TOELICHTING:Het verhaal behoort tot hetzelfde type als
De witte slang en
Het zeehaasje. Zoals Wesselski in zijn "Deutsche Märchen vor Grimm" aangetoond heeft, is de oudste tekst niet anders dan een kopie van een sprookje, dat Albert Ludwig Grimm in zijn in 1809 verschenen "Kindermährchen" uitgegeven had. Literaire oorsprong is verder ook al om deze reden aan te nemen, omdat wij hetzelfde sprookje ook reeds aantreffen in het Perzische "Papegaaienboek", terwijl het motief van het bijeenbrengen van de zaadkorrels door dankbare dieren in het Griekse Psyche-sprookje van Apuleius voorkomt. De beelden uit dit sprookje komen in vele andere sprookjes voor (o.a. het grauwe mannetje in
Het zingende botje).
De versteende wereld: Novalis 'Die Natur ist eine versteinerte Zauberstadt'. Het medelijden, het medegevoel van de domme jongen brengt alles tot leven. Zie ook
De twee broers en
Jorinde en Joringel.
Onderstaand verhaal uit het Olenbergse handschrift, dat waarschijnlijk in 1809 werd opgetekend, is min of meer een samenvatting van "Die drei Königssöhne", een sprookje uit de "Kindermährchen" van Albert Ludwig Grimm (Heidelberg, 1809), hoewel de Grimms dat verhaal niet als brontekst vernoemen. Vanaf de eerste druk verscheen het verhaal in een herwerkte vorm onder de titel "De bijenkoningin'. In de aantekeningen wordt een afwijkend verhaal uit Hessen geschetst, dat de Grimms in 1811 hadden leren kennen via Johann Friedrich Krause. Dit verhaal was in de eerste druk opgenomen onder de titel "Herr Fix und Fertig", maar wegens de grote gelijkenis met het verhaal hier werd het geschrapt. Brentano maakte op het manuscript een verwijzing naar de ridderroman "Vom Edlen Ritter Brissoneto" van Georg Messerschmidt (Straflburg, 1559).
Domoor
De twee oudste koningszonen trekken op avontuur en komen in een woest en wild leven terecht, zodat ze niet naar huis terugkeren. De jongste, die nogal dom is, wil hen zoeken, en als hij ze vindt, bespotten ze hem en vragen, hoe hij met zijn eenvoudig verstand zich door het leven zou willen slaan, als zij, die zoveel slimmer zijn, maar amper het hoofd boven water kunnen houden. Nu gaan ze samen verder en ze komen aan een rnierenhoop. De oudsten wilden die omwoelen en zien, hoe de diertjes met hun eieren in het rond zouden kruipen, maar de jongste broer belette het hen. Daarna kwamen ze aan een meer, waarop eenden zwommen. Ze wilden er enkele van doden en braden, maar Domoor belette het weer. Ten slotte kwamen ze aan een boom waarin een bijennest hing en er zat zoveel honing in, dat hij langs de stam naar beneden droop. Toen wilden de twee oudste broers onder de boom een vuur aansteken, zodat de bijen zouden sterren en zij al de honing konden nemen, maar de jongste hield hen nog eens tegen.
Daarop kwamen ze aan een slot, waar in de stallen alleen maar stenen paarden stonden. Er was geen mens te zien en ze gingen door alle zalen, tot ze aan het einde voor een deur kwamen, waaraan drie sloten hingen. Maar er was wel een luikje in, waardoor men in het vertrek kon kijken. En daardoor zagen ze een oud aardmannetje aan een tafel zitten. Ze riepen het, maar het hoorde hen niet. Ze riepen nog een keer en het hoorde hen nog niet. Toen ze een derde keer riepen, hoorde het hen en kwam buiten. Maar het sprak geen woord. Het behandelde hen wel als zijn gasten en gaf elk een eigen slaapvertrek. 's Morgens vroeg ging het naar de oudste, deed hem teken mee te komen en bracht hem tot voor een plaat, waarop de drie opdrachten geschreven stonden waardoor het slot verlost kon worden. De eerste was, de duizend parels van de koningsdochter te zoeken, die in het bos onder het mos verstrooid lagen. Maar als er ook maar één parel ontbrak, zou hij in een steen veranderen. De oudste ging er naar toe en zocht de hele dag. Maar toen de zon onderging, had hij er slechts 100 gevonden en hij werd een steen. De tweede broer verging het ook zo, hoewel die er toch 200 bij elkaar had. Bij de derde viel het ook niet mee en hij ging op een steen zitten en huilde, omdat hij toch niet geloofde dat hij ze allemaal zou vinden. Toen kwam de mierenkoning en vroeg wat hem scheelde en hij beloofde hem hulp en kwam met 5000 mieren. Die hadden de parels al gauw in het mos gezocht, zodat er geen enkele meer ontbrak.
De tweede opdracht was, de slaapkamersleutel van de koningsdochter uit het meer te halen. Daarbij krijgt hij nu hulp van de eenden. De derde opdracht was de allermoeilijkste: hij moest namelijk onder de drie slapende zusters de liefste en jongste koningsdochter uitzoeken. Ze geleken heel erg op elkaar en waren door niets te onderscheiden, behalve dat de eerste een stuk suiker gegeten had, de tweede stroop en de derde, de jongste, een lepel honing, zodat hij dus aan hun adem moest herkennen, welke van de drie de honing gegeten had. In deze nood komt de bijenkoningin aangevlogen en zij gaat op de mond van de rechtse zitten, nadat ze eerst de anderen geprobeerd heeft. Toen zei de koningszoon tot het aardmannetje, dat het die was en op hetzelfde ogenblik is alles verlost en hij huwt de koningsdochter en zijn broers huwen de anderen.