Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 38 min.
Herkomst:




Vissersmeisje wordt koningin Een Vietnamese legende over een wijze vrouw

Lang, lang geleden leefde de visser Ha-Thi-Trinh met zijn gezin op een klein eiland boven de Mekong-delta. Hoewel hij de vlijtigste onder de eilandbewoners was, verdiende hij nauwelijks genoeg om van te leven.

Lang voordat de eerste schitterende zonnestralen de grijze zee verlichtten, maakte hij, samen met zijn zoon en een ongetrouwde broer, de boot in gereedheid om uit te varen. Met de andere vissers bleven zij bezig tot de buit groot genoeg was. Dan zeilde men naar het vasteland om de vis te verkopen. Maar meestal hadden zij zó weinig gevangen, dat het niet de moeite waard was die lange tocht te maken. En als de zon hoog aan de hemel stond, zeiden de vrouwen in de stad: "We hebben vanochtend vroeg al bij onze eigen vissers gekocht, hoor!"

De eilandvissers vonden het jammer dat de vissers van het vaste land hun altijd vóór waren. Maar daar was niets aan te doen.

Nauwelijks een jaar geleden was de vrouw van Ha-Thi-Trinh gestorven. Het slechte klimaat en het zware werk op de steenachtige bodem van het eiland hadden haar volkomen uitgeput. Moedeloos bleef de visser achter en hij keek vaak bezorgd naar zijn dochter Ha-Tien. Zij was zestien en werkelijk het evenbeeld van haar moeder. Zou zij instemmen met het plan dat hij al zo lang in stilte koesterde?

Op een goede dag zei hij tegen haar: "Hoor eens, m'n duifje, ik ben van plan met je broer Pham-Dong en onze oom op reis te gaan. Wij willen een land zoeken waar wij als boeren kunnen werken, zodat jullie geen honger hoeft te lijden. De visvangst heeft ons immers steeds armer gemaakt! Gelukkig ben ik nog jong genoeg om een nieuw leven te beginnen. Mijn armen zijn krachtig en geloof in de toekomst heb ik ook. Er staat hier een grote zak met rijst waaraan je genoeg zult hebben voor een maand. Daarbij heb je de opbrengst van de tuin en zul je zeker kunnen leven totdat ik terug kom om je te halen."

"En wat gebeurt er met mij als je niet terugkomt?" riep het meisje verschrikt uit.

"Ik kom zeker terug!" antwoordde haar vader met grote stelligheid. "En onze buren zullen je natuurlijk helpen."

Maar vastbesloten sprak Ha-Tien: "O, neem mij meteen mee. Met twee handen meer op de boot zullen jullie blij zijn. En als ons een ongeluk overkomt, treft het ons allemaal. Voordat moeder is heengegaan, heb ik haar beloofd je nooit in de steek te zullen laten. Dwing mij nu alsjeblieft niet mijn woord te breken."

De visser aarzelde maar gaf tenslotte toe. Het huisraad dat hij niet op de sampan kwijt kon, deed hij snel van de hand en zo ging hij, met zijn broer en de twee kinderen, op reis naar een ver en onbekend doel.

Langs de kust zeilden zij naar het zuiden. Dagen, weken, maanden gingen voorbij. Eindelijk kwam er land in zicht. Zij besloten een haven te zoeken en daar te informeren of er ergens land was waar ze konden gaan wonen. Maar ach, voordat zij hun plan konden verwezenlijken, stak er een flinke storm op die hun kleine boot ver de zee in dreef. Even plotseling als hij was opgestoken draaide de wind, greep het grootzeil en stuurde de sampan met grote vaart een brede inham binnen.

Met hun laatste krachten trokken zij de boot op de oever en vielen, volkomen uitgeput, in slaap.

De volgende ochtend werden Ha-Thi-Trinh en zijn familie door de warme zonnestralen gewekt.

"Is dit het paradijs?" mompelde de visser diep verbaasd. Het land om hen heen was van een ongekende lieflijkheid. Groene heuvels aan beide zijden van de inham. Van de hoge bergen in de verte stortte een woeste beek zich, langs de bamboebossen, omlaag tot in de zee.

Op de oever lag heel wat hout van gestrande schepen. De mannen gingen er wat van halen om een vuur te maken en keken verheugd om zich heen naar het prachtige, heuvelachtige landschap.

Hier en daar zagen zij tussen de bomen een hut, maar geen mens of dier vertoonde zich. Op de weg die omhoog voerde, stonden zij plotseling voor een bananenboom met trossen rijpe bananen. Broer en zus keken elkaar verrukt aan en begonnen te eten. Nooit eerder hadden zij zo'n boom gezien en zulke heerlijke, voedzame vruchten geproefd!

Die dag begonnen zij uit het verspreid liggende hout en het overal groeiende bamboeriet een hut te bouwen, dichtbij hun sampan. Soms keken zij zorgelijk naar de bergen in de verte. Waren ze wel veilig? Zouden er niet onverwacht bewapende mannen de helling afdalen en hen verjagen uit het nieuwe land? Maar er gebeurde niets. Een week ging voorbij, een tweede... niemand vertoonde zich.

Zij voelden zich al helemaal thuis in de hut en zaten heerlijk te eten van de zoetwatervis die Pham-Dong, de zoon van de visser, had gevangen, toen ze plotseling zachte muziek hoorden. Verrast liepen zij naar buiten en zagen een grijze herder met zijn twee geiten van de helling dalen. Op zijn fluit blies hij een mooie melodie.

Verwonderd bleef hij voor de hut staan. Na een diepe buiging heette hij de visser en zijn familie hartelijk welkom. Hij wilde weten waar zij vandaan kwamen. Het was al dertig jaar geleden dat hier mensen hadden gewoond, kolonisten uit een noordelijk land, allemaal handwerkers. Maar aan wie konden zij iets verkopen in deze woestenij? "Zulke prachtige kunstvoorwerpen," zei de herder spijtig, "maar geen kopers. Daarom bouwden ze een schip en zeilden naar de grote stad in het oosten. Nooit is één van hen teruggekomen."

"Hebben zij in die stad hun geluk gevonden?" vroeg Pham-Dong en zijn ogen begonnen te schitteren.

De herder haalde zijn schouders op. "Er is zoveel verteld," begon hij aarzelend. "Zij zouden gouden godenbeelden uit hun geboorteland hebben meegenomen en die brachten zij naar de stad." Zijn hand wees in de richting waar de vissersboot vandaan gekomen was. Op het gezicht van de jongen was duidelijk te lezen hoe hartstochtelijk hij verlangde naar avontuur. Daarom legde de herder bedachtzaam zijn hand op Pham-Dongs arm en sprak: "Mijn zoon, als je je ogen goed openhoudt, is het geluk overal te vinden. In de steden is veel nood, slechtheid en een andere armoe dan die wij kennen. Ik weet dat. Blijf hier. Je vindt niet gemakkelijk een mooier land en vruchtbaarder grond. Ik kan je sinaasappelbomen laten zien, en citroenen geel als de zon! En mimosabomen die in de lente een geur verspreiden die je nooit meer vergeten zult."

Ha-Thi-Trinh luisterde met een gelukkige glimlach op zijn gezicht. Afwisselend vertelden hij, zijn dochter en haar oom hoe armoe door slechte visvangst hen uit hun geboorteland had verdreven. Dat zij werkelijk niets anders wensten dan vredig te leven en te werken.

De herder begreep hen volkomen en raadde hun aan niet in de zelfgebouwde hut te blijven wonen. Hoe gemakkelijk kon een stormvloed die meenemen! Zij konden toch veel beter een van de verlaten huizen op de heuvel betrekken? Daar waren ze veilig.

De visser vroeg naar de paaltjes die, net als hekken, het land in stukken deelden.

"Daar waren peperstruiken geplant," legde de herder uit. "Die peulen bevatten scherp smakende korrels. Ze zullen nu wel gauw rijp zijn. Rijke mensen betalen er goed voor! Het is een geliefde specerij in hun maaltijden. Wie de korrels verzamelt en verkoopt kan er veel geld voor krijgen." En weer wees zijn hand naar het oosten, waar de grote stad moest zijn.

Ha-Tien en haar vader gingen welgemoed aan het werk. Het meisje verzamelde de peperpeulen en liet die in de zon drogen. De visser, blij eindelijk een spade in handen te hebben, spitte een flink stuk grond om.

"Naast de pepertuin maken we een tweede tuin, waarin wij groente en kruiden gaan kweken," zei hij tegen zijn dochter. "En we kunnen op deze zonnige helling misschien heel wat meloenen oogsten!"

Toen hij de oogst van het meisje zag, voegde hij eraan toe: "Wij kunnen volgende week al naar de stad gaan om te zien hoeveel die korrels opbrengen. Van dat geld kopen we dan wat we hier nodig hebben."

Enkele dagen later stootte de visser plotseling op iets hards met zijn spade. Hij veegde de aarde opzij en hield met moeite een schreeuw binnen. Een stenen kruik werd blootgelegd. Toen Ha Thi-Trinh hem uit de grond lichtte, bleek hij tot de rand gevuld met juwelen en gouden sieraden.

Geschrokken keek hij om zich heen, maar niemand had gezien wat voor wonderbaarlijks er was gebeurd. Ha-Tien liep bedrijvig tussen de struiken terwijl zij een liedje neuriede.

Haar vader riep of zij even bij hem wilde komen. Met trillende stem zei hij: "Mijn kind, ik heb hier een kostbare schat gevonden, zó groot dat wij in de stad als rijke mensen zouden kunnen leven." Hij nam een goudstuk uit de kruik en een met diamanten bezette armband.

"Verkoop de armband," zei hij tegen zijn dochter, "en voor het goudstuk moet je een lap mooie zijde kopen. Daarin zal je voortaan op feestdagen gekleed gaan. Jaren geleden heb ik je moeder dit beloofd, maar ik heb het haar helaas nooit kunnen geven. Kom bij mij zitten, kind, wij moeten rustig overleggen wat wij met de schat zullen doen."

Ha-Tien zweeg. Peinzend keek ze van de kruik naar haar vader en dan zwierf haar blik over de zonnige heuvels. Toen streek zij langzaam de aarde weer over de pot, stampte ze vast en legde een paar struiken over de geheime vondst. Langzaam en zacht zei ze: "Vader, wat er ook gebeurt, spreek niet met mijn broer over deze schat. Telkens klaagt hij over ons leven hier. In de stad wil hij rijk worden, zo snel mogelijk. Niets zeggen, vader!"

Ha-Thi-Trinh aarzelde.

Het meisje legde haar hand op zijn arm. "Deze schat werd ons door de hemel geschonken, vader. Denk toch aan onze vrienden die wij op het eiland achterlieten. De opbrengst van deze juwelen zou misschien genoeg zijn om hen allemaal naar hier te laten komen. We zouden huizen voor hen kunnen bouwen en zonder ooit honger te lijden als één grote familie kunnen leven. Mag ik u een raad geven, lieve vader? Ga met oom terug naar ons eiland. Intussen zal ik met Pham-Dong ons huis en de pepertuin verzorgen. De oude herder zal ons wel willen helpen. Maar nogmaals smeek ik u: zeg niemand iets over de schat!"

De visser knikte toestemmend en streelde het meisje teder over haar lange zwarte haren. "Het zal allemaal gebeuren zoals jij wenst. Het is een goede raad," zei hij dankbaar.

De daarop volgende dagen ging Ha-Thi-Trinh druk aan het werk. Van het huis tot aan de plek waar de pot begraven was bouwde hij een bamboewand. De aarde werd stevig aangestampt en dit deel van de hut werd bestemd voor een nieuwe geitenstal. Daarna bereidde hij zich voor op de reis naar de Mekong-delta. Voor Ha-Tien en haar broer werd een klein schip gebouwd waarmee ze gemakkelijk naar de stad konden zeilen en weer terug. Op de heenreis namen zij de sampan op sleeptouw.

Pham-Dong sprak over niets anders dan de stad. Hij verkeerde in hevige spanning over het geld dat de peperkorrels zouden opbrengen. Het duurde drie dagen voordat zij de stad bereikten. Ver weg zeilden hun vader en oom in noordelijke richting.

Ha-Tien gaf in de grote stad haar ogen en oren goed de kost. Voor een groot bedrag verkocht zij de peperkorrels en gaf haar broer opdracht schoffels en spaden te gaan kopen. Zelf ging zij op onderzoek uit om te weten te komen hoe zij de peperstekken moest behandelen en een nieuwe pepertuin in cultuur brengen. Ineens herinnerde Pham-Dong haar eraan dat zij een lap zijde zou kopen. "Vader heeft je immers een goudstuk gegeven?" Hij was kennelijk heel nieuwsgierig waar dat goudstuk vandaan kwam. Zijn zuster deed echter of ze de vraag niet gehoord had, maar even later zei ze: "Waarom zou ik zijde kopen? Die kan ik toch onder het werk niet dragen? Nee, van het goudstuk dat de oude herder aan vader gaf zal ik linnen kopen. Daar kan ik voor mij en voor jou hemden van maken. Toe Pham-Dong, ga eens een adres zoeken waar wij straks kunnen eten!"

Nauwelijks had zij haar broer zien verdwijnen of zij ging de winkel van een goudsmid binnen om de kostbare armband te verkopen. De man reikte haar een buidel vol goudstukken over en zorgvuldig maakte ze die vast aan de binnenkant van haar rok. Snel liep zij weer naar buiten om haar broer te ontmoeten.

Die nacht sliepen beiden in de boot en de volgende ochtend zeilden ze met hun inkopen terug naar de baai. De oude herder ontving hen met fluitmuziek. Hij was zichtbaar blij hen terug te zien.

Ha-Tien ging dadelijk naar de pepertuin om de stekken te planten. Pham-Dong sprong, zoals gewoonlijk, in zijn boot om te gaan vissen.

Toen het meisje een paar dagen later in de geitenstal de lemen vloer had opengebroken om de buidel met goudstukken naast de aarden pot te verstoppen, kwam haar broer veel vroeger dan anders thuis en stond onverwacht naast haar. Ha-Tien schrok hevig.

Pham-Dong duwde haar ruw opzij en begerig graaiden zijn vingers in de kostbaarheden.

Rood van woede staarde hij haar aan. "Een schat? Zo'n schat? En die hield je voor mij verborgen?"

Ha-Tien probeerde vergeefs hem uit te leggen waarom haar vader naar de Mekong-delta was teruggegaan. Hoe geweldig het zou zijn als al hun vrienden, dankzij deze schat, zonder zorg zouden kunnen leven in dit vruchtbare land... Maar hij luisterde niet. Met een vals lachje tilde hij de pot uit de grond en zei: "Die grap heb ik nu gelukkig onmogelijk gemaakt! Of denk je heus dat ik zou toe staan dat dit kostelijke goud onder een stel eilandbewoners verdeeld zou worden?"

Tevergeefs smeekte Ha-Tien hem de wens van hun vader te eerbiedigen. Met een onverschillige blik in zijn ogen leegde hij de inhoud van de lemen pot in zijn visserszak, bond zijn zuster met een eind stevig touw aan een der palen vast en, nog even omkijkend, wierp hij een fonkelende juweel voor haar voeten.

"O Pham-Dong, wil je het tenminste niet met ons delen?" riep Ha-Tien wanhopig. "Hoe moet ik vader onder de ogen komen?" Maar Pham-Dong, die zijn vurige wensen ineens in vervulling zag gaan, was niet te vermurwen.

"Ik pak de kleine boot en vaar terug naar de stad. Daar koop ik een stenen huis, voor mij alleen. Misschien ga ik studeren en wordt mandarijn. Dan kan ik jullie helpen, later. Maar dan zullen jullie naar mij moeten komen."

Hij nam de zak en ging op weg naar het strand, zijn zuster hulpeloos en verward achterlatend.

Het duurde een uur voordat de oude herder kwam, te laat om Pham-Dong terug te houden. Snel bevrijdde hij het meisje en hoorde wat er gebeurd was. De goudstukken die de kostbare armband had opgebracht en de paar juwelen die Ha-Tien bezat - dat was alles wat van de schat overbleef.

De dagen gingen voorbij. Ha-Tien werkte ijverig in de tuin, maar de glimlach op haar gezicht was verdwenen. Vol zorg keek zij uit over de zee, naar het schip van haar vader.

Op een zonnige ochtend kwam de herder uit zijn berghut met een zware zak op zijn rug. Hij wilde Ha-Tien een plezier doen en onthulde voor haar verbaasde ogen een beeld, zo groot als een kind, gemaakt van zuiver goud! De zonnestralen verlichtten de vriendelijke trekken van een kleine godin.

"Dertig jaar geleden," vertelde hij, "trokken de bewoners van dit land weg en zij schonken mij dit beeld. Zij hadden het uit hun geboorteland meegebracht. Is het niet mooi? Zij heet Quoc Mau, dat betekent Moeder van het koninkrijk."

De oude herder zweeg en keek Ha-Tien betekenisvol aan. "Nu ben jij hier en hebt verdriet. Om je te troosten geef ik jou het beeld. Je kunt je vader vragen haar te verkopen in plaats van de verloren schat."

Ha-Tien bedankte de oude man met tranen in de ogen.

Die nacht lag zij steeds maar te denken over alles wat sinds haar vaders vertrek gebeurd was. Eén ding stond vast: die prachtige kleine godin mocht niet omgesmolten worden! "Quoc Mau, Moeder van het koninkrijk," zei ze zachtjes. "Wij moeten het klaarspelen om zonder schat, en alleen door ons werk, hier een gelukkig leven te leiden."

Maanden waren voorbijgegaan toen de herder en Ha-Tien een vloot vissersschepen aan de horizon zagen verschijnen.

"Ze komen! Ze komen!" riep Ha-Tien blij en ze rende naar het strand. Het was een vreugdevolle begroeting.

Ieder kreeg voldoende land om te bewerken. Niemand misgunde de ander zijn grond. Bij het bouwen hielpen ze elkaar met het heien van de palen. Ook het opknappen van de oude hutten was snel gedaan. De vissers beschouwden het als een wonder dat zij de lange reis ongedeerd hadden volbracht en nu in zo'n paradijselijk land mochten wonen.

De baai was nu vol leven. Kinderen speelden langs het strand, rond de hutten kakelden de kippen, er waren zelfs enkele biggetjes meegenomen uit de Mekong-delta. Overal heerste blijdschap en dankbaarheid. Alleen Ha-Thi-Trinh keek grimmig uit over zijn pepertuin. Hij kon niet begrijpen dat zijn zoon was weggegaan en dan als een dief! Wat zou er van hem terechtkomen? Ha-Tien keek bezorgd naar zijn rimpelige gezicht. Het leek of hij in enkele dagen verouderd was.

"Maar het mooie beeld, de Quoc Mau, vader!" probeerde het meisje. Ook dit kon hem niet troosten, maar evenmin als Ha-Tien wilde hij de kleine godin laten omsmelten. "Als wij onze handen en ons verstand goed gebruiken, moeten wij op deze vruchtbare grond kunnen leven, zonder een schat," dacht hij.

De vroegere vissers waren nu boeren en het beviel hun best. Ha-Thi-Trinh stond hen met raad en daad bij. Zijn hulp was onontbeerlijk en de mensen vereerden hem als een wonderdoener.

Op een van hun avondlijke bijeenkomsten besloten zij Ha-Thi-Trinh als hun koning uit te roepen. Koning van het vruchtbare land! Maar beslist wees hij dat af.

"Ik wil graag jullie raadsman en rechter zijn, maar koning wil ik niet worden." En meteen begon hij over de oogst te praten.

Met enkele jonge planters zeilde hij een paar dagen later naar de stad, in de stille hoop zijn zoon te zullen ontmoeten. Misschien kon hij hem tot rede brengen.

Terwijl de anderen alle inkopen deden, slaapmatten en katoen, planten en zaden voor de tuinen, ging Ha-Thi-Trinh naar de wijk waar de rijken woonden om zijn zoon te zoeken. Het duurde niet lang of men had hem zijn huis gewezen. Pham-Dong was met de dochter van een goudsmid getrouwd en leefde als de hoge ambtenaren. Zijn huis was prachtig en zou zeker ook mooi zijn ingericht, maar Ha-Thi-Trinh kreeg het niet te zien. Op de buitentrap stond zijn zoon hem te woord. Zo'n sjofel geklede gast liet men niet binnen! En hij droomde er niet over terug te gaan naar zijn familie.

"Wil je dan tenminste je zuster een deel van de schat geven, zoals het fatsoen gebiedt?" vroeg de vader met bevende stem.

"Ik zal kleren voor je laten halen, wacht hier," gebood Pham-Dong hoogmoedig. Maar toen de dienaar ze bracht, was de trap leeg. Ha-Thi-Trinh had zijn zoon voor altijd uit zijn hart gebannen.

Het dorp aan de baai floreerde onder de goede zorgen van de oude visser. Ook zijn rechtspraak was onmisbaar. Maar van maand tot maand namen zijn krachten af en hij voelde dat zijn einde naderde.

Op een dag riep hij zijn broer en enkele vertrouwden bij zijn bed en vroeg hen Ha-Tien als hun opperste beschermvrouw te beschouwen. "Zij is verstandig en eerlijk. Ze denkt meer aan anderen dan aan zichzelf!" De mannen beloofden dit graag.

Na de dood van haar vader bleef Ha-Tien bescheiden en vlijtig. Zij gaf raad waar dat nodig was en het weinige overgebleven geld werd voor het allernoodzakelijkste uitgegeven.

Toen zij weer eens van een reis naar de stad terugkeerde, riep zij de mannen bij zich in een bijzondere bijeenkomst. "Het is algemeen bekend in de stad dat wij hier zo gelukkig en tevreden leven," zei ze. "Het kan heel goed gebeuren dat mensen uit andere landen jaloers zijn en ons overvallen. Dan is al ons werk voor niets geweest en zijn we weer even arm. Daarom moeten wij speren en zwaarden kopen. En de haven moet nodig versterkt worden. Aan de ingang van de baai kunnen wij twee verdedigingstorens bouwen. De stenen hier voor zijn in de bergen te vinden, waar onze vriend, de herder woont. Ieder van ons kan een vrachtje naar beneden halen. Veel geld kunnen wij niet uitgeven, maar als wij allemaal een deel van deze taak op onze schouders nemen komt alles in orde."

Geestdriftig werd deze goede raad opgevolgd en nog diezelfde dag riepen de boeren Ha-Tien uit als hun koningin, wier naam het land voortaan zou dragen.

Binnen het jaar hadden zij de baai versterkt. Na twee jaar stond er voor Ha-Tien een mooi stenen huis, met een ruime binnenplaats voor de bijeenkomsten. Er kwam ook een audiëntiezaal in.

Nu leek het ogenblik gekomen, dacht Ha-Tien, om het gouden beeld, de kleine godin, een plaats te geven die voor iedereen zichtbaar was. Wat was de grijze bergherder gelukkig! Hij vertelde aan iedereen die het horen wilde hoe hij het gouden beeld gekregen had. En dat er achter de bergen een tempelstad moest zijn waar meer van deze schitterende beelden waren.

Op een goede dag lieten boodschappers van een naburig koninkrijk zich aandienen. Zij wilden vriendschapsgeschenken uitwisselen en een verdrag sluiten voor het gebruik van de haven.

De gasten bogen diep voor de mooie, jonge koningin. Ha-Tien ontving hen gastvrij en tijdens hun levendige gesprekken verwonderden zij zich in stilte over de moed en het doorzettingsvermogen van het meisje. Met diepe bewondering bekeken zij het beeld van de gouden godin.

De volgende ochtend werkte Ha-Tien weer met de anderen op de pepertuinen. Haar oom keek haar nadenkend aan en zei: "Je ouders zouden trots op je zijn, Ha-Tien. Je hebt die onderhandelingen uitstekend gevoerd. Tot welzijn van je land en van ons allemaal. Maar waarom zou je nu niet als een koningin gaan leven? Je bent mooi en dapper, je regeert ons en spreekt recht, je ontvangt gezanten uit andere landen. Waarom draag je toch nog steeds gewoon linnen in plaats van de mooie zijde die in je kast ligt?"

Ha-Tien dacht een ogenblik na. Toen keek zij haar oom trouwhartig aan en zei: "Koningen genieten meestal wel van de rijkdom, dat is waar. Maar... wie hebben voor die rijkdom gezorgd? Dat zijn de onderdanen die hun leven lang moeten werken voor dat land. Ik heb geen onderdanen. Ik ben gewoon één van jullie en ik leef zoals iedereen. Wie zijde en brokaat draagt deugt niet voor dat werk. Linnen is mij dierbaar, want het werk zal ik nooit opgeven. Ik hou ervan!"

Zo verliep de tijd in hun kleine koninkrijk. Niemand leed armoe, niemand hoefde zich te beklagen over onrechtvaardigheid. De koningin zorgde voor haar volk en als vreemden zich wilden vestigen, gaf zij hun de volle vrijheid. Er werd een school gebouwd en uit het noorden kwamen onderwijzers om les te geven. Vaak brachten zij handwerkers mee die hun vak leerden aan de kinderen van de vroegere vissers. Al gauw bloeide de kunstnijverheid tot vreugde van allen.

Hoewel de goudstukken uit de kleine buidel allang waren opgebruikt was er geen nood, want de oogsten en alles wat de handen konden maken leverde keer op keer een rijke winst.

Eens bracht men een vreemdeling naar Ha-Tien. Een verwaarloosd mens, met een bedelaarsstaf in zijn hand. Niemand herkende in hem de vroegere visserszoon Pham-Dong. Hij herkende in de eenvoudig geklede vrouw nauwelijks de koningin van het land.

"Ik ben gekomen om hulp te vragen. De mensen hier zeggen dat je hun koningin bent, dan heb je dus macht om te doen wat je wilt."

Ha-Tien hoorde nog steeds de hoogmoedige klank in zijn stem. Zij vroeg: "Wat wil je hebben?"

"Alles ben ik kwijt," klaagde hij, "ze hebben mij mijn huis afgenomen en me in de gevangenis geworpen bij mensen die schulden gemaakt hebben. Mijn vrouw is teruggegaan naar haar vader. Gelukkig kon ik ontsnappen en heb wekenlang gelopen, langs de kust, in de hoop dat jij mij verbergen kunt."

Ha-Tien keek hem ernstig aan. "Zie je nu wat er gebeurt met een mens die alleen aan goud denkt en aan een gemakkelijk leventje? Onze goede vader heb je als een bedelaar behandeld! Kijk rond in dit land. Met eigen handen hebben we alles opgebouwd."

Pham-Dong zweeg.

"Je hebt niets geleerd," hernam Ha-Tien, "je kunt dus alleen je oude vissersberoep uitoefenen."

Pham-Dong knikte onzeker. Hij zou wel zien dat hij werk vond.

Maar lang heeft hij niet als visser in het mooie land gewoond. Opeens was hij spoorloos verdwenen. Het gerucht ging dat hij in de buurt van de noordelijke grenspas was gezien en opgepakt.

Gedurende vele jaren leidden de mensen in het kleine koninkrijk een gezond en gelukkig leven. Er was echter één ding dat de vroegere vissersdochter, bij alle moed en vlijt die ze bezat, had nagelaten. Zij had verzuimd de kunst van het regeren tot welzijn van de mensen aan anderen door te geven. Toen zij stierf was er niemand die haar taak kon overnemen. En zo herhaalde zich wat al gedurende duizenden jaren was gebeurd: vreemde heersers overvielen zonder enig recht de kleine staat, moordden en plunderden, zetten er hun eigen ministers en belastingambtenaren in mooie huizen en namen de macht in handen.

Het kleine, maar zo gelukkige, koninkrijk van Ha-Tien ging ten onder. Alleen in een legende wordt nog verteld hoe een vissersmeisje, tot het laatst toe in linnen gekleed, als dappere en wijze koningin haar volk had gediend.


*   *   *

Vissersmeisje wordt koningin Samenvatting
Een Vietnamese legende over een wijze vrouw.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Er was eens... een vrouw. 34 sprookjes over bewonderenswaardige vrouwen" verzameld door Ilse Korn, voor Nederland bewerkt door Marijke van Raephorst. Kosmos, Amsterdam, 1981. ISBN: 90 215 10 197

Herkomst: Vietnam
Verteltijd: ca. 38 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook