Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 17 min.
Herkomst:

Wat is mooi? Een Boeddhistisch verhaal uit Nepal over wijsheid

De bewoners van het koninkrijk Malla waren blij met hun koning Okkaka. De paleisdeuren stonden altijd voor hen open als ze een probleem hadden. Er was één ding waar ze zich zorgen over maakten: de koning had geen kinderen. Hoe moest dat nu als de koning stierf? Dan zou een vreemde overheerser komen en die zou vast niet zo'n edele koning zijn! Ze trokken op naar het paleis en riepen: "We zullen bidden om een zoon, die het land net zo goed bestuurt als u." De hele bevolking bad mee, zodat de lucht gonsde van hun gebeden. Ze stegen op en bereikten Sakka, Heer van de hemel. Hij besloot hun gebed te verhoren. Op de zevende dag van het bidden verscheen hij in de kamer van koningin Silavati. Ze schrok wakker omdat er een stralend licht in de kamer kwam en begroette hem eerbiedig. Sakka zei: "Je mag een wens doen." - "O Heer, geef me dan een zoon," antwoordde ze snel. "Je krijgt er twee. Eén zal wijs en lelijk zijn, de ander knap, maar dwaas. Wie moet het eerste komen?" - "De wijze," antwoordde ze. "Zo zal het zijn." Hij raakte haar voorhoofd aan en gaf haar een hemelse grasspriet, Kusa genaamd.

De koningin liep meteen naar de koning en vertelde hem wat er gebeurd was. Ze liet hem ook het hemelse gras zien. De wijze koning twijfelde niet aan haar verhaal. Driekwart jaar later werd een zoon geboren. Zijn ouders noemde hem Kusa. Een tweede zoon werd geboren. Zijn naam was Jayampati. De jongens groeiden op en leerden alles wat koningszonen moeten weten. Voor Kusa was dat gemakkelijk. Toen hij oud genoeg was, wilde de koning plaats voor hem maken, maar zijn moeder wilde dat hij eerst zou trouwen. Zij vroeg het aan Kusa, maar hij dacht:" Welke mooie prinses wil nu zo'n lelijke man trouwen?" Hij trok daarom niet rond om een vrouw te zoeken. Toen vroeg de koning hem op reis te gaan. Kusa wilde zijn ouders geen verdriet doen. Hij liet de hofedelsmid komen en vroeg hem alles wat nodig was om een beeld te maken en ging aan het werk. Hij bleek ook nog een talentvolle beeldhouwer en zo maakte hij een beeld van een vrouw. "Als ik een vrouw vind, zoals dit beeld," zei hij tegen zijn moeder, "zal ik met haar trouwen."

De koningin liet het beeld in een koets rondrijden door het hele koninkrijk. "Als jullie een prinses vinden, die op het beeld van mijn zoon lijkt," zei ze tegen haar gezanten, "zeg dan tegen haar vader dat zij mag trouwen met mijn zoon." Iedereen keek vol bewondering naar het beeld. Het was zó mooi dat geen prinses aan haar kon tippen.

Uiteindelijk kwamen de gezanten in het naburig koninkrijk Madda, in de stad Sagala. De koning daar had zeven stralend mooie dochters. De oudste heette Prabhavati en zij was onbetwist de mooiste. Prahabvati had een gebochelde, zeer trouwe helpster. Toen dit meisje langs de weg water ging halen, keek ze toevallig in de koets en schrok. Daar zat haar meesteres doodstil, maar nee, het was een beeld. Ze vertelde de gezanten dat haar meesteres sprekend leek op het beeld. Ze gingen met haar mee naar het paleis en werden naar de koning gebracht. De koning wilde graag dat zijn dochter trouwde met de beroemde prins Kusa.

De gezanten keerden blij terug naar hun eigen koning Okkaka en koningin Silavati. Zij brachten een beleefdheidsbezoek aan hun komende schoondochter, maar toen Silavati zag hoe mooi het meisje was, dacht ze: "Hoe moet dat goed komen. Als dit mooie meisje mijn lelijke zoon ziet, zal ze terug willen rennen naar haar eigen huis! Ik moet een plan bedenken."

Ze zei tegen Prabhavati: "In onze familie bestaat de gewoonte dat een vrouw haar man niet mag zien tot ze zwanger is. Als je je daarin kunt vinden, mag je de edele prins trouwen." De prinses zei: "Ja, ik wil," en vertrok met haar aanstaande schoonouders naar Malla. Ze werd ontvangen met gejuich door de bewoners van haar nieuwe land. Ze vierden feest, want ze waren blij dat de koningszoon nu ging trouwen. Okkaka deed afstand van de troon en Kusa was de nieuwe koning. Niet lang daarna stierf zijn vader.

Het leven van Kusa en Prabhavati zag er vreemd uit. Ze zagen elkaar alleen 's nachts met hun handen, als blinden. Voor de zon opging moest Kusa de koninklijke slaapkamer verlaten. De koning en de koningin leefden in verschillende vertrekken. Ook de koningin-moeder had haar eigen afdeling in het paleis.

Na enige weken wilden ze elkaar eindelijk wel eens zien met hun ogen en ze vroegen herhaaldelijk toestemming aan de koningin-moeder. Eerst weigerde zij, maar tenslotte gaf ze toe. Ze nam Prabhavati mee naar de olifantenstal. Aan Kusa had ze gevraagd daar verborgen te staan als olifantenbewaker. En ja, hij zag het: ze was beeldschoon. Een tweede keer stond hij in de paardenstal en hij keek vol bewondering naar zijn prachtige vrouw.

Nu was het Prabhavati's beurt, maar dat was moeilijker. De koning-moeder had het volgende bedacht: "Je kunt mijn zoon morgen zien, als hij een processie leidt door de stad." Ze vroeg prins Jayampati een koninklijk kleed aan te trekken en bovenop een olifant langs het paleis te komen. Toen Prahabvati uit het raam keek, was ze opgetogen over het knappe uiterlijk van de man die haar echtgenoot was, tenminste, dat dacht ze. Niemand had voorzien dat Kusa, verkleed als olifantenbewaker achter zijn broer zat. Toen hij Prabhavati achter het raam zag staan, kon hij het niet laten naar haar te zwaaien. Prabhavati was woedend toen ze die lelijke man zo brutaal naar haar zag wuiven. Ze klaagde tegen de koning-moeder, die naast haar stond, maar ze vroeg zichzelf tegelijk af: "Die olifantenbewaker is een zelfbewuste figuur. Hij heeft geen respect voor de koning. Zou hij soms koning Kusa zelf zijn?"

Daarom gaf ze haar gebochelde bediende opdracht uit te zoeken wie nu eigenlijk de koning was: de voorste of de achterste man. "Hoe kan ik dat te weten komen?" vroeg het meisje. "Heel eenvoudig. De koning zal het eerst afstijgen." En zo gebeurde.

De bediende vertelde wat ze had gezien. Prabhavati ging meteen naar de vertrekken van haar schoonmoeder. Ze was woedend. "U hebt me bedrogen! Ik wil niets te maken hebben met zo'n lelijke, stiekeme echtgenoot." Ze riep de gezanten en zei: "Maak mijn koets klaar. Vandaag nog ga ik terug naar mijn vader." De gezanten verklapten dit aan de koning, maar deze dacht na: "Als ik haar tegenhoud, zal haar hart breken. Als ze weg wil, laat haar gaan." En daar ging ze.

Als Kusa naar zijn paleis ging, dacht hij steeds aan haar. Hij zei tegen zijn moeder: "Ik ga Prabhavati terughalen. U moet nu het koninkrijk besturen." Zijn moeder antwoordde: "Je moet geen koninkrijk opgeven voor een vrouw. Je zou geduld moeten oefenen en niet toegeven aan je verlangen naar haar." Maar Kusa was vastbesloten. Niemand kon hem tegenhouden.

Na een tijd bereikte hij de stad Sagala. Hij rustte uit, haalde zijn fluit tevoorschijn en begon te spelen. De muziek klonk door de hele stad. Toen Prabhavati de melodie hoorde, begreep ze meteen dat die van Kusa kwam. De koning hoorde het ook en liet de vreemde fluitspeler komen. "Je speelt prachtig" zei hij. "Je moet mijn hofmuzikant worden." Maar Kusa dacht: "Nee, dan zie ik Prabhavita niet." Ook in dat land waren er aparte mannen- en vrouwenvertrekken.

Kusa besloot pottenbakker te worden. Eén van zijn kruiken had de vorm van Prahabvati met haar gebochelde bediende. De koning was onder de indruk en stuurde het kunstwerk naar zijn dochter, maar zij begreep wie het gemaakt had en zette het opzij. Kusa ging manden vlechten. Alweer maakte hij een meesterwerk: een Prabhavati van bamboe. De koning gaf de mand aan zijn dochter en zij keek er niet naar om. Kusa kwam iets dichterbij zijn vrouw toen hij paleistuinier werd, maar zelfs de prachtigste bloemstukken konden haar niet veroveren. Toen besloot Kusa als kok op te treden. Zijn schotels met eten waren zó verrukkelijk dat de koning hem liet koken voor zijn dochters. Hij moest de schotels ook naar hen toe brengen. "Ah," dacht Kusa, "nu zal ik eindelijk mijn vrouw weer zien." Maar nee. Toen zij zag, dat hij de trap opkwam met het heerlijke eten, dacht zij: "Als ik hem ontvang, denkt hij dat ik me met hem zal verzoenen. Als ik de deur open, kijkt hij naar me. Als ik hem uitscheld, verdwijnt hij misschien. Wie weet, grijpt hij me, als ik de deur opendoe." Daarom sloot zij de deur en liet de gebochelde het eten ophalen. Toen verwisselde zij het eten dat voor de bediende bedoeld was met het hare en waarschuwde het meisje dat zij de koning niets mocht zeggen.

Enkele dagen later, toen Kusa naar boven ging met een zwaar blad vol eten, struikelde hij en viel. Het deed erg pijn. Toen Prabhavati het gekreun hoorde, opende zij haar deur en toen ze hem in elkaar gedoken zag onder het blad met eten, zei ze tegen zichzelf: "Zie toch de grote koning Kusa. Om mij lijdt hij pijn, dag en nacht." Toch gaf ze niet toe. Toen ze zag dat hij nog leefde en ademde, ging ze terug naar haar kamer. Kusa zag nauwelijks een glimp van zijn vrouw, maar hij was er nu zeker van: zij verafschuwde hem.

Ondertussen was het koninkrijk Malla in gevaar. De koning kreeg bericht dat zes prinsen van naburige koninkrijken van plan waren om de stad Sagala binnen te vallen. Ieder van de prinsen wilde de mooie Prahabvita veroveren. Zij werd immers niet meer beschermd door haar echtgenoot, de moedige koning Kusa.

De koning overlegde met zijn vrouw, die op haar beurt praatte met haar oudste dochter: "Was Kusa maar hier. Hij zou de prinsen verslaan en ons allemaal redden." Prabhavati had geen keus meer. Ze vertelde haar moeder wie de muzikant, de pottenbakker, de mandenvlechter, de tuinier en de kok was. Ze opende het raam en wees hem aan: de man in smerige kleren die de potten en pannen afwaste.

De koningin vertelde alles aan haar man, die onmiddellijk naar Kusa ging en hem vergeving vroeg omdat hij hem niet had herkend. Kusa zei dat het kwam door zijn verschillende rollen.

Prabhavati begreep haar dwaasheid. Al die tijd dacht ze alleen maar aan Kusa's uiterlijk en niet aan al zijn talenten en wijsheid. "Hoe kon ik zo blind zijn voor zijn werkelijke schoonheid?" Ze ging snel naar haar echtgenoot, viel voor zijn voeten, smeekte om vergeving en beloofde hem nooit meer te beledigen. Kusa was blij. Hij dankte de Heer van de hemel.

Toen hoorde hij van de vijandige prinsen. Hij verzekerde haar dat hij ze zou verslaan, ging het paleis binnen en trok koningskleren aan. Hij besteeg een olifant en stormde op de vijand af. Het duurde niet lang of de prinsen lagen op hun knieën. Kusa doodde ze niet. Hij liet ze trouwen met de jongere zusters. Zo werden ze verbonden aan het koninkrijk. Madda.

Koning Kusa en koningin Prabhavati keerden terug naar Malla en ze werden feestelijk binnengehaald door hun enthousiaste onderdanen.


*   *   *

Wat is mooi? Samenvatting
Een Boeddhistisch verhaal uit Nepal over wijsheid. Het volk van een Nepalees koninkrijk bidt naar hun hemelgod dat de koningin kinderen mag krijgen. De heer der hemelen gaat op bezoek bij het koningspaar en belooft dat er twee zonen komen, een wijze maar lelijke jongen en een dwaze maar mooie jongen. Aan de koningin wordt gevraagd wie er het eerst geboren moet worden. Zij noemt de wijze zoon. Lees het verhaal

Toelichting
Deze verhalen werden in Nepal verteld om de leer van de Boeddha op een gemakkelijke manier duidelijk te maken. Ze werden opgetekend door Bala Sivaram en Eva Kipp en door Remco Ekkers uit het Engels vertaald en bewerkt.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron

Herkomst: Nepal
Verteltijd: ca. 17 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook