Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 14 min.
Herkomst:

Van een ridder in armoe Een Maria-legende over een ridder die de ziel van zijn vrouw verkoopt

Er was eens een ridder, die zeer rijk en machtig was, maar die door een weelderig en onbezonnen leven al zijn bezit verloor en diep in de schulden geraakte. Toch kwam hij niet tot berouw en tot een beter leven.

Zo naderde in zijn armoede de dag, waarop ieder jaar een groot feest gevierd werd. Dan kwamen alle ridders uit de omgeving met hun vrouwen en schildknapen tezamen en voerden een hoge staat, spreidden veel pracht tentoon en waren mild in het uitdelen van rijke geschenken. De arme ridder zou daar deze keer niet aan mee kunnen doen, zijn rijke gewaden en kostbare uitrustingen had hij moeten verkopen, zelfs was er geen paard, dat hij meer het zijne kon noemen en hij bezat niets, dat hij als geschenk uit zou hebben kunnen reiken. Hij schaamde zich diep, want nu zou ieder van zijn armoede weten. Hij ging dus niet naar het feest, maar trok de eenzaamheid in, vol wrok op zichzelf, dat hij zijn rijkdommen niet beter bewaard had.

Terwijl hij daar zo liep, kwam de duivel hem tegemoet gereden. "Waarom ben je zo droevig?" vroeg de duivel hem. "En moet je niet naar het feest?" De ridder vertelde, hoe het er met hem bijstond. "Tja," zei de duivel met een vals lachje, "daar zit je lelijk in de klem. Maar ik zou er misschien wel wat aan kunnen doen." Nieuwe hoop deed de ogen van de ridder fonkelen. "Wat aan kunnen doen?" vroeg hij dringend. "Wat dan? Wat?"

"Tjuttut," lachte de duivel, "niet zo haastig! Ik zou je misschien wel weer net zo rijk kunnen maken, als je bent geweest, en je misschien ook wel weer net zoveel plezier kunnen bezorgen, als je vroeger gehad hebt. Maar je weet best, ridder, met wie je te doen hebt, en ik zeg: voor wat hoort wat!"

"Voor wat hoort wat," mompelde de ridder en hij keek de man op het paard tersluiks nog eens goed aan. De man met de bokspoot was het! Daar had hij liever niet mee te doen. Met de duivel is het kwaad kersen eten, dacht hij. Doch de begeerte naar het herstel van zijn vroegere welstand was hem te machtig.

"Wat wilt u dan van mij?" vroeg hij. "Alleen maar je ziel!" lachte de duivel weer. "Nu, dat is niet zo erg, want die ben je toch al haast kwijt!" Er ging een schok van schrik door de ridder. "Mijn ziel geef ik toch niet graag," zei hij. De duivel keek hem strak aan. "Dus je blijft liever in deze armoedige staat?" vroeg hij. "Nu, dan moet je het zelf weten. Dan ga ik maar weer."

Hij deed net, of hij weg wou rijden, maar plotseling hield hij zijn paard weer in. "Ik weet er misschien wat anders op," zei hij. "Beloof me de ziel van je vrouw en je krijgt alles van me, wat ik je heb gezegd. En ik behoef haar nog niet eens dadelijk te hebben. Vijftien jaar mag je er nog mee wachten. Dan kunnen jullie nog vijftien jaar samen van je rijkdommen genieten."

De ridder had er niet veel zin in. Maar zijn begeerte drong en drong. "Vooruit dan maar," zei hij ten slotte. "Wat je gelijk hebt!" lachte de duivel. Toen schreven ze de afspraak op en de ridder ondertekende die met zijn bloed. "Zo," zei de duivel, "ga nu maar naar huis, dan zul je daar vinden een grote schat aan goud en zilver en kostbare stenen. Daar heb je je gehele leven wel genoeg aan. Maar denk erom, dat je me nu over vijftien jaar je vrouw brengt. Hier, op deze zelfde plaats!"

De ridder beloofde het en richtte zijn schreden naar huis toe. Hij vond daar alles, zoals de duivel het had gezegd: goud, zilver en edelstenen. Hij was weer een rijk man. Hij loste al zijn schulden af en bezat weldra weer al zijn land en zijn goed. Hij huurde nieuwe knechten, nieuwe dienstmaagden betraden het kasteel en met zijn schildknapen reed hij weer ter jacht uit. Het oude leven begon opnieuw.

Zo gingen de vijftien jaren spoedig voorbij, en de dag kwam, waarop hij zijn vrouw aan de duivel uitleveren moest. De avond tevoren zei hij tegen haar: "Vrouw, we moeten morgen samen op reis. Het zal een lange tocht te paard worden. Maak er maar alles voor gereed. We vertrekken vroeg."

Nu had de vrouw van de ridder steeds zeer eerbaar geleefd. Ze schepte geen vermaak in zijn vermaken. Ze leefde deugdzaam en vroom, diende God en de Maagd Maria trouw. Ze schrok, toen de ridder met haar over die reis sprak. Hij nam haar anders nooit op zijn tochten mee! Waarom dan nu ineens wel? Een angstig voorgevoel beklemde haar de borst. Ze bad die avond lang en vurig tot Maria, dat deze haar beschermen zou op die vreemde tocht. Eerst tegen middernacht zocht ze haar bed op.

Ze vertrokken de volgende morgen bij het krieken van de dag. Ze reden lang en ver. De ridder was zeer zwijgzaam. Er lag een vreemd licht in het woud. De bladeren ritselden onheilspellend. De vrouw had het gevoel, dat er iets verkeerds met haar gebeuren ging. Midden in het woud stond een bidkapelletje op hun weg. Het was van een zuivere blankheid onder de sombere bomen.

De vrouw hield haar paard in. "Laat mij hier even afstijgen en bidden," verzocht ze de ridder.

Deze knikte en hield ook zijn paard in. Hij zag haar onwillig na. In de kapel viel de edelvrouw voor het beeld van Maria op de knieën en beval zich in haar bescherming aan. "Ave Maria..." Evenals de vorige avond was haar gebed lang en vurig. Eindelijk begaven haar krachten haar. De nacht was zo kort geweest. Ze viel in slaap en in deze slaap murmelden nog haar lippen: "Ave Maria..."

Haar lippen murmelden, doch haar ogen zagen niet. Ze zagen het wonder niet: de lieve Moeder Gods daalde van haar standplaats. Haar lichaam en haar gewaad hadden de vorm en de kleur van de edelvrouw aangenomen. Zo doorschreed ze de kleine ruimte en opende de deur...

Buiten wachtte de ridder. Zijn blik was donker en hij mopperde in zichzelf. Te lang bleef zijn vrouw daarbinnen. Ze moesten op tijd zijn, want hij hield de duivel liever te vriend. Hij wenste maar, dat alles reeds voorbij was.

Eindelijk opende zich de deur van de kapel en hij zag, hoe zijn vrouw naar buiten kwam. Meteen besteeg hij zijn paard.

"Nu maar vlug verder!" riep hij. Hij hoorde de hoefslag der beide paarden en knikte tevreden. Maar hij wist niet met wie hij reed, en hij wist niet, dat zijn vrouw nog in de kapel lag te slapen.

Zo kwamen ze op de afgesproken plaats.

"Hier stijgen we af," zei de ridder. Even stonden ze wachtend. Er naderde een groot gerucht door de bomen, net alsof er een hevige storm door de kruinen voer. Toen daalde de duivel met gegier en gekrijs bij hen neder. Vuur spatte zijn ogen uit.

"Valse ridder!" kreet hij. "Waarom heb je mij bedrogen?"

"Bedrogen? Heb ik je bedrogen? Ik breng hier toch mijn vrouw!"

De duivel bleef op een afstand. Hij wrong zich in allerlei bochten. Zijn gezicht was vreselijk om aan te zien. "Jij, jij!" schreeuwde hij. "Jij jouw vrouw brengen? Het mocht wat! Denk je mij beet te nemen? Denk je, dat ik niet weet, wie je daar bij je hebt? Denk je, dat ik niet weet, dat je me de vrouw brengt, die mij altijd overwint, de vrouw tegen wie ik niet op kan? Valsaard! Beloftebreker! Denk je, dat ik de vrouw niet ken, die mij vervloeken en verdoemen kan? A-ah!"

Toen de ridder de woorden van de duivel begreep, viel hij in onmacht van angst en vrees. Doch Maria sprak tegen de duivel: "Gij, onreine, kwade geest, ja, ik vervloek u! Waarom vervolgt ge mijn dienares, waarom vervolgt gij de vrouw, die mij altijd trouw was? Ik veroordeel u! Ga heen naar de plaats, waar ge thuis behoort, opdat ge nooit meer iemand kwaad kunt berokkenen, die mij zo vroom en trouw dient."

Met groot gerucht voer toen de duivel weg. Het woud sidderde, de hemel werd duister. Doch in die duisternis straalde een heilig licht rondom Maria. De ridder ontwaakte en viel haar te voeten, smeekte haar om genade en bijstand.

Maria zag ernstig op hem neer en berispte hem om zijn ijdelheid en ongebonden leven. "Vriend," zei ze, "keer terug op de goede weg. Het is nu lang genoeg, dat ge gedwaald hebt. Ontdoe u van al de rijkdom en van al het goed, dat ge door de macht van de duivel hebt verkregen. Beter uw leven!" Haar stem klonk als bovenaardse muziek, haar glimlach was van de hemel.

Moeizaam verhief de ridder zich. Toen hij rondom zich zag, was Maria verdwenen. Als in een droom besteeg hij zijn paard en reed de weg, die hij gekomen was, terug. In de kapel vond hij zijn vrouw nog steeds slapend. Zij lachte hem toe, toen hij haar wekte.

"Ik heb zo'n mooie droom gehad," zei ze. "Nu rijd ik met je, waarheen je maar wilt."

Ze keek blij en helder uit de ogen. "Vrouw," zei hij, "we gaan nu naar huis."

En hij vertelde haar alles, wat er gebeurd was. Hij verborg niets van zijn eigen grote schuld. Samen loofden en dankten zij God en Maria. Daarna reden ze naar huis.

En ze handelden, zoals Maria gezegd had. Al het geld en het goed, dat door hulp van de duivel verkregen was, schonken ze weg. En ze dienden voortaan God en Maria met een vroom gemoed, levend in zuiverheid en eenvoud.


*   *   *

Van een ridder in armoe Samenvatting
Een Maria-legende over een ridder die de ziel van zijn vrouw verkoopt. Een tot de armoede vervallen ridder, komt de duivel tegen met wie hij een deal sluit. In ruil voor de ziel van zijn vrouw, beschikt hij over veel geld. Als de ridder zijn vrouw naar de duivel brengt, wil zij onderweg bidden bij een Mariabeeld. Dan gebeurt een wonder: het beeld komt van haar standplaats en neemt de plaats van de riddervrouw in. Maar de duivel kan geen macht hebben over de heilige Maria... Lees het verhaal

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Nederlandse sagen en volksverhalen" door Cor Bruijn. Fibula, Houten, 1989. Oorspr. titel: Nederlandse sagen. Ploegsma, Amsterdam, 1946. ISBN: 90-269-4419-5

Herkomst: Nederland
Verteltijd: ca. 14 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook