Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 18 min.
Herkomst:




Van een koning en zijn dochter Een sprookje uit Indonesië over een verdronken prinses

En zo verhaalt de geschiedenis! Er was eens een koning en hij had een vrouw, die Watwarin heette. Eens ging de koning op reis. Hij gaf zijn hele volk het bevel, dat zij zijn vrouw in zijn afwezigheid goed moesten verzorgen. Voor het geval er in die tijd een kind geboren mocht worden, gaf hij de volgende aanwijzingen: wanneer het een meisje was, dan moest het gedood worden, zelfs als het zo mooi was dat het een zon op de rug en een maan op de borst had; maar was het een jongen, dan moest hij worden opgevoed, zelfs als hij mismaakt was.

Na lange tijd. toen de westmoesson al naderde, werd er een zeer mooi meisje geboren. De moeder was zeer bedroefd, dat het kind moest worden gedood. Vol medelijden met haar arme wicht vluchtte zij naar de vrouwen, die zaten te vlechten bij de poort Gods.

Zij vermaande alle mensen in het dorp, en zij zei hetzelfde tegen de katten, de honden en de kippen: "Zorg ervoor, dat je niet aan de koning vertelt, dat ik ben heengegaan naar de vrouwen, die bij de poort Gods zitten te vlechten! Ik ga daar mijn dochtertje verstoppen."

Zo had ze alle mensen, katten, honden en kippen gewaarschuwd, maar zij had de zandvlooien vergeten. En zo verhaalt de geschiedenis! Ze had de zandvlooien vergeten en toen de koning terugkeerde en zijn schip nog op de rede lag, kwamen alle zandvlooien naar hem toe om te vertellen: "Heer koning, u is een dochter geboren, maar ze is niet volgens uw bevel gedood, maar wordt daarginds verborgen gehouden."

Dadelijk beval de koning zijn mannen: "Ga naar mijn vrouw en zeg haar, dat zij het kind hier bij mij brengt. Ik zal het daarginds in de diepe zee verdrinken. Als zij weigert, keer ik weer terug en kom ik nooit weerom."

Watwarin kwam onder dit bevel naar de koning en nam een kat met een schotel eten en twee slaven mee, Skiwi en Skawil. Onderweg vermaande zij hen: "Wat er ook gebeuren mag, blijf op mijn dochter Boetri passen en verlaat haar nooit."

Van een afstandje riep de vrouw de koning toe: "Kom hier om uw kind te zien. Ik zal het volgens bevel wegwerpen, maar kom het eerst zien."

De koning kwam kijken en toen hij zag, hoe mooi het meisje was, werd hij door liefde en medelijden bewogen en hij wilde het kind niet meer doden. Zijn vrouw was woedend en vroeg: "Waarom hebt u het mij dan eerst zo moeilijk gemaakt? Waarom hebt u het bevel gegeven, het kind te doden, wanneer het een meisje zou zijn en het op te voeden, als het een jongen was? Maar nu zal uw bevel worden uitgevoerd; ik zal weggaan en het kind doden!"

De koning probeerde haar van dat voornemen af te houden, maar toen dat niet lukte, hield hij de beide slaven tegen; Skiwi en Skawil waren toen niet meer in staat voor Boetri te waken.

En zo verhaalt de geschiedenis! Watwarin maakte een kist en stopte daarin haar kind met de kat en de schotel met het eten. Zij was van plan hen te laten zinken in de diepe zee.

Terwijl ze dat deed, sprak zij de bezwering uit: "Boetri, als uw beide ouders nakomelingen zijn van slaven, dienstbaren en laag volk, moge dan wat ik hier in zee werp, wegdrijven als puimsteen of een stuk hout; maar als wij beiden nakomelingen zijn van grote koningen, van een voornaam geslacht en hoge adel, dat dan hetgeen ik in zee werp in de diepte verzinke als een zwarte steen."

Daarop viel de kist in het water en zonk dadelijk weg in de diepte. Op deze manier werd ook bevestigd, dat haar vader, de koning, van een edel geslacht was.

En zo verhaalt de geschiedenis! De koning was zeer bedroefd, dat zijn vrouw zo'n mooi meisje gedood had en hij voer wederom weg. Hij voer wederom weg en toen hij in de diepe zee boven de plek gekomen was, waar Boetri lag, was er plotseling geen wind meer; het was bladstil en van verder zeilen was geen sprake: de boot bleef op dezelfde plaats ronddobberen.

Alle opvarenden werden er slaperig van en het duurde niet lang of iedereen was in slaap gevallen, behalve de slaven Skiwi en Skawil, die voor en achter op de boot zaten en wakker gebleven waren.

De boot lag onbeweeglijk in het stille water, dat tot heel diep helder en doorschijnend was. En opeens zagen zij Boetri uit de diepte naar boven komen.

Beiden riepen: "Kijk! Kijk! Wie zou dat zijn? Wel dat is onze meesteres!"

En deze antwoordde: "Ja, ik ben het, wie zou het anders kunnen zijn? Ik ben gekomen omdat ik wist dat jullie hier waren."

Ze had voor de knapen een toegedekte schotel vol eten meegebracht. Toen ze gegeten hadden, keerde zij terug en bracht nog een schotel met eten, die de knapen moesten meenemen, om er in den vreemden een gouden ketting voor te kopen.

Toen de jongens gegeten hadden, wilde ze terugkeren naar haar verblijf, maar de knapen vroegen haar: "Meesteres, gaat u nu al weer weg? Vertel ons wat wij moeten doen om wind te krijgen."

En zij antwoordde: "Laat de een voor op de boot gaan staan en de ander achterop en roep dan de Noordenwind en de Zuidenwind aan."

De jongens deden dat, maar toen Boetri wegging, vermaande zij ze nog: "Als jullie deze schotel met eten willen verkopen, verkoop hem dan niet midden in een vreemd land, maar aan de grens. Biedt hem op de grens van het vreemde land een man te koop aan, die in een deuropening zit en dan denk ik wel, dat hij jullie er een gouden ketting voor geven zal."

Toen dook Boetri onder en keerde terug naar haar onderzees verblijf. De beide jongens riepen de Noorden- en de Zuidenwind aan en meteen stak een gunstige wind op, zodat zij konden wegzeilen.

Toen ze waren aangekomen, gebeurde het, zoals Boetri voorspeld had. Ze boden hun schotel te koop aan door heel het vreemde land, maar zij vonden niemand, die er een gouden ketting voor wilde geven. Maar aan de grens gekomen lukte het. Zij zagen twee mannen, die in hun deuropening zaten en deze kochten de schotel voor een gouden ketting. Daarna zeilden ze weg naar hun land, maar weer werden ze midden op zee opgehouden door een windstilte.

Ze kwamen boven op de plek, waar Boetri verbleef en heel de bemanning van de boot was weer ingeslapen; alleen de beide jongens, die voor en achter op de boot stonden, waren wakker.

Terwijl ze daar lagen, kwam hun meesteres weer boven, met eten voor hen beiden. De twee knapen riepen weer: "Kijk! Kijk! Wie zou dat zijn? Wel, dat is onze meesteres!"

En Boetri antwoordde: "Ja, ik ben het, wie zou het anders kunnen zijn? Wie anders weet dat jullie hier zijn?"

Ze gaf hun eten en ze aten het allemaal op. Daarna zeiden ze: "Meesteres, in het hele land konden we uw schotel niet verkopen, maar aan de grens zaten twee mannen in de deuropening en die hebben hem gekocht."

Toen gaven ze haar het goud en Boetri dook weer onder. De knapen riepen nog; "Meesteres, u gaat heen, maar wat moeten wij doen om wind te krijgen om naar Kei terug te varen?"

De meesteres antwoordde: "Ga voor en achter in de boot staan en roep de winden van Noord en Zuid!"

Toen ze weer weggedoken was, riepen de knapen de winden van Noord en Zuid en er stak een flinke bries op, zodat ze verder konden zeilen. De hele bemanning werd wakker en ze zetten hun reis voort... Maar Boetri bleef alleen achter ver in de diepte der zee.

En zo verhaalt de geschiedenis! De man, die voor goud de schotel van de beide jongens had gekocht, kwam op de scheiding van eb en vloed te staan en bezwoer: "Indien Boetri kind en nakomelinge is van slaven en dienstbaren, laag volk en tovenaars, dat dan het zeewater diep blijve zoals nu; maar als Boetri kind en nakomelinge is van grote koningen, hoge adel en rijk volk, dat dan de eb voor mij uitga en de vloed mij volge!"

Zo bezwoer hij en de eb strekte zich uit rechtdoor van het vreemde land tot aan de Kei-eilanden.

Hij ging over het drooggevallen strand en kwam eindelijk op het erf van Boetri. Een muur omgaf aan vier kanten het verblijf van Boetri. Op het erf riep hij: "Hela!" Hij zag een kat liggen en zei: "Poes, geef mij wat water om te drinken!"

De kat liep het huis binnen en zei: "Meesteres, daar is iemand, die water te drinken vraagt."

Haar meesteres zei: "Wel poes, hoe is het mogelijk, wij wonen immers helemaal alleen. Hoe kan hier iemand water komen vragen? Doe wat water in een kokosschelp."

De kat goot water in een kokosschelp. De man zei toen: "Poes, wat heb je tegen mij, dat je mij buiten laat staan en dat ik hier op het erf water uit een kokosschelp moet drinken?"

De kat bracht het terug en zei: "Meesteres, hij vraagt, of wij wat tegen hem hebben, dat wij hem buiten laten staan en dat hij daar uit een schelp water moet drinken."

De meesteres sprak: "Doe dan het water in een kommetje!"

Ze bracht dit nu naar buiten en de man, die eerst midden op het erf gestaan had, kwam nu bij de trap staan. Toen hij daar stond en de kat hem het water in het kommetje aanreikte, wilde hij weer niet drinken en zei op een verwijtende toon: "Maar poes, wat heb je tegen mij, dat je me buiten op het erf wilt laten drinken?"

Dat kat nam het kommetje weer naar binnen en zei: "Meesteres, de man vraagt wat wij tegen hem hebben, dat we hem uit dit kommetje willen laten drinken."

Haar meesteres antwoordde: "Giet het dan in een mooi bewerkte klapperdop!"

De man kwam de trap op en wilde weer niet drinken. Hij zei: "Poes. wat heb je tegen mij, dat je mij hier uit een klapperdop wilt laten drinken?" Weer goot de kat het water weg en vertelde aan de meesteres wat de man gesproken had. Deze antwoordde: "Schenk het dan in een glas!"

De kat bracht het glas en meteen trad de man het huis binnen en dronk het water op. En zo verhaalt de geschiedenis! Toen gebood Boetri de kat een blad gewone sirih te gaan plukken en een wilde betelnoot en ook een blad fijne sirih en een veredelde betelnoot.

Onder in de sirihdoos legde Boetri de veredelde betelnoot en het fijne sirihblad en daar bovenop het gewone sirihblad met de wilde betelnoot. Daarop sprak zij de bezwering: "Als deze de zoon en nakomeling is van slaven en dienstbaren, dat hij dan deze gewone sirih met de wilde betelnoot pruime; maar als hij de zoon en nakomeling is van grote koningen, hoge adel en voornaam geslacht, dat hij dan de veredelde betel met het fijne sirihblad neme!"

En toen hij een pruim nam, legde hij de wilde betel opzij en nam de veredelde. Toen was Boetri in haar mening bevestigd, dat hij een edel en voornaam mens was.

Hij vroeg: "Kent u mij niet?"

Boetri antwoordde: "Nee, ik ken u niet!"

Hij hernam: "Als u mij niet kent, weet dan dat het kostbare goud, dat de twee jongens voor een schotel kostbaar voedsel gekocht hebben, door mij gegeven is. En daarom kom ik u tot vrouw vragen."

Daarop veranderde hij het hele verblijf, met al het huisraad van Boetri, de kat en de vier muren en al in een ei. Toen bezwoer hij: "Als deze Boetri dochter en nakomelinge is van slaven en dienstbaren, dat dan de zee voor onze tocht gevuld blijve; maar als zij de dochter en nakomelinge is van grote koningen en hoge adel, dat dan de eb voor ons uitga en de vloed ons volge aan ons land."

En de eb strekte zich uit tot het verre vreemde land. Hij ging erover met Boetri. Toen de man in zijn dorp aangekomen was, gooide hij het ei stuk en de kat, het huisraad en alles kwam weer te voorschijn en ze huwden samen. En zo verhaalt de geschiedenis! En dit is het einde.


*   *   *

Van een koning en zijn dochter Samenvatting
Een sprookje uit Indonesië over een verdronken prinses. Een koning gelast dat - als hem een dochter geboren wordt - zij gedood moet worden. Voordat het meisje in de zee verdronken wordt, geeft haar moeder haar een kat, een schotel met eten en twee slaven mee. Met behulp waarvan ze uiteindelijk door een prins van een ander land bevrijd kan worden. Lees het verhaal

Toelichting
Sirih (pruimen) is in Indonesië algemeen gebruikelijk bij begroetingen, feesten en plechtigheden. Een sirihblad wordt bestreken met een laagje gebluste kalk en omwikkeld met een stukje gambir (bladeraftreksel) om een betel- of pinangnoot. Hierop wordt gekauwd en het verkregen speeksel wordt in een schotel uitgespuwd.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Nieuwe Indonesische Sprookjes" samengesteld door Bert Oosterhout. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01461

Herkomst: Indonesië
Verteltijd: ca. 18 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook