Op eigen site?
Kunstbedrijf Arnhem
 
Volksverhalen Almanak
 
Zoek een verhaal
 
 
 

 

 
Het Grimm Project - Voorwoord van 1819
  De gebroeders Grimm
     

Sage vergaat nooit geheel, de roemruchtige, die der volk'ren
Sprekende lippen omzweeft, gelijk een godinne onsterfelijk

Hesiodos

Wanneer door storm of een andere ramp, ons door de hemel gezonden, een hele oogst wordt neergeslagen, dan gebeurt het wel dat bij lage heggen of struiken, die aan de kant van de weg staan, er op een beschut klein plekje enkele aren overeind zijn gebleven. Als de zon dan weer goed schijnt, groeien die eenzaam en onopgemerkt verder - geen vroege sikkel zal ze afsnijden voor de grote voorraadschuren; maar in de nazomer, wanneer ze rijp en vol zijn geworden, komen er arme handen die hen zoeken en vinden; aar bij aar zorgvuldig samengebonden, meer gewaardeerd dan anders een hele school, worden ze meegenomen; de hele winter dienen ze je tot voedsel, misschien ook wel tot het enige zaad voor de toekomst.

Zo kwam het ook ons voor, toen wij merkten hoe er van zoveel dat vroeger gebloeid heeft niets meer was overgebleven, zelfs de herinnering eraan nagenoeg verloren was gegaan, behalve onder het volk wat liedjes, een paar boeken, sagen en deze onschuldige sprookjes. De plekjes bij de haard, het keukenfornuis, zoldertrappen, feestdagen die nog gevierd worden, bos en beemd in hun stilte en bovenal de onvertroebelde fantasie zijn de heggen geweest die ze beschut hebben en behoed van periode tot periode.

Het was misschien juist tijd om deze sprookjes op te tekenen, aangezien diegenen, die ze moeten behoeden, steeds zeldzamer worden. Weliswaar kennen zij, die ze nog kennen, er gewoonlijk nogal veel, omdat de sprookjes de mensen overleven en niet andersom - maar het vertellen zelf gebeurt hoe langer hoe minder, net zoals alle verborgen plekjes in huis en tuin, die van grootvader tot kleinkind bleven bestaan, moeten wijken voor het voortdurend wisselen van lege opsmuk, die lijkt op de glimlach waarmee men over deze sprookjes spreekt: hij ziet er voornaam uit, en kost zo weinig. Waar er nog sprookjes zijn, leven zij zo voort, dat men zich niet afvraagt of zij goed zijn of slecht, poëtisch of voor intelligente mensen flauw - men kent ze en houdt van ze, omdat men ze nu eenmaal zo heeft gehoord en men heeft er plezier aan zonder een werkelijke reden. Zo heerlijk is levende traditie, ja ook dat heeft het dichterlijke met al het onvergankelijke gemeen, dat men van haar moet houden, zelfs tegen beter weten in. Overigens zal men gemakkelijk opmerken, dat zij slechts daar is aangeslagen, waar een grotere ontvankelijkheid voor poëzie of een nog niet door de dwalingen des levens uitgebluste fantasie voorhanden was. Daarom willen wij deze sprookjes niet roemen of zelfs tegen een tegenovergestelde opvatting verdedigen: hun pure aanwezigheid is voldoende om hen te beschermen. Iets wat zo vaak en steeds weer opnieuw vreugde schenkt, ontroerd en onderricht heeft, draagt zijn eigen noodzakelijkheid in zich en is zeker uit die eeuwige bron voortgekomen, die al het leven drenkt. Al zou het slechts een enkel druppeltje zijn, gevangen door een klein samengevouwen blaadje, toch glinstert het in het eerste morgenrood.

Daarom zijn deze verhalen innerlijk doortrokken van die zuiverheid, waardoor kinderen ons zo bijzonder en gelukzalig voorkomen; zij hebben als het ware dezelfde blauwachtig-witte, gave, glanzende ogen, die niet meer kunnen groeien, terwijl de andere ledematen nog teer, zwak en voor het gebruik op aarde ontoereikend zijn. Dat is de reden waarom wij door onze verzameling niet alleen de geschiedenis van de literatuur en de mythologie een dienst wilden bewijzen, maar het was tevens de bedoeling dat de po6zie die erin leeft zelf werkt en vreugde geeft aan wie daarvoor ontvankelijk is en dus dat het ook opvoedende waarde zou hebben. Daarom zoeken wij niet die zuiverheid, die bereikt wordt door een vreesachtig uitschakelen van datgene uit het dagelijks leven, dat slaat op bepaalde toestanden en verhoudingen die op geen enkele wijze verborgen kunnen blijven en waarbij men tegelijkertijd in de waan verkeert, dat wat voor een boek uitvoerbaar is ook in het werkelijke leven mogelijk zou zijn. Wij zoeken de zuiverheid in de oprechtheid van een eerlijke vertelling, die niets verkeerds achterhoudt. Daarbij hebben wij iedere, voor de kinderleeftijd niet passende uitdrukking in deze nieuwe druk zorgvuldig geschrapt. Mocht men niettemin hiertegen inbrengen, dat het een en ander ouders in verlegenheid zou kunnen brengen en hun onbetamelijk zou voorkomen, zodat zij dit boek hun kinderen niet in handen zouden willen geven, dan kan deze ongerustheid in enkele gevallen gegrond zijn en kunnen zij gemakkelijk een keuze maken - over het algemeen is dit bij een gezonde situatie zeker niet nodig. Niets kan ons beter verdedigen dan de natuur zelf, die deze bloemen en bladeren in hun eigen kleur en vorm heeft laten groeien; wie dit, om wat voor reden dan ook, niet aanstaat, die kan niet eisen dat zij daarom anders gekleurd of gevormd zouden moeten worden. Ook regen en dauw vallen neer als een weldaad voor alles op aarde; wie er zijn planten niet in durft te zetten, omdat ze te teer zijn en beschadigd zouden kunnen worden en ze liever binnensbuis met water begiet, zal toch niet verlangen dat daarom regen en dauw achterwege moeten blijven. Alles wat natuurlijk is kan echter vruchtbaar worden en daar moeten wij naar streven. Overigens kennen wij geen enkel gezond en krachtig geschreven boek, waardoor het volk gesticht werd, de Bijbel voorop, waarbij zulke bezwaren niet in veel sterkere mate voorkomen. Bij een juist gebruik van deze lectuur ontdekt men echter niets kwaads, maar, zoals een mooie uitdrukking zegt, een spiegel van ons hart. Kinderen wijzen zonder angst naar de sterren, terwijl anderen, naar het volksgeloof zegt, daarmee de engelen beledigen.

Gedurende ongeveer dertien jaar hebben wij deze sprookjes verzameld; het eerste deel, dat in het jaar 1812 verscheen, bevatte hoofdzakelijk datgene wat wij langzamerhand in Hessen, in de Main- en Kinzigstreken van het graafschap Hanau, waar wij vandaan komen, uit mondelinge overleveringen hadden opgetekend. Het tweede deel kwam in het jaar 1814 gereed en dat ging sneller, gedeeltelijk omdat het boek zelf vrienden had gekregen die het steunden toen ze duidelijk zagen wat de bedoeling ervan was; gedeeltelijk omdat het geluk ons gunstig was gezind, het geen toeval lijkt, hoewel dat gewoonlijk volhardende en ijverige verzamelaars bijstaat. Als men zich maar eerst aanwent op dergelijke zaken te letten, dan komt het toch vaker voor dan men meent en dat is ook met gebruiken en gewoonten, gezegden en grappen van het volk het geval. Wij danken de mooie, Platduitse sprookjes uit het vorstendom Münster en Paderborn aan bijzondere goedheid en vriendschap. Het vertrouwelijke van de streektaal met haar innerlijke volledigheid komt hier bijzonder gelukkig naar voren. Hier, in de van oudsher beroemde gebieden van Duitse vrijheid, zijn op vele plaatsen de sagen en sprookjes bewaard gebleven als een bijna geregeld voorkomend vermaak op feestdagen en het land is nog rijk aan overgeërfde gebruiken en liederen. Daar, waar het geschrevene aan de ene kant nog niet door de invoering van het vreemde gestoord of door overlading afgestompt is, aan de andere kant, omdat het er voor zorgt dat het geheugen nog niet mag verzwakken, in het algemeen bij volkeren, wier literatuur onbeduidend is, daar pleegt de overlevering zich als vervanging sterker en onvertroebelder te vertonen. Zo lijkt het ook of Nedersaksen meer dan alle andere streken heeft behouden. Wat zou er in de 15e of ook nog in de 16e eeuw, ten tijde van Hans Sachs of van Fischart, niet een veel volledigere en innerlijk rijkere verzameling in Duitsland mogelijk zijn geweest!

Het was een van die gunstige toevalligheden dat wij in het bij Kassel gelegen dorp Niederzwehrn een boerin leerden kennen, die ons de meeste en mooiste sprookjes van het tweede deel vertelde. Deze vrouw was nog flink en niet veel ouder dan vijftig jaar. Haar gelaatstrekken hadden iets vastberadens, verstandigs en aangenaams en zij keek helder en kwiek uit haar grote ogen. Zij hield de oude sagen stevig in haar geheugen vast en ze zei ook zelf wel, dat deze gave niet aan iedereen was verleend en dat menigeen totaal niets in enige samenhang kon onthouden. Daarbij vertelde zij bedachtzaam, zeker en ongemeen levendig, terwijl zij er zelf vreugde aan beleefde; het begin helemaal vrij, daarna, indien men dit wilde, nog eens langzaam, zodat men het na enige oefening kon opschrijven. Veel is er op die wijze woordelijk vastgelegd en zal door zijn waarheid opvallen. Wie als regel denkt aan lichte vervalsing bij het overdragen, slordigheid bij het onthouden en daardoor aan de onmogelijkheid dat iets lang intact blijft, die zou hebben moeten horen hoe precies zij zich steeds aan de vertelling hield en hoeveel waarde zij hechtte aan de juistheid ervan. Zij veranderde nooit iets hij een herhaling en verbeterde een vergissing midden onder het spreken, zodra zij die bemerkte. De verknochtheid aan het overgeleverde is bij mensen die met dezelfde levenswijze onveranderlijk voortgaan sterker dan wij, die tot verandering geneigd zijn, kunnen begrijpen. Juist daarom heeft dit alles, dat zo vaak zijn waarde bewezen heeft, een zekere overtuigende intimiteit en innerlijke degelijkheid, waar iets wat uiterlijk veel schitterender kan lijken niet zo licht aan toekomt. De epische grondslag van de volksverhalen gelijkt op het door de hele natuur in velerlei schakeringen verbreide groen, dat verzadigt en kalmeert, zonder ooit te vermoeien.

Behalve de sprookjes van het tweede deel ontvingen wij nog ettelijke aanvullingen op het eerste en verbeteringen van daarin voorkomende vertellingen, eveneens uit dezelfde of soortgelijke bronnen. Hessen, als bergachtig land, ver van de grote wegen en voornamelijk agrarisch, heeft het voordeel de oude gebruiken en overleveringen beter te kunnen behoeden. Een zekere ernst, een gezonde, flinke en dappere aard, die in de geschiedenis niet onopgemerkt zal blijven, zelfs de rijzige en goedgevormde gestalte der mannen in deze omgeving, die de eigenlijke woonplaats der Chatten was, zijn op deze wijze bewaard gebleven. Het gebrek aan comfort en elégance in tegenstelling tot andere landen, dat men bijvoorbeeld uit Saksen komend, heel spoedig opmerkt - lijkt eerder een winstpunt. Dan ondervindt men ook, dat de weliswaar ruigere, maar vaak verrukkelijke omgeving evenzeer hij het geheel behoort als een zekere strengheid en soberheid in de levenswijze. In ieder geval moeten de Hessen tot die volkeren van ons vaderland gerekend worden, die ondanks alle veranderingen in de loop der tijden, het meest zowel aan hun oude woonplaatsen als aan het karakteristieke van hun wezen hebben vastgehouden.

Wat wij tot nog toe voor onze verzameling verworven hadden, wilden wij bij de tweede druk in het boek opnemen. Daarom werd het eerste deel bijna geheel omgewerkt, het onvolledige gecompleteerd, veel ook eenvoudiger en zuiverder verteld en er zullen niet veel stukken te vinden zijn die niet in een betere vorm verschijnen. Datgene wat ons verdacht voorkwam, in die zin dat het mogelijkerwijze van vreemde oorsprong of door toevoegingen vervalst had kunnen zijn, is nog eens onderzocht en eventueel verwijderd. Daarentegen zijn er nieuwe stukken opgenomen, waaronder ook bijdragen uit Oostenrijk en Bohemen, zodat men veel zal kunnen vinden wat tot dusverre geheel onbekend was. Voor aantekeningen werd ons vroeger maar weinig ruimte gelaten; bij de grotere omvang van het boek nu moesten wij daarvoor een speciaal, derde deel bestemmen. Hierdoor is het mogelijk geworden niet alleen datgene wat wij vroeger node weglieten, mede te delen, maar ook nieuwe, hierbij behorende paragrafen toe te voegen, die, naar wij hopen, de wetenschappelijke waarde van deze overleveringen nog duidelijker zullen maken.

Wat onze wijze van verzamelen betreft: het is ons in de eerste plaats om nauwgezetheid en waarheid begonnen. Wij hebben er namelijk niets van onszelf aan toegevoegd, geen situatie of trekje van een sage verfraaid, maar hun inhoud zo weergegeven als wij die hadden ontvangen. Dat de wijze van uitdrukken en uitvoering in details grotendeels van ons stamt is vanzelfsprekend, wij hebben echter iedere eigenaardigheid die wij merkten getracht te behouden, om ook in dit opzicht de verscheidenheid der natuur in onze verzameling te laten uitkomen. Ieder die zich met soortgelijk werk bezighoudt zal overigens begrijpen, dat dit niet een slordige en argeloze opvatting kan worden genoemd, integendeel. Er is aandacht voor nodig en een fijn gevoel, dat men zich pas op den duur verwerft, om het eenvoudigere, zuiverdere en toch in zichzelf volmaaktere van het vervalste te onderscheiden. Wij hebben verschillende lezingen die elkaar aanvullen samengevoegd tot een, althans wanneer er dan geen tegenstrijdigheden geschrapt behoefden te worden; indien zij echter van elkaar afweken - waarbij dan ieder gewoonlijk zijn eigen karakteristieke trekjes had - hebben wij de voorkeur gegeven aan de beste en de andere bewaard voor onze aantekeningen. Deze afwijkingen schenen ons namelijk merkwaardiger toe dan diegenen vinden, die daarin slechts wijzigingen en misvormingen van een oorspronkelijk oerbeeld zien, omdat het integendeel misschien alleen pogingen zijn, iets wat louter in de geest aanwezig en onuitputtelijk is, langs velerlei wegen te benaderen. Herhalingen van afzonderlijke zinnen, trekjes en inleidingen zijn te beschouwen als epische aanzetten, die, zodra de toon die ze in beweging zet weerklinkt, steeds terugkeren en zij zijn eigenlijk niet op andere wijze te begrijpen.

Aan een bepaalde streektaal hebben wij ons bij voorkeur gehouden. Wanneer dat overal mogelijk was geweest, zou de vertelling daarbij zonder twijfel hebben gewonnen. Er is hier sprake van een situatie waarin het peil van ontwikkeling, de verfijning en de kunst van het taalgebruik een figuur slaat en men voelt dat een gelouterde schrijftaal, hoe bruikbaar voor andere doeleinden ze ook moge zijn, helderder en duidelijker maar ook smakelozer is geworden en dat zij niet meer zo goed bij de kern aansluit. Jammer dat de streektaal zowel van Nederhessen in de buurt van Kassel, als van de grensplaatsen in het oude Saksische en Frakische Hessenland een vage en niet als zuiver te beschouwen vermenging is van het Nedersaksisch en het Hoogduits. In deze zin bestaat er naar wij menen geen andere verzameling van sprookjes in Duitsland. Of het ging om een paar toevallig bewaard geblevene, die men publiceerde, of men beschouwde ze louter als ruw materiaal om er grotere verhalen van te maken. Wij verklaren ons juist tegenstanders van zulke bewerkingen. Weliswaar ligt er in al het levende gevoel voor literatuur een poëtisch scheppen en verder ontwikkelen besloten, zonder welke ook een overlevering iets onvruchtbaars en doods zou zijn; ja, juist dit is tevens oorzaak waarom iedere streek op haar manier en iedere mond anders vertelt. Maar toch is er een groot verschil tussen die halfbewuste, op het stille voortgroeien van planten gelijkende en in de directe levensbron gedrenkte ontplooiing, en een opzettelijke bewerking die alles naar willekeur aan elkaar knoopt of ook lijmt. Dat laatste is nu juist wat wij niet kunnen goedkeuren. Dan zou de enige norm zijn, de van zijn ontwikkeling afhankelijke, op dat moment juist predominerende opvatting van de schrijver, terwijl bij een natuurlijke ontwikkeling de geest van het volk in alle onderdelen heerst en het vóórdringen van aparte voorkeuren niet gedoogt.

Kent men de overleveringen wetenschappelijke waarde toe, d.w.z. geeft men toe dat er opvattingen en scheppingen uit de oertijd in hun behouden zijn gebleven, dan spreekt het vanzelf dat deze waarde door zulke bewerkingen bijna altijd vernietigd wordt. Alleen, de poëzie wint er niets bij; want waar zou die anders leven dan daar waar zij de ziel raakt, waar zij werkelijk verkoeling brengt en verfrist, of verwarmd en sterkt? Maar iedere werking van deze verhalen, die hun eenvoud, onschuld en onopgesmukte zuiverheid wegneemt, rukt hen weg uit de omgeving waar ze thuishoren en waar men er steeds weer om vraagt zonder er genoeg van te krijgen. In het beste geval kan het zijn, dat men finesse, geest en in het bijzonder humor die het belachelijke van de tijd erbij betrekt, daarvoor in de plaats geeft; een fijnzinnige schildering van het gevoel, die een door de literatuur van alle volkeren gevoede beschaving niet al te moeilijk zal vallen. Maar dit geschenk heeft meer glans dan nut, het houdt rekening met het eenmalige horen of lezen, waaraan onze tijd gewend is en waartoe de aantrekkelijkheid geconcentreerd wordt en bijgevijld. Bij herhaling echter vermoeit de geestigheid ons, terwijl het blijvende iets rustigs, stils en zuivers is. Bij zulke bewerkingen lijkt de geroutineerde hand op die ongelukkig begiftigde, die alles wat hij aanraakte, ook spijzen, in goud veranderde, waardoor hij temidden van alle rijkdom onze honger en dorst niet kan stillen. Zelfs wanneer uit louter verbeeldingskracht de mythologie met haar beelden er bijgehaald wordt, hoe kaal, innerlijk leeg en vormloos ziet alles er dan uit, ondanks de mooiste en krachtigste woorden! Overigens zij dit alleen tegen zogenaamde bewerkingen opgemerkt, die de bedoeling hebben sprookjes te verfraaien en dichterlijker uit te dossen, niet tegen een vrije opvatting ervan om te komen tot eigen, bij de tijd passende verhalen; want wie zou er lust hebben de poëzie grenzen te stellen?

Wij leggen dit boek in welwillende handen. Daarbij denken wij aan de zegenende kracht die daarin ligt en wij wensen dat het volslagen verborgen blijft voor diegenen, die de armen en bescheidenen deze kruimels der poëzie niet gunnen.

Kassel, 3 juli 1819

Dit voorwoord werd afgedrukt in de tweede uitgave (1819).

 

 

Nieuwste verhaal:
Zoek op internet:


Lees ook:
Nieuwsbrief
inschrijven
voorbeeld Nieuwsbrief voorbeeld
RSS-feed Verhalen
RSS-feed Feesten
RSS-feed Vandaag de dag