Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 6 min.
Herkomst:

Van de poes, die meende dat de wereld wilde vergaan Een Fries dierensprookje over een bang poesje

Er was eens een poes die tevreden zat te spinnen onder de stoel van haar oude meesteres, toen deze opeens een zeker geluid liet horen, waardoor poes zo hevig schrok, dat zij de vlucht nam, denkende: nu wil de wereld vergaan. Zij ijlde naar de schuur en vervaardigde er in alle haast een wagentje van stro. Toen ving zij twee ratten, spande ze voor de wagen en reed zo snel mogelijk heen.

Op het erf kwamen zij een mestvork voorbij.

"Poesje, poesje, waarom jaag je zo?" vroeg drietand.

"De wereld wil vergaan," antwoordde poes.

"Hoe weet je dat?"

"Ik zat onder de stoel van mijn vrouw, daar hoorde ik het eerste gekraak."

"Mag ik mee?" vroeg drietand.

"Best! Spring maar op mijn wagen, maar leg het voorzichtig aan, want mijn wagentje is maar zwak - zorg er voor dat je niets breekt."

"Goed!" zei drietand en sprong op het wagentje. Op de landweg kwamen zij een stopnaald tegen.

"Poesje, poesje, waarom jaag je zo?" vroeg de naald.

"De wereld wil vergaan," antwoordde poes.

"Hoe weet je dat?"

"Ik zat onder de stoel van mijn vrouw, daar hoorde ik het eerste gekraak."

"Mag ik mee?" vroeg de stopnaald.

"Best! Kom maar in mijn wagen en zorg er voor dat je me niet steekt."

"In orde!" zei de stopnaald en sprong op het wagentje.

Even later ontmoetten zij een ei, dat dezelfde vraag stelde en, na eenzelfde antwoord te hebben ontvangen, ook als passagier werd opgenomen. Een poos hadden zij gezamenlijk gereden, toen zij een haan ontmoetten. Ook Bokke (zo noemt men in Friesland de haan) stelde de vraag waarom poes zo joeg. Toen hij de reden er van had vernomen, verzocht hij mee te mogen rijden, hetgeen gaarne werd toegestaan. De haan spreidde zijn vleugels uit en zat in een wip op de wagen.

Zij reden al verder en verder, tot het eindelijk donker werd. In de verte zagen zij een licht branden en dat werd nu hun doel. Zij kwamen na een poos bij een huis, dat naar het scheen onbewoond was. De reizigers waren vermoeid en ieder zocht zich een goede rustplaats uit. Poes nestelde zich in de turfbak, drietand legde zich ter ruste op een paar latten, de stopnaald richtte zich een nachtverblijf in tussen de biezen van een stoelmat, het ei zocht een legerstede in de gloeiende as op de haard, de ratten kropen in het zwavelstokkenbakje en de haan ging op de hanenbalken alleen op stok.

Het huis werd bewoond door rovers, die 's avonds waren uitgereden om te trachten in het nachtelijk donker hun slag te slaan. Lang na middernacht keerden zij naar huis terug. Een hunner reed voorop om thuis alles gereed te maken en het haardvuur aan te leggen, 't Huis was donker, want poes had het licht uitgeblazen. Hij deed een greep in de turfbak, doch daar gaf poes hem een krauw. Snel trok hij zijn hand terug, die onder het bloed zat. Ontsteld riep hij uit: "Wat mag dit zijn? Ik moet de tuitlamp aansteken!"

Nu tastte hij in het zwavelstokkenbakje, maar kreeg een gevoelige prik van de stopnaald.

Briesend van woede en pijn liep hij met het zwavelstokje naar de haard, maar toen hij het stokje aan de gloeiende as wilde doen ontvonken, spatte het ei uiteen, met het gevolg dat de rover as en vonken in de ogen kreeg, waardoor hij half verblind werd en nog meer pijn leed.

Denkende dat het huis betoverd was, wilde hij ontvluchten. In zijn haast stiet hij tegen het deurkozijn, waardoor de mestvork neerviel en hem aan de hielen verwondde. Toen hij zijn kameraden hoorde naderen, liep hij hen tegemoet, roepende: "Treed niet binnen! Ons huis is betoverd!" De rovers bromden in hun baard en zeiden tot elkaar: "Dat is een lelijke strop, want wij hebben zo'n heerlijke voorraad eetwaren meegebracht."

Daarop riep de haan die op de hanenbalken zat luidkeels: "Kukeleku! Gooi mij er een stukje van toe...!"

Dit onverwachte geluid deed de rovers zo schrikken, dat zij in allerijl de vlucht namen, met achterlating van hun buit. Zij keerden er nooit terug.


*   *   *

Van de poes, die meende dat de wereld wilde vergaan Samenvatting
Een Fries dierensprookje over een bang poesje. Een poes schrikt van het gekraak van de stoel van haar bazinnetje. Snel maakt ze een wagentje van stro en slaat op de vlucht. Onderweg sluiten een mestvork, stopnaald, een ei en een haan zich aan. Gezamenlijk maken ze rovers in een rovershol aan het schrikken. Lees het verhaal

Toelichting
Vergelijk dit verhaal met o.a. De Bremer stadsmuzikanten.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Friese volkssprookjes" verzameld en naverteld door J.P. Wiersma. Uitgeverij M.A. van Seijen, Leeuwarden, 1973.

Herkomst: Friesland
Verteltijd: ca. 6 min.
Leeftijd: vanaf 6 jaar

Lees ook