Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 14 min.
Herkomst:




Van de krijger die wild werd Ole Partukai

Er was eens een krijger die Ole Partukai heette. Wat een knappe verschijning! Hij had een ongelofelijk indrukwekkende gestalte en was sterk genoeg om een buffel te vloeren alsof het niets was. Wanneer hij zijn arendsblik over de vlakte liet glijden kon hij elke prooi op kilometers afstand ontwaren. Als Ole Partukai zelfverzekerd voorbijkwam hielden zelfs de luipaarden zich schuil.

Zoals elke krijger in die dagen moest ook hij een leeuw doden om te bewijzen dat hij de waardigheid en de zware taken van het krijgerschap aankon. De grootste leeuw in de wijde omtrek doodde hij met één stoot van zijn speer. Hij maakte zich een hoofdtooi met de manen van het beest, en de huid hield hij bij zich als bewijs van zijn kunnen.

Zijn eetlust was haast even groot als zijn moed. Meer dan eens gebeurde het dat hij op een vleeskamp een hele os alleen opat. De andere krijgers stonden daar dan verbouwereerd naar te kijken. Niemand durfde er echter iets van te zeggen, want ook zijn driftbuien waren legendarisch.

Na enkele jaren liep de vraatzucht van Ole Partukai helemaal uit de hand, en uiteindelijk zag hij in dat hij niet in het dorp kon blijven wonen. Wanneer hij klaar was met eten schoot er voor de anderen niets meer over, en dan had hij nog niet eens genoeg gehad! Dat was niet meer te doen. Ole Partukai ging dus maar met zijn bediende Munrunya Nkiyiaa in de wildernis wonen. Daar kon onze held zoveel wilde dieren vangen als hij lustte.

Al vlug was het hem goed aan te zien dat hij tussen de beesten leefde. Nu hij eindelijk zoveel kon eten als hij wou, werd hij heel dik, en zijn huid raakte overal bedekt met haar. Verder liep hij naakt rond, en hield hij op met spreken. Hij gromde of brulde om zich uit te drukken. Slapen deed hij in het struikgewas.

Wanneer hij alle beesten in de buurt had opgevreten ging hij een eindje verderop wonen. Soms vergreep hij zich aan vee, want geen mens had de moed of de kracht om hem dat te beletten. Onze wilde reus werd berucht in de hele streek. Men zei over hem: "Hij is net een lekke kalebas, je krijgt hem nooit vol."

Op een keertje liep Ole Partukai met zijn dienaar over de vlakte, toen ze een vette os zagen die hen deed watertanden. Ze liepen er naar toe. De krijger die belast was met het hoeden van de kudde kreeg nog net de kans om zich in een bosje te verstoppen. De arme man zag hoe de wilde bruut die prachtige os bij de staart greep en voorttrok alsof het een geitje was. Hij kon zijn woede niet langer bedwingen; vanuit zijn schuilplaats stak hij Ole Partukai een zwaard tussen de schouderbladen.

De harige dikkerd dacht echter dat hij door een lastig insect was gestoken en liet zich niet van zijn bezigheden afleiden. Zonder veel moeite kraakte hij de nek van de os en sleurde het beest mee. "Er loopt een straaltje zweet langs mijn rug," sprak Ole Partukai tot zijn dienaar. "Het hindert me. Veeg het eens af." Munrunya gilde: "Dat is geen zweet, meester, maar bloed!" Zo ontdekte de wildeman dat hij gewond was.

"De man die bij de os hoorde moet dit gedaan hebben. Wie denkt dat hij Ole Partukai ongestraft zwaarden tussen de schouderbladen kan steken, vergist zich!" De briesende reus keerde onmiddellijk terug naar de plaats waar de kudde had gegraasd en volgde het veespoor naar het dorp. Hij rukte een boom uit de grond en ging de krijgers ermee te lijf. Het duurde niet lang of ze lagen allemaal gehavend en gewond te kronkelen op de grond. Nauwelijks moe en zeer tevreden trok Ole Partukai zich terug.

De tijden werden hard op de savanne. Onverbiddelijk sloeg de zon toe waardoor het gras bruin werd en de rivieren droog vielen. De maan kwam en ging zonder dat de aarde zich kon laven aan één druppel regen. Het land was niet meer leefbaar voor de mensen en hun dieren. Vele families besloten weg te trekken. Er bleef uiteindelijk alleen een man over die Lankas heette. En de enige plek die nog een beetje beschutting bood tegen de schroeiende zon, was het bos waar ook de gevreesde wilde reus Ole Partukai een onderkomen had gezocht.

Voor de tijd dat Ole Partukai de mensenwereld de rug had toegekeerd, was hij een vriend van Lankas geweest. Ze waren samen besneden en samen toegetreden tot de leeftijdsgroep van de krijgers. Lankas hoopte dat er van die vriendschap nog iets over was, zodat hij een redelijk gesprek met de beruchte wildeman kon hebben.

"Ole Partukai, oude vriend," zei hij, "ik vraag je toestemming om mijn vee onder deze bomen toe te laten, zodat ze niet creperen door de zon." - "Lankas, mijn vriend," zei Ole Partukai - en er glinsterde iets van erkenning in zijn oog, of was het een traan? - "breng gerust de koeien, de schapen en de geiten van je kudde hier naar toe. Dit bos is groot genoeg voor ons tweeën. We zullen het delen!" Het was jaren geleden dat de man uit de wildernis nog zo'n lange toespraak had gehouden. Naar goede gewoonte schonk Lankas zijn gastheer een stier om de overeenkomst te bezegelen.

Alles ging goed tot de dag dat Ole Partukai op één van zijn wandelingen op de kudde van zijn vriend stuitte: "Wat een prachtige beesten heeft die goeie ouwe Lankas toch! Het is niet eerlijk dat hij zoveel heeft en ik niets. Als ik mijn bos met hem deel is het toch normaal dat hij zijn kudde met me deelt?" Gedreven door gulzigheid koos Ole Partukai de mooiste stier uit de kudde, sleepte hem weg, slachtte het beest en maakte er een feestmaal van. Of liever gezegd, het voorgerecht van een feestmaal, want onze reus had natuurlijk lang niet genoeg. Hij ging weer naar de kudde en stal nog een stier, en daarna nog één.

Lankas voelde zich verraden door zijn vriend. Hij was razend: "Ik vervloek hem bij het bloed van de stier die ik hem schonk om onze vriendschap te bezegelen! Kurro milau eninang! Wie problemen zoekt kan ze krijgen!" Hij zwoer zich te wreken.

Dus zocht hij een kennis op die behoorde tot een volk dat niet in koeien geïnteresseerd was, maar door jagen aan de kost kwam. Hij legde die man het probleem uit, en vroeg om giftige pijlen. De jager was maar wat blij dat hij Lankas in zijn wraakzucht kon helpen, want ook voor hem dreigde het leven onleefbaar te worden sinds Ole Partukai in de wildernis was gaan wonen. Jagen was veel moeilijker geworden nu die veelvraat alles wat bewoog opat. Hij gaf Lankas een potje met het sterkste gif dat er bestond.

Lankas keerde terug naar het bos van Ole Partukai en besloop zijn gezworen vijand terwijl die zich te goed deed aan een welgebouwd nijlpaard dat hij even daarvoor had neergelegd. Vanuit een schuilplaats schoot Lankas zijn pijlen af: de eerste zoefde rakelings langs de kruin van de reus. De tweede schampte af op zijn schouder. Maar de derde pijl drong diep in de arm van de wildeman. Lankas rende weg, zo hard als hij kon.

Ole Partukai slaakte een rauwe kreet en rukte de pijl uit zijn arm. Onmiddelliik begreep hij de ernst van de situatie, want aan de zwarte punt kon hij zien dat het om een gifpijl ging. Hij riep tot zijn dienaar: "Vlug, maak een mengsel van een kalverblaas, wat vet en de kruiden die ik altijd bij me heb!" Toen hij het tegengif op de wond goot merkte hij dat de pijn verminderde en zijn krachten terugkeerden.

De volgende ochtend kwam Lankas terug om naar het stoffelijk overschot van Ole Partukai te kijken. Groot was zijn verbazing toen hij zijn tegenstander gezond en wel als ontbijt een wild beest of twee, drie zag veroberen. De reus was zelfs goedgehumeurd, als je het vrolijke geknor waarmee hij zich aan zijn bezigheden wijdde mocht geloven.

Gelukkig had Lankas nog een klein beetje gif. Hij doopte er zijn laatste pijl in en sloop naar zijn slachtoffer. Hij waagde veel meer dan hij een dag eerder had aangedurfd. Toen hij vlak bij Ole Partukai was, joeg hij hem de gifpijl in de enkel. De pijl bleef steken in het bot. Opnieuw rukte Ole Partukai de pijl uit zijn lichaam, maar nu brak de punt af. Onder helse pijnen besefte de arme reus dat zijn einde nabij was. Hij nam zijn speer, zijn schild, zijn hoofdtooi en zijn leeuwenhuid, en zag er weer uit als de veelbelovende stoere krijger die hij ooit geweest was. De stervende krijger hield zich vast aan een oreteti-boom en staarde naar de zon. Toen Lankas later die dag naar het kamp liep, vond hij de doodse stilte griezelig. Van Ole Partukai of zijn dienaar vond hij geen spoor.

Niemand heeft de wildeman ooit teruggezien. Maar tot op de dag van vandaag vertellen de Masai-oma's 's avonds bij het vuur verhalen over de tijd, heel lang geleden, toen hij de streek terroriseerde. En nog steeds noemt men de hoopjes beenderen die overblijven na een vleeskamp 'Ole Partukai'.


*   *   *

Van de krijger die wild werd Samenvatting
Ole Partukai. Een Masai-krijger met een enorme eetlust wordt verstoten uit de gemeenschap. Hij gaat in de wildernis wonen waar hij zijn vraatzucht kan bevredigen. Totdat de droogte toeslaat en de dieren schaarser worden. Gelukkig ontmoet hij dan een oude vriend die nog een kudde koeien heeft. Lees het verhaal

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Masai sprookjes" verzameld door Kris Berwouts, Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1999.

Herkomst: Kenia
Verteltijd: ca. 14 min.
Leeftijd: vanaf 7 jaar

Lees ook