó moe was, dat hij nauwelijks nog zijn vleugels kon opheffen, had hij eindelijk de kuil zover met takjes, twijgjes en sprietjes opgevuld, dat de vos er uit kon klauteren.

"Nu moet je zorgen, dat ik wat te eten krijg. Anders eet ik niet alleen je jongen op, maar jezelf er nog bij," snauwde de vos de spreeuw toe.

"Maar hoe moet ik het aanleggen, om je iets te eten te bezorgen?"

"Kijk, daar gaat juist een vrouw voorbij op weg naar een doopfeest. Ze heeft aan haar arm een mand vol met allerlei lekkernijen. Nu moet jij haar op zo'n hinderlijke wijze om haar hoofd fladderen, dat ze de mand op de grond zet, om een stok te gaan afsnijden om jou weg te jagen. In die tussentijd zal ik dan wel zorgen, dat die lekkernijen een goede bestemming krijgen."

De spreeuw deed zoals haar gezegd was en fladderde de vrouw onafgebroken om het hoofd. Deze vond dat op den duur zo hinderlijk, dat ze haar mand op de grond zette en aan de kant van de weg een stok ging afsnijden om daarmee naar de spreeuw te slaan. Intussen deed de vos zich te goed aan de inhoud van de mand en at zich de buik vol.

Toen ze de vrouw daarop aan haar lot hadden overgelaten, zei de vos tegen de spreeuw: "Nu moet je zorgen, dat ik wat te drinken krijg, want ik heb dorst. En schiet een beetje op, anders verslind ik zowel jou als je jongen."

"Maar hoe moet ik daarvoor zorgen, dat jij wat te drinken krijgt?"

"Kijk, daar gaat juist een man met een groot vat bier op zijn wagen naar een bruiloft toe. Vlieg jij nu voortdurend om de stop die in het tapgat zit. Dat zal de man op den duur gaan vervelen en hij zal je met zijn zweep willen verjagen, maar daarmee de stop uit het tapgat slaan, zodat al het bier uit het vat stroomt."

Ook nu deed de spreeuw weer wat de vos haar gezegd had. De man probeerde met zijn zweep de vogel te verjagen, die maar onafgebroken om het tapgat van zijn vat met bier vloog. Hierdoor sloeg hij echter de stop uit het tapgat, zodat al het bier naar buiten stroomde en de weg in een beek van bier veranderde.

De vos dronk naar hartelust en raakte door al dat bier nóg overmoediger dan tevoren.

"Nu wil ik wat lachen," schreeuwde hij de spreeuw toe. "En daar moet jij voor zorgen."

"Maar wat moet ik dan doen?"

"Kijk, ginds zijn een boer en zijn zoon op weg om te gaan dorsen. Nu moet jij aan één stuk door om de neus van die boer fladderen. De zoon zal tenslotte zijn vader willen helpen om jou te verjagen. Hij zal met zijn dorsvlegel naar je slaan, maar daarmee de neus van zijn vader raken."

En ook ditmaal deed de spreeuw wat van haar verlangd werd. Ze fladderde onafgebroken om de neus van de boer, totdat de zoon zijn vader te hulp wilde komen en met zijn dorsvlegel een flinke klap in de richting van de hinderlijke vogel gaf. Die klap kwam inderdaad stevig aan! Alleen niet op de spreeuw, maar op de neus van de boer, wie de tranen van pijn in de ogen sprongen...

De vos rolde op zijn rug van het lachen, zo'n dolle pret had hij over zijn streek. Intussen waren ze bij het hek van een groot landgoed aangekomen. "Hé, spreeuw! Zorg er nu voor, dat ik wat lichaamsbeweging kan nemen. Na al dat eten en drinken heb ik daar wel behoefte aan," zo riep de vos de spreeuw toe.

"Maar hoe moet ik dat aanleggen?"

"Vlieg het erf van dat landgoed op en roep daar dan zo hard als je kan: 'Laat de honden los! Laat de honden los! Er zit een vos achter de heg!' Ik heb echt zin om eens stevig te rennen en te draven."

De spreeuw vloog het erf op in de richting van het landhuis en riep zo hard als ze kon: "Laat de honden los! Laat de honden los! Er zit een vos achter de heg!"

En meteen kwamen daar al met grote sprongen en woedend blaffend twee grote windhonden aanstormen, die met de neus op de grond spoedig het spoor van de vos gevonden hadden. Dat werd toen een rennen en draven dat het een lieve lust was! Kriskras door de tuin, dwars over heggen en sloten, over weilanden en akkers, net zo lang tot de vos er genoeg van begon te krijgen en een hol binnenglipte om zich in veiligheid te brengen. De twee honden bleven grommend en snuffelend voor het hol staan.

Ook dat was de vos dus weer gelukt! En aangezien al het bier dat hij gedronken had hem hoe langer hoe meer naar het hoofd steeg, werd hij nog overmoediger dan te voren. En omdat er in het hol niemand anders was, tegenover wie hij zijn overmoed kon luchten, richtte hij zich maar tot zijn eigen voorpoten: "Hé daar jullie, voorpoten, wat hebben jullie eigenlijk gedaan om mij in veiligheid te brengen?"

"Wij groeven en groeven, opdat de vos een toevlucht kon vinden in dit hol!" zo antwoordden de beide voorpoten.

"En jullie, achterpoten, wat hebben jullie uitgevoerd?" zo ging de vos verder.

"Wij sprongen en sprongen, opdat de vos zich uit de voeten zou kunnen maken."

"Maar jullie, ogen, hebben jullie eigenlijk wel iets gedaan om mij te redden?"

"Wij keken en keken, opdat de vos bij zijn vlucht goed zou kunnen zien, waar hij naar toe moest," antwoordden de beide ogen.

"En jij, neus, heb jij nog op de een of andere manier aan mijn redding bijgedragen?"

"Ik snoof en snuffelde, opdat de vos kon ruiken, dat er honden in de buurt waren."

"Maar jullie beiden, oren, wat is jullie aandeel geweest?"

"Wij luisterden en luisterden, opdat de vos al van verre het gevaar kon horen aankomen."

"En jij," zo richtte hij zich tenslotte tot zijn staart. "Heb jij eigenlijk nog wel iets gedaan om mij te redden?"

"Ik sleepte achter de vos aan," antwoordde de staart. "Ik haakte mij vast in de heggen, ik bleef vast zitten tussen de struiken en verwarde mij in de heesters waar de vos tussendoor wilde glippen. En dat allemaal, opdat men hem des te gemakkelijker te pakken zou kunnen krijgen."

"Wat!" schreeuwde de vos. "In plaats van me te redden, heb je dus je uiterste best gedaan, om mij in handen van mijn vijanden te laten vallen. Daar zul je voor boeten!" En hij stak zijn staart buiten het hol, terwijl hij de honden toeriep: "Hier! Die verraderlijke staart mogen jullie verslinden!" Dat lieten de twee windhonden zich geen twee maal zeggen en grommend sprongen ze op de vossenstaart toe.

Maar die staart zat nu eenmaal aan de vos vast. En toen de honden de staart grepen, trokken ze ook de vos uit het hol, die ze dood beten en verscheurden. En zo ging die slimme vos tenslotte nog aan zijn eigen overmoed te gronde.


*   *   *

Van de dieren, die hun straf ontvluchtten Samenvatting
Een dierenverhaal uit Estland over een overmoedige vos. Een kat stoot een kan melk om en vlucht weg omdat ze denkt dat ze wel straf zal krijgen. Onderweg sluiten allerlei dieren zich om dezelfde reden bij haar aan, waaronder ook een vos. Deze is het sluwst en slimst, maar een tikkeltje overmoedig waardoor hij uiteindelijk zijn eigen ondergang bewerkstelligt. Lees het verhaal

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van Oost-Europa" verzameld en bewerkt door Doedy Bevelander. C.P.J. van der Peet, Amsterdam.

Herkomst: Estland
Verteltijd: ca. 24 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook