Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 20 min.
Herkomst:




Willem met de korte neus Een Franse sage over een list van Willem van Oranje

Koning Lodewijk placht zijn getrouwen voor hun diensten met geschenken te belonen. De een gaf hij een kasteel met velden en wouden, de ander een grimmige burcht op een rotsplateau, of een stad of toch minstens een versterkte plaats. Ieder gaf hij wat, alleen de allertrouwste vergat hij: Willem van Oranje, de markgraaf met de korte neus. Willem zweeg daar aanvankelijk over, maar toen hij bemerkte dat het in heel Parijs bekend was geworden dat hij niets ten geschenke had gekregen, liet hij zich bij de koning aandienen.

"Heer," zei hij, "ik heb u trouw gediend, niet bij wijn of feestgelagen, maar met het zwaard in de vuist! Niet bij gezang, maar in de slag, als het vaderland mij nodig had!"

"Heer Willem," sprak de koning, "heb slechts enig geduld. De winter gaat voorbij en het zal weer zomer worden. Een van mijn getrouwen is ernstig ziek en zal niet lang meer leven, vrees ik. Als hij sterft geef ik u zijn burcht, zijn landgoederen en, als u wilt, ook nog zijn vrouw."

Toen Willem dat hoorde werd hij rood van woede en kon zich amper beheersen. "Treurige troost!" schreeuwde hij de koning in het gezicht, "om op de dood van een ander te moeten wachten! Wie zijn geluk op het leed van anderen bouwt, kiest een zware weg. Welke diepe dalen moet hij doorkruisen, welke hoge bergen en rotsen beklimmen voor hij zijn doel bereikt! Ik ben een arme ridder die niet eens voer voor zijn paard heeft. Hoelang heb ik u niet gediend in goede en in slechte tijden, en waar is mijn loon? Alleen eten en drinken krijg ik, opdat ik niet van honger zal omkomen, dat is alles! Wat kreeg ik voor trouwe dienst? Alleen zwaardslagen! Hoeveel vijanden heb ik niet voor u uit het zadel gelicht en u hebt mij daarvoor nog geen stukje ijzer voor mijn lans gegeven! Ik zeg u: er is in Frankrijk geen gerechtigheid meer!"

"Heer Willem," zei Lodewijk en durfde hem bijna niet meer in de ogen te kijken, "zestig van mijn andere getrouwen zijn ook nog niet beloond. Ook hun kon ik tot dusver niets geven, sterker nog, niet eens iets beloven."

"Er zouden nog zestig edelen voor mij aan de beurt komen? Wie van hen heeft meer voor u gedaan dan ik? Zijn zij moediger? Als dat zo is, laten ze dan te paard stijgen en met mij naar de weide voor de stadspoort aan de rivier rijden. Ze mogen het tegen mij opnemen, de een na de ander, hoe ze maar willen, ik zal ze allen tegen de grond werpen. U mag zich bij hen aansluiten, heer!"

De koning liet het hoofd nog dieper zinken en sprak zachtjes: "Heer Willem, u bent vertoornd. Het is waar, hoe groter de daden die iemand volbrengt, des te kleiner is zijn loon. U hebt mij geholpen en mij verdedigd als geen ander, ik geef het toe. Treed nader, ik wil u een goed geschenk geven. Neem het land van hertog Fulko en u zult heer over drieduizend ruiters zijn."

"Dat doe ik niet," antwoordde Willem, "dat zou niet rechtvaardig zijn. Hij heeft twee kleine kinderen achtergelaten en aan hen en aan hen alleen behoort de burcht van hun vader. Ik kan hen toch niet uit hun tehuis verdrijven. Geef mij iets anders."

"Heer Willem," sprak de koning, "indien u de burcht van hertog Fulko niet wilt, neem dan het land van Awbry van Bourgondië. Neem zijn weduwe tot vrouw. Zij is een goede vrouw en heeft zich nog nooit aan de wijn bezondigd. U zult een flinke burcht hebben en drieduizend ridders om u te dienen."

"Nee," antwoordde Willem, "want ook hij heeft een kleine jongen, Robert geheten, achtergelaten. Hij is nog zo klein dat hij zich niet eens zelf kan aankleden. Maar hij zal groot en sterk worden - laat hem toch zelf op zijn burcht heersen en zijn ruiters bevelen!"

"Heer Willem," zei de koning weer, "hoor mij aan. Aangezien u zo verstandig geweest bent om datgene wat ik u aanbood af te slaan, geef ik u een vierde deel van Frankrijk met alle steden en burchten, ridders en boeren en wat er verder bij behoort, een vierde deel van mijn stallen en een vierde deel van de kroonschatten. Sla zulk een geschenk niet af!"

"Nee," schreeuwde Willem, "nee, nee, nee, dat wil ik niet. U als koning hebt niet het recht Frankrijk te verdelen! Voor al het goud in de wereld zou ik zo'n geschenk niet aannemen. Ik wil niet dat men eens van mij zal zeggen dat ik voor de koning een rijk heb veroverd om er zelf een vierde deel van te bekomen. Ik wil niet dat men liederen zal zingen over een slechte markgraaf met een korte neus, die de koning zijn laatste hap uit de mond nam en hem alleen het water liet!"

"Heer Willem," zei de koning radeloos, "indien u ook dat geschenk afwijst, dan weet ik niet meer wat ik u moet aanbieden. Zeg dan zelf wat u voor uw trouwe diensten hebben wilt."

"Koning," sprak Willem, "moet ik smeken en mij vernederen? Geef mij de stad Nimes die door de vijand is bezet. Ik zal die stad voor u veroveren, want er is geen andere ridder die in staat is de Saracenen uit Nimes te verdrijven en de stad aan de koning en het land terug te geven. Slechts een dergelijk geschenk heeft waarde, een geschenk dat ik eerst moet veroveren niet voor mijzelf, maar voor u en het vaderland!"

De koning stemde toe en gaf Willem zijn handschoen ten teken dat de ridder in naam van de koning ten strijde trok.

Willem bracht jonge zonen van arme ridders bijeen, verarmde adel en landedelen uit kleine burchten; zij hadden geen met edelstenen bezette helmen, geen gouddoorstikte vanen, noch flonkerende wapenrustingen. Velen bereden ezels en muildieren in plaats van edele paarden. Zo braken ze op. Ze trokken door de vlakten en langs steile bergpaden, in schaduw en onder brandende zon, langs burchten, door dorpen en steden, ze zongen en riepen elkaar vrolijke opmerkingen toe.

In een olijvengaard voor de stad Nimes ontmoetten ze een boer met vier ossen. De dieren trokken een houten kar met een groot vat met zout, waarop drie haveloos geklede kinderen zaten die tegen de ruiters lachten en zwaaiden. Willem gaf bevel de kar aan te houden. De ruiters omringden de boer en vroegen hem vanwaar hij kwam. "Uit Nimes," antwoordde hij. Hij was ongewapend en erg arm, daarom lieten de soldaten hem ongehinderd de stad in en uit gaan zo vaak hij wilde. Ze vroegen hem naar de sterkte van het Saraceense bezettingsleger en de versterkingen en de man vertelde alles wat hij daarover wist.

Toen hij uitgesproken was, riep Willem zijn vrienden en getrouwen bijeen, wees op de kar met de grote houten wielen en het zoutvat en zei: "Luister. Wie duizend van die vaten heeft zou zijn ridders daarin kunnen verbergen, langs de kortste weg naar de stad rijden, hen op een afgesproken teken uit de vaten te voorschijn laten komen en de vijand overmeesteren."

De ruiters juichten en zeiden: "Heer, in deze omgeving zijn karren en vaten, grote en kleine in overvloed. Laten we het proberen."

Willem gaf zijn leger bevel rechtsomkeert te maken en terug te keren naar het dichtstbijzijnde dorp. Daar maakten ze kwartier en zamelden uit de hele omgeving ossen, koeien, karren, grote en kleine vaten bijeen, grote voor zout en kleine voor wijn en nog kleinere voor olijven. Toen ze er voldoende bijeen gebracht hadden, laadden ze de vaten op de karren en in elk vat kroop een krijger met het zwaard aan de zij. De overblijvende vaten werden met speren en schilden gevuld. Op de deksels werden merken aangebracht om aan te geven wie en wat er in de vaten zat.

De markgraaf met de korte neus vermomde zich als koopman en leidde de karavaan, gezeten op de rug van een oude magere klepper. Aan zijn rundlederen laarzen had hij een paar sporen gebonden die zeker dertig jaar oud waren, zijn broek was blauw, aan een leren riem hingen een tas en een mes en op zijn hoofd prijkte een gerafelde doorgezwete hoed - een betere hadden ze nergens kunnen vinden. De schildwachten zagen de stoet al van verre aankomen en in de stad verspreidde zich het bericht dat er een koopman met een grote lading goederen in aantocht was. Wie maar even kon begaf zich naar de stadswallen om die rijkdom met eigen ogen te zien. Toen de stoet voor de stadspoort stilhield, riepen de wachten tegen Willem: "Koopman, wat brengt u?"

"Linnen," antwoordde Willem, "bruin en rood, groen en scharlaken linnen. Wij hebben helmen en pantsers, maliënkolders en schilden, zwaarden en speren, u kunt zelf uitzoeken. Ook hebben we saffraan en kwikzilver, aluin en peper, pelzen en lederwaren. Sta ons toe tot morgenmiddag te blijven, want wij willen graag uitrusten en zoveel mogelijk van onze waren verkopen."

"De poort staat open," zeiden de wachten. "U kunt de stad binnenkomen. U hebt juist dat bij u waar wij behoefte aan hebben."

De karavaan zette zich in beweging. De ossen trokken aan en rammelend reden de karren de stad binnen. De houten wielen ratelden over de keien, overal gingen vensters open en er was geen huis waaruit geen nieuwsgierige naar buiten keek. In drommen liepen de mensen, elkaar verdringend en schreeuwend, met de karren mee.

Willem bracht de karavaan rechtstreeks naar de voorhof van het paleis. Daar sprong hij van zijn paard en verzocht bij de koning gebracht te worden om toestemming voor de verkoop van zijn waren te vragen. Men bracht hem naar koning Otranta en deze begon hem uit te horen: "Vanwaar komt u, waarde koopman?"

"Heer," zei Willem en boog, "ik kom uit Engeland."

"En waar hebt u al die rijkdommen vandaan?"

"Dat zal ik u zeggen, heer," antwoordde Willem. "Ik ben door vele landen gekomen. Ik heb ingekocht in Frankrijk en in Lombardije, in Calabrië, Duitsland en in Toscane, in Spanje en in Normandië, ik was in Engeland en ook in Schotland. Overal ben ik bekend. Ook in de paleizen van Venetië kent men mij als was ik een van hen."

"Geen wonder," verzuchtte de koning, "dat u meer rijkdommen bezit dan ik."

Willem ging verder met het beschrijven van zijn reizen en de koning hoorde toe. Plotseling viel hem Willems neus op en hij viel hem in de rede: "Koopman, hoe komt u aan dat litteken op uw neus? Dat moet een grote wond zijn geweest! Wie heeft u dat aangedaan? Zo'n neus heeft Willem, de raadgever van de Franse koning Lodewijk, ook. Ik wou dat die voor mij stond in plaats van u. Hem zou ik een lesje geven! Hij helpt de Franse koning die mijn vijand is. Zonder zijn hulp was Lodewijk zijn kroon en rijk allang kwijt geweest."

"Heer," zei Willem haastig, "ik zal u vertellen hoe ik aan dat litteken ben gekomen. Het is geen geheim: als kleine jongen heeft een vriendje mij bij een spelletje per ongeluk met een mes geraakt."

De koning verhief zich met een toornig gezicht, stond Willem een tijdlang met gefronste wenkbrauwen aan te kijken, kwam een schrede dichterbij en zei wantrouwend: "Koopman, als u zo rijk bent als u beweert, waarom gaat u dan zo belachelijk gekleed? Waarom dragen uw mensen grove laarzen en jassen vol gaten? Zonen van rijke kooplieden plegen niet met ossenwagens te rijden!"

Hij kwam nog dichterbij, pakte Willems witte baard beet en gaf daar zo'n heftige ruk aan dat hij een handvol haar in zijn hand hield. Willem deed een stap achteruit en riep: "Ik zal u zeggen waarom mijn mensen laarzen van rundleer en jassen met gaten dragen, waarom ik een blauwe broek, een gerafelde hoed en dertig jaar oude sporen draag. Ik ben Willem, de markgraaf met de korte neus en ik ben niet iemand die men ongestraft kan beledigen!"

Hij liep de zaal uit, zette zijn hoorn aan de mond en blies drie keer. Het geschal van de hoorn was in de hele stad te horen. De verborgen mannen hoorden het ook, grepen hun zwaard, stieten de deksels van de vaten, sprongen van de karren en lieten de krijgsroep van de Franse koning horen.

De Saracenen waren zo verrast, dat ze geen tijd kregen de paarden te zadelen, laat staan hun wapenrustingen aan te doen. Zo veroverde Willem de stad Nimes in een handomdraai. Zijn mannen bezetten de torens van de stadsmuur en drongen het paleis binnen. Daar vonden ze zulke grote voorraden kaas, wijn en andere voedingsmiddelen en dranken, dat de stad daarmee een beleg van zeker zes jaren had kunnen doorstaan.

Ze bezetten de wallen, openden de stadspoorten en staken de trompetten. Op dit sein stormden de resterende ridders en ruiters, die zich in een nabijgelegen bos hadden schuilgehouden, de stad binnen. Ze verheugden zich in de overwinning, aten, dronken en zongen en toen de boeren kwamen om hun trekdieren, karren en vaten terug te halen, werden zij rijkelijk onthaald en beloond. Tenslotte zond Willem een ijlbode naar Parijs om de koning de goede afloop te melden. Lodewijk was blij gestemd, aan zijn hof en in het gehele land heerste grote vreugde.

Hier eindigt de geschiedenis van Willem, de markgraaf met de korte neus, die de stad Nimes door een list op de vijand veroverde.


*   *   *

Willem met de korte neus Samenvatting
Een Franse sage over een list van Willem van Oranje. Koning Lodewijk beloont getrouwen met geschenken, alleen de markgraaf Willem van Oranje heeft nog nooit iets van de koning gehad. Wanneer hij zich daarover beklaagd, vraagt Lodewijk wat hij wil hebben. Willem antwoordt dat hij de stad Nimes wil hebben: die is nog bezet door moslims. Met een list dringt hij makkelijk de stad binnen... Lees het verhaal

Toelichting

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach, Emanuel Frynta en Václav Cibula. Met illustraties van Miloslav Troup. Nederlandse vertaling door Han de Boer. Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 20 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook