Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 40 min.
Herkomst:

Vier vrienden

Er leefde eens een koning die één zoon had. De jonge prins had drie vrienden, de zoon van de eerste minister, de zoon van de commissaris van de politie en de zoon van de rijkste koopman in de stad. De vier jongens waren zeer verknocht aan elkaar. Ze hadden een diepgeworteld voornemen om ooit samen naar verre landen te reizen. Na een paar jaar wachten waren ze oud genoeg om hun plan daadwerkelijk uit te voeren.

Op een dag trokken ze alle vier te paard de wijde wereld in. Ze reden almaar door tot ze rond het middaguur de rand van een dicht woud bereikten. Ze besloten daar te stoppen en hun paarden de gelegenheid te geven om te grazen. Nadat ze uitgerust waren en gegeten hadden, bestegen ze hun paarden en gingen weer verder. Ze reden diep het woud in en tegen zonsondergang arriveerden ze bij een tempel. Hier stegen ze af met het voornemen om er de nacht door te brengen. In de tempel zat een kluizenaar. Hij was schijnbaar verzonken in meditatie, aangezien hij geen blijk gaf dat hij de vier vrienden had opgemerkt. Terwijl de duisternis langzaam het woud opslokte, bleef er vanuit de tempel een zwak licht schijnen.

Ze troffen voorbereidingen om gedurende de nacht op de veranda aan de voorzijde van de tempel te bivakkeren. Omdat het woud's nachts onveilig gemaakt werd door roofdieren, besloten ze om beurten een nachtwake van drie uur te houden. Het lot viel op de zoon van de koopman om als eerste, van zes tot negen, de wacht te houden.

Tegen het einde van zijn wake was hij getuige van een wonderbaarlijk tafereel. De kluizenaar nam een bot in zijn hand en sprak er een toverspreuk over uit, die de zoon van de koopman duidelijk kon verstaan. De woorden waren nog niet gesproken, of men kon in de omgeving van de tempel een eigenaardig rammelend geluid horen. Uit verschillende richtingen van het woud vlogen botten op de tempel af. De botten stapelden zich op voor de voeten van de kluizenaar.

Juist op dat moment zat de wake van de zoon van de koopman erop. Hij wekte de zoon van de politiecommissaris, maar vertelde hem niets over de merkwaardige gebeurtenis waarvan hij getuige was geweest. Nadat hij was gaan liggen viel hij meteen in slaap.

De zoon van de commissaris begon aan zijn wake. Hij keek naar de kluizenaar en zag hem met gekruiste benen op de grond zitten. Voor hem lagen de botten, waarvan de jongen niet wist hoe ze er gekomen waren. Lange tijd gebeurde er niets. De doodse stilte van de nacht werd enkel verstoord door het janken van de hyena, het huilen van de wolf en het brullen van de tijger. Zijn tijd was bijna om, toen hij iets merkwaardigs zag. De kluizenaar keek naar de stapel botten en sprak er een toverspreuk over uit, die de zoon van de commissaris duidelijk kon verstaan. Op hetzelfde moment kwam er met een ratelend geluid beweging in de stapel. Eén voor één hechtten de botten zich aan elkaar tot ze een geraamte vormden. De zoon van de commissaris was stomverbaasd en hij zou zijn blijven kijken, ware het niet dat zijn wake voorbij was. Dus maakte hij de zoon van de minister wakker en zonder hem iets te vertellen over hetgeen hij gezien had ging hij liggen en viel in slaap.

De zoon van de minister stond op, wreef zich de ogen uit en begon te waken. Het was middernacht, het uur dat geesten, spoken en verschijningen van allerlei ras en kleur tot leven komen en hun nachtelijke ronde op aarde maken. Het uur dat de rest van de schepping, bezield en onbezield, in diepe rust verkeert. Zelfs het janken van de hyena, het huilen van de wolf en het brullen van de tijger waren verstomd. De zoon van de minister keek naar de tempel en zag de kluizenaar diep in meditatie, met naast zich iets, dat leek op een skelet van het een of andere dier. Zijn blik gleed in de richting van het woud, maar de pikzwarte nacht bood zijn ogen niets waarop zij zich konden vastpinnen. Zijn haren stonden recht overeind van angst. Nadat hij drie uren lang had zitten trillen van angst, werd zijn aandacht getrokken door een ongewoon tafereel in de tempel. Terwijl de kluizenaar zijn ogen op het skelet gericht hield, prevelde hij een toverspreuk, waarvan de woorden goed te verstaan waren. Hij had het laatste woord nog niet uitgesproken, of er verschenen spieren, pezen en zenuwen op de botten en vervolgens werd het geheel door een vel bedekt. De zoon van de minister keek zijn ogen uit, maar zijn wake liep ten einde en daarom wekte hij de prins en legde zich, zonder hem iets te vertellen, te ruste.

De prins hield de wacht en bekeek de kluizenaar. De man was in diepe meditatie en aan zijn voeten zag hij iets dat op een dood hert leek. De prins vond het uiterst merkwaardig, maar besteedde er verder geen aandacht aan. De drie uren die hij moest waken gingen zonder al te veel ongemak voorbij, temeer omdat hij lang had geslapen en goed was uitgerust. Het was een peuleschil vergeleken met de wake in het diepst van de nacht, die zoveel angst teweeg brengt en het gemoed neerdrukt. Hij keek geboeid toe hoe uit de diepzwarte duisternis steeds duidelijker schakeringen van licht en donker ontstonden en de dingen om hem heen langzaam herkenbaar werden. Aan de oostelijke hemel verscheen juist een veegje oranje, toen de prins een geluid uit de tempel hoorde komen. Hij keerde zijn blik naar de kluizenaar. De man staarde naar het dode hert en sprak er een toverspreuk over uit, die de prins duidelijk kon verstaan. Dadelijk begon het hert te ademen, het leefde! Het dier ging op zijn poten staan, rende de tempel uit en verdween in volle vaart tussen de bomen van het dichte woud. Op dat moment kraste de eerste kraai; de wake van de prins was ten einde. Hij wekte zijn vrienden en even later stegen ze in het zadel en vervolgden hun reis. Onderweg dacht elk van hen aan de wonderlijke dingen in de tempel, waarvan zij gedurende de nacht getuige waren geweest.

Zonder er vooralsnog een woord over te spreken reden ze verder en verder, almaar verder door het dichte, schier oneindig grote woud. Rond het middaguur hielden ze halt onder een grote boom, waarlangs het water van een beekje rustig voorbij kabbelde. Nadat ze enkele vruchten van het woud hadden gegeten en zich hadden gelaafd aan het water uit de beek, sprak de prins: "Vrienden, hebben jullie niets vreemds opgemerkt in de tempet? Ik zal jullie vertellen wat ik gezien heb, maar laat mij eerst jullie relaas horen. We beginnen bij de zoon van de koopman, hij had de eerste wake. Daarna brengen wij in volgorde verslag uit."

Een voor een vertelden de vier vrienden elkaar wat ze de afgelopen nacht hadden gezien. Elk van hen kon zich de toverspreuk die hij de kluizenaar had horen uitspreken, herinneren. Nadat de zoon van de koning was uitgesproken, feliciteerden ze elkaar met het feit, dat ze nu over bovennatuurlijke macht beschikten. Ze waren ervan overtuigd, dat hun woorden een soortgelijk effect zouden hebben wanneer ze de toverformules zouden herhalen. Daarom besloten ze hun pas verworven macht meteen te testen. Onder de boom vonden ze een bot. De zoon van de koopman raapte het op en sprak er de toverspreuk over uit die hij gehoord had. Onmiddellijk vlogen uit alle richtingen botten op hem af en stapelden zich in een grote hoop aan zijn voeten op. De zoon van de commissaris van de politie keek ernaar en sprak zijn toverformule uit. Meteen kwam er beweging in de hoop. De verschillende botten begonnen zich aan elkaar vast te hechten tot ze het geraamte van een viervoeter vormden. De zoon van de minister ging bij het geraamte staan en sprak er zijn toverspreuk over uit. In een mum van tijd was het skelet met spieren, pezen en een pels bedekt. Tot hun grote ontsteltenis bleek het een kanjer van een tijger te zijn, de grootste in zijn soort.

De vier kameraden waren in rep en roer. Zou de prins door het uitspreken van zijn toverspreuk hernieuwd leven in deze enorme tijger blazen, dan zouden zij zelf wel eens zijn eerste maaltijd kunnen worden. De drie vrienden van de prins probeerden hem ervan te overtuigen dat zij hun experiment moesten staken. Daar wilde de prins niets van weten. Hij zei." - "Het is gebleken dat de toverspreuken die jullie geleerd hebben juist en effectief zijn. Maar hoe kom ik erachter of de mijne werkt, zonder de proef op de som te nemen. Ons leven hoeft daarbij heus geen gevaar te lopen. Deze boom hier is behoorlijk hoog. Jullie klimmen helemaal naar boven en wanneer ik de toverspreuk heb uitgesproken, kom ik erbij zitten."

De drie vrienden ondernamen een laatste poging om de prins alsnog op andere gedachten te brengen. Maar wat ze ook zeiden, hij hield voet bij stuk, zodat hen niets anders overbleef dan een veilig heenkomen te zoeken in de hoogste toppen van de woudreus. De prins klom achter hen" aan en ging halverwege op een tak zitten. Hij richtte zijn blik op de tijger en herhaalde de woorden die hij de kluizenaar had horen uitspreken. In een oogopslag was het beest overeind en stortte zich met een daverend gebrul op de paarden, die een eindje verderop stonden te grazen. Drie paarden bleven dood liggen; het vierde paard werd door de tijger mee het woud ingesleurd.

Terwijl de vier vrienden stijf van angst in de boom bleven zitten, verdween de tijger steeds dieper in het woud. Toen zij hem na een poosje op grote afstand hoorden brullen, wisten ze dat het gevaar geweken was en klommen naar beneden. Ze hadden nu geen paarden meer en moesten te voet verder. Na een paar dagen bereikten ze de rand van het bos en toen ze eindelijk tussen de bomen uitkwamen, strekte zich voor hen de lange kustlijn van een zee uit.

Ze gingen op het strand zitten, in de hoop dat spoedig een schip voorbij zou varen. Het duurde niet lang, of er verscheen een stip aan de horizon en even later zagen ze dat het een zeilboot was. Om de aandacht van de mensen aan boord te trekken begonnen ze luidkeels te roepen en met dekens te zwaaien. De kapiteir kreeg hen in het oog en gaf zijn bemanning opdracht om tot vlak onder de kust te varen.

Opgelucht klommen de vier vrienden aan boord. De kapjtein heette hen welkom, maar voegde er meteen aan toe dat ze vanwege gebrek aan proviand niet verder konden meevaren dan de eerste stad die op zijn route lag. Op de vijfde dag van hun zeereis zagen ze niet ver van de kust hoge gebouwen en torens. Ervan uitgaande dat het een stad was, namen de vier vrienden afscheid van de kapitein en zijn bemanning en gingen aan wal.

Eenmaal op het vasteland liepen ze via een lange laan, in de schaduw van een rij statige bomen, de stad binnen. De laan kwam uit op een groot marktplein, waar ze honderden kraampjes en winkels zagen. Maar het was er stil, er was geen levend wezen te bekennen. Er stonden snoepwinkels met bergen snoepgoed, uitgestald in nette rijen, maar er was niemand om de waren aan te prijzen. Er was een smidse met het aambeeld, de blaasbalg en allerlei gereedschap, maar er was geen smid. Overal stonden stalletjes gevuld met groente en fruit, maar de koopwaar was verrot of verschrompeld en er was niemand om ze te beheren. De straten waren uitgestorven, je zag mens noch dier. Er stonden karren, maar geen ossen, rijtuigen, maar geen paarden. De ramen en de deuren van de huizen in de straten van de stad stonden wagenwijd open, maar nergens bespeurden zij het gelaat van een mens. Het leek een verlaten stad; een dodenstad, waar de doden al waren weggedragen om verbrand te worden. De vier vrienden waren ontsteld; deze zielloze omgeving joeg hun de stuipen op het lijf.

Terwijl ze verder dwaalden naderden ze een tij imposante gebouwen. Het geheel wekte de indruk van een koninklijk paleis. Ze liepen naar de poort en gingen het wachthuis binnen. Ze zagen schilden, zwaarden, lansen en andere wapens, maar geen poortwachters. Ze liepen de binnenplaats op, maar nergens zagen ze schildwachten of dienaren. Ze liepen door de stallen en zagen troggen, graan en een berg heel, maar geen paarden. Ze betraden het paleis, doolden door eindeloze gangen en liepen door zes zalen, maar overal was het uitgestorven.

Ze gingen de zevende zaal binnen en daar, in die ruimte, zagen ze voor het eerst een teken van leven. Vier prinsessen van ongekende schoonheid traden hen tegemoet. Elk van de vier prinsessen nam de arm van één van de vier vrienden. En elke prinses noemde de man, wiens arm zij genomen had, haar echtgenoot. Ze verklaarden dat ze reeds lange tijd op de vier vrienden hadden gewacht en toonden zich zeer verheugd nu ze eindelijk waren verschenen. Vervolgens drukten ze hun op het hart, dat ze niets moesten vragen omtrent de ontvolking van de stad. Daarna namen ze het viertal mee naar de binnenste vertrekken van het paleis en dienden hun een. waar feestmaal op. Er waren geen bedienden om hen te helpen. De prinsessen liepen af en aan met vele verschillende gerechten en schepten eigenhandig op. Nadat de vrienden zich tegoed hadden gedaan aan het eten, trok elk van de vier prinsessen zich samen met haar nieuwe echtgenoot terug in het eigen slaapvertrek.

De prinses die de zoon van de koning had meegenomen, was haar kamer nog niet binnen of ze barstte in tranen uit. De prins vroeg haar waarom ze plotseling zo verdrietig was, waarop het meisje antwoordde: "O prins, ik heb zo'n medelijden met je. Uit je gedrag kan ik afleiden dat er koninklijk bloed door je aderen stroomt. Om die reden zal ik open kaart spelen en je alles vertellen over mijzelf en mijn metgezellen, die er uitzien als prinsessen. Ik ben de dochter van de koning wiens paleis dit is, maar de andere drie vrouwen, die als prinsessen gekleed gaan en die jouw vrienden hun echtgenoot noemden, zijn in werkelijkheid demonen. Zij kwamen enige tijd geleden naar deze stad. Ze aten mijn vader en moeder op en ook de vele broers en zusters die ik had. Langzaam maar zeker verdween de bevolking van de stad in hun magen. Daarna aten ze mijn vaders paarden en olifanten op en vervolgens het vee en alle andere dieren. Het moet je zijn opgevallen dat in deze stad niets meer leeft. De drie demonen hebben iedereen verslonden. Ik ben de enige wiens leven ze gespaard hebben en dat, naar ik mag aannemen, ook niet voor lang. Toen de demonen jou en je drie vrienden van een afstand zagen aankomen, waren ze reuzeblij. In hun ogen zijn jullie niet veel meer dan een lekker hapje, waar ze zich eerdaags te goed aan zullen doen."

Daarop sprak de prins: "Maar als dat het geval is, welke zekerheid heb ik dan dat jij geen demon bent. Misschien is het alleen maar jouw bedoeling om eerst mijn vertrouwen te winnen en me vervolgens in een onbewaakt ogenblik op te eten."

"Er is een feit," antwoordde de prinses, "waarmee ik kan bewijzen dat die drie wezens demonen zijn en ik niet. Demonen, zoals je zult weten, hebben wel honderd keer zoveel voedsel nodig als mannen of vrouwen. Wat de drie demonen samen met ons aan tafel nuttigen is bij lange na niet voldoende om hun eetlust te bevredigen. Daarom gaan ze 's nachts de deur uit en reizen stad en land af op zoek naar mensen en beesten, aangezien alles in deze buurt al opgegeten is. Wanneer jij je vrienden vraagt om gedurende de nacht op hun vrouwen te letten, dan zullen ze merken, dat zij vroeg of laat uit bed gaan en een groot deel van de nacht wegblijven. Je zult daarentegen zien, dat ik de hele nacht bij je blijf. Maar wees voorzichtig; zorg ervoor dat de demonen niet het minste vermoeden krijgen dat jullie weten wie ze in werkelijkheid zijn. Zou dat wel gebeuren, dan is het met ons gedaan. Eerst zullen ze mij oppeuzelen en jullie volgen daarna."

De volgende dag riep de prins zijn vrienden bij elkaar en bracht hen, onder ede van geheimhouding, op de hoogte van hetgeen de prinses hem had verteld. Hij sprak met hen af dat ze de komende nacht wakker moesten blijven om te zien of de vermeende prinsessen wel of niet naar buiten gingen.

Diezelfde nacht deden de drie vrienden alsof ze diep in slaap waren. Elk van de drie zag op een gegeven ogenblik hoe zijn vrouw, denkende dat haar man in slaap was, uit bed stapte en de kamer uitliep. De hele nacht bleven ze weg en pas in de vroege ochtend keerden ze terug. De drie vermeende prinsessen bleven de rest van de dag in bed en stonden pas in de namiddag op. De volgende twee nachten gebeurde precies hetzelfde. Ook de zoon van de koning bleef 's nachts wakker en deed alsof hij sliep. Maar hij zag niet één keer dat de prinses de kamer uitging, noch dat zij overdag in bed bleef.

De drie vrienden van de prins begonnen nu werkelijk te geloven dat hun vrouwen demonen waren, zoals de prinses beweerde. Zij vertelde hun nu ook dat de demonen, na het vlees van mensen en dieren te hebben gegeten, de botten even buiten de noordelijke poort van de stad op een stapel gooiden. Een paar dagen later gingen de prins en zijn drie kameraden naar die plek en inderdaad: gigantische hoeveelheden menselijk en dierlijk gebeente lagen er in bergen opgestapeld. Hun laatste twijfel omtrent de ware aard van de drie vrouwen was volledig weggenomen.

Ze begonnen zich af te vragen hoe ze ooit aan deze menseneters konden ontsnappen. Eén ding speelde in hun voordeel: de drie demonen sliepen overdag en werden pas tegen zonsondergang wakker, zodat ze zich vrijwel de hele dag ongestoord konden wijden aan het beramen van een vluchtpoging. De prinses opperde het idee om op het strand te wachten op een voorbijvarend schip. Zij had genoeg juwelen, parels en edelstenen om voor hun passage te betalen. Vanaf dat moment gingen de vier vrienden dagelijks naar het strand. De prinses kwam steeds met hen mee en droeg elke keer een bundeltje, waarin ze haar kostbaarheden gewikkeld had.

Op een ochtend liepen ze het strand op, juist toen een schip onder de kust voorbijvoer. Ze wisten de aandacht van de kapitein te trekken, waarop deze zijn bemanning de opdracht gaf om zo dicht mogelijk bij de kust voor anker te gaan. Na enig onderhandelen konden ze alle vijf aan boord. De prinses stelde een rijke beloning in het vooruitzicht, indien de bemanning zijn best wilde doen om zo hard te roeien als ze konden. Ze wist namelijk dat de demonen hun lichaam tot een lengte van acht mijlen konden uitrekken. Als zij in de namiddag wakker werden, dan zouden ze ongetwijfeld achter het schip aankomen. Waren ze op dat moment binnen een afstand van acht mijl, dan konden de demonen het schip vernietigen en iedereen aan boord opeten. Onder aanmoedigingen van de vier vrienden en de prinses begon de bemanning uit alle macht te roeien. Het schip had de wind in de zeilen en schoot als een vis door het water.

Tegen zonsondergang klonk op het vasteland een afgrijselijke kreet. De drie demonen waren wakker geworden en hadden ontdekt dat zowel de vier vrienden als de prinses verdwenen waren. Ze wisten meteen dat zij een boot hadden gevonden en een poging hadden gewaagd om te ontsnappen. Als ee bliksemschicht renden ze over het strand en toen ze in de verte een schip zagen dobberen, begonnen ze meteen hun lichamen uit te rekken. Gelukkig had het schip al meer dan acht mijlen afgelegd. Maar het was een nauwe ontsnapping; ze waren zo dichtbij, dat de gigantische hoofden van de demonen met hun ver opengesperde kaken bijna de achtersteven van het schip raakten.

Met de bedoeling tweedracht te zaaien riep een van de demonen nijdig: "Zo zustertje, dus je wilde ze alle vier zelf opeten." En dit had resultaat, want de zoon van de minister, de zoon van de commissaris en de zoon van de koopman, die al lang het vermoeden koesterden dat in werkelijkheid ook de prinses een demon was, zagen in deze woorden een bevestiging van hun wantrouwen. Maar de woorden hadden op de zoon van de koning geen enkel effect. Zijn vriendschap met haar was dermate intiem, dat hij niet wilde geloven dat zij een demon was.

Nu het gevaar was geweken sprak de kapitein: "Wij varen naar verre streken waar we goudmijnen hopen te vinden. We kunnen onmogelijk passagiers meenemen en ik ben daarom genoodzaakt om jullie bij de eerstvolgende nederzetting aan land te zetten." Tegen het einde van de volgende dag zagen ze ver landinwaarts de torens van een stad. De kapitein manoeuvreerde zijn boot zo dicht mogelijk langs het strand, opdat de vier vrienden en de prinses veilig van boord konden gaan.

De reis ging te voet verder. Ze waren nauwelijks onderweg, of de prinses, die niet gewend was om lang te wandelen, klaagde dat ze moe was en honger had. Ze gingen onder een boom zitten, zodat de prinses kon uitrusten. De stad was niet ver meer en de prins stuurde de zoon van de koopman ernaar toe om boodschappen te doen. Maar de zoon van de koopman bleef in de stad. Uit vrees voor de vrouw van de prins keerde hij niet terug. Hij wist zeker dat zij geen prinses was, maar een demon, net als haar drie metgezellen uit wier klauwen hij net ontsnapt was. Toen de zoon van de koopman maar niet op kwam dagen, stuurde de prins de zoon van de commissaris achter hem aan. Ook hij bleef in de stad, aangezien hij de vrees van de zoon van de koopman deelde. Nu was de zoon van de minister aan de beurt, en in de stad aangekomen, voegde hij zich eveneens bij zijn twee vrienden. Ten slotte ging de prin zelf naar de stad, waar hij zijn drie vrienden, zittend in een eethuisje, aantrof. "Die vrouw is geen prinses, maar een demon," riepen ze om beurten. Ze verklaarden zich alle drie bereid de prins er desnoods met geweld van te weerhouden om naar haar terug te keren. De vier vrienden vertrokken dadelijk naar hun eigen land en lieten de prinses in de steek.

In de tussentijd was de prinses naar de stad gelopen en vond gedurende enkele dagen onderdak in het hutje van een arme vrouw. Daarna vertrok zij naar de stad waar de vier vrienden vandaan kwamen; de zoon van de koning had haar de naam en de ligging ervan verteld. Toen ze daar aankwam, verkocht zij enkele van haar kostbare juwelen en met het geld dat ze ervoor kreeg huurde ze een statig huis, compleet met bedienden en lakeien. In de stad liet zij zich bekendmaken onder de naam "godin van het dobbelspel" en ze daagde alle dobbelaars in de omgeving uit met haar te komen spelen. Haar spelregels waren, dat in geval van verlies zij de winnaar honderdduizend roepies zou betalen. Won zij, dan was de verliezer haar eenzelfde bedrag schuldig. Van de koning ontving zij het privilege, om een ieder die zijn schuld niet betalen kon, in haar eigen huis gevangen te zetten.

Zowel de zoon van de koopman als de zoon van de commissaris en de zoon van de minister, beschouwden zichzelf geboren dobbelaars. Om beurten verschenen ze voor de deur van de prinses om te spelen. Omdat zij gesluierd ging achter een doek van mousseline, konden ze haar niet herkennen. Ze verspeelden vele honderdduizenden roepies en waren op het eind niet in staat om hun schulden te betalen. Een voor een werden ze in de kelder van het huis achter slot en grendel geplaatst. Uiteindelijk nam ook de zoon van de koning haar uitdaging aan. De prinses liet hem met opzet de eerste keer winnen, waardoor hij overmoedig werd en vele malen speelde. Maar na de eerste winstpartij verloor hij elk volgend spel en stond voor bijna een miljoen in het krijt. Juist op het moment dat men hem in de kelder wilde opsluiten vertelde de prinses wie zij was en trok de sluier van haar gelaat. De prins viel om van verbazing, maar was tegelijkertijd ook blij om de vrouw, met wie hij tenslotte enige tijd had samengeleefd, terug te zien. Nadat zijn drie vrienden uit hun cel waren bevrijd, nam de prins haar mee naar het paleis, waar zij door de koning en de koningin met open armen werd ontvangen.

Iedereen in het paleis verkeerde in feestvreugde, behalve de prinses. Zij moest almaar denken aan haar ouders en haar broers en zusters, die allen door de demonen waren opgegeten. Zij kon niet vergeten dat hun botten en die van haar vaders onderdanen in een berg aan de noordzijde van de stad lagen opgestapeld. De prins vertelde haar over de toverspreuken die hij en zijn drie vrienden geleerd hadden. Ze konden makkelijk haar ouders en andere familieleden levend maken. Maar dan moesten ze eerst de demonen verslaan en hij wist dat ze daartoe niet in staat waren. Hij besloot de hulp van de kluizenaar in te roepen. De vier vrienden en de prinses reden naar de tempel in het bos. De prins vroeg aan de kluizenaar of hij bereid was hem een toverkunst te leren, waarmee hij iemand op afstand kon doden. De kluizenaar was gunstig gestemd en willigde zijn verzoek in. Even buiten de tempel stond een ree te grazen. De kluizenaar nam wat water in zijn hand en sprak er een toverspreuk over uit, die de prins duidelijk kon verstaan. Hij liep op de ree af en liet het water op haar vacht druppelen. Meteen viel het dier dood aan zijn voeten. Direct daarop sprak hij een andere toverspreuk uit en de dode ree sprong weer levend op en rende het bos in.

Gewapend met deze dodelijke toverspreuk vertrok de prins, samen met zijn vrouw en de drie vrienden, naar de stad van zijn schoonvader. Toen ze de dodenstad naderden renden de drie razende demonen met opengesperde kaken op hen af. De prins gooide betoverd water over hen heen en ze vielen ogenblikkelijk dood neer. Met z'n vijven liepen ze vervolgens naar de plek waar de botten lagen opgestapeld. De zoon van de koopman toverde de botten in duizenden stapeltjes bijeen en de zoon van de commissaris toverde er geraamten van. Vervolgens toverde de zoon van de minister spieren, zenuwen en huid op de geraamten en de prins ten slotte toverde hun ziel terug. De prinses raakte in verrukking toen zij zag hoe haar ouders, broers en zusters weer tot leven kwa-men. Zij huilde van blijdschap.

De koning liet een groot leest aanrichten dat dagenlang duurde. Daarna namen de vier vrienden en de prinses afscheid. Ze keerden terug naar hun eigen land en leefden nog lang en gelukkig.


*   *   *

Trefwoorden


Thema

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Reizen. Verhalen over avontuurlijke reizen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: India
Verteltijd: ca. 40 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook