TOELICHTING:Van Frau Viehmann uit Zwehern. Er zijn andere versies van dit sprookje. In één verhaal moeten de broers twintig 'Steigen' linnen halen in een notedop. De een trekt naar Holland (het Westen), de tweede naar Silezië, de derde gaat het bos in. Daar valt een noot van de boom waar het linnen in zit. Zie onderstaande variant uit het Olenbergse handschrift (Domoor, versie 2).
In het sprookje van Grimm gaat ook één zoon naar het westen, één naar het oosten en de derde gaat de diepte in. Zie ook
De twee gebroeders en
Het zingende botje.
Het sprookje is in Europa zeer verspreid; de oudste bekende vorm staat in het "Mondi" getitelde werk van de Italiaan Antonfrancesco Doni, dat omstreeks 1550 verscheen; hieruit wil Wesselski "Versuch einer Theorie des Märchens" blz. 131-134, de volksoverlevering afleiden. Het Duitse sprookje wijkt van het Italiaanse verhaal daarin af, dat in plaats van een kikker een pad gezet is en dat het motief van de drie veren is toegevoegd. De pad is verwant aan de kikker, zie
De Kikkerkoning of IJzeren Hendrik. Het wegblazen van een veer vindt men in de Duitse taal in uitdrukkingen die verband houden met reizen: 'Wo wird er seine Feder hinblasen?' - 'Waar zal hij heen gaan?'. Ook bestaat er een oud Duits volksgebruik om een veer in de lucht te blazen, als men niet wist welke kant men zou uitgaan.
Steunend op een aantekening uit 1822, die zegt dat sprookjes met dit motief vaak te horen zijn in Hessen, kunnen we vermoeden dat het werd verteld door iemand van de familie Wild. Wilhelm heeft de onderstaande fragmentarische tekst uit het Olenbergse handschrift blijkbaar alleen als een schets of als een variant opgevat, want hij heeft er niet eens een titel bovengezet. Het is Jacob Grimm geweest die alle sprookjes rond dit thema onder de noemer Domoor geplaatst heeft.
In de eerste druk werd deze tekst weergegeven als aantekening bij nr. 64 III "De drie veren". Vanaf de tweede druk werd ook die versie verdrongen door een versie van Dorothea Viehmann uit Zwehrn, en kwam alles terecht in de aantekeningen bij nr. 63.
Domoor (versie 1)
Er was eens een jongen, die Hans heette. Die was zo verschrikkelijk dom, dat zijn vader hem de wijde wereld in jaagde. Hij loopt voor zich uit, tot hij aan de oever van de zee komt. Daar gaat hij zitten en lijdt honger. Er komt een lelijke pad naar hem toe en kwaakt: "Sla je armen om mij heen en laat je wegzinken". Zo komt ze tweemaal. Hij weigert, maar als ze een derde keer komt, volgt hij haar. Hij zinkt naar beneden, komt in een mooi slot onder de zee. Hier dient hij de pad. Ten slotte beveelt ze hem, met haar te vechten en hij vecht met haar, en de lelijke pad wordt een mooi meisje en het slot met al zijn tuinen staat op de aarde. Hans wordt verstandig, gaat naar zijn vader en erft zijn rijk.
Een andere tekst uit het Olenbergse handschrift. Hier is er geen zekerheid betreffende de informant, maar uit de papiersoort die Jacob heeft gebruikt kan afgeleid worden dat hij de tekst heeft verkregen via de familie Hassenpflug. De varianten aan het slot werden ontleend aan de optekeningen van Friederike Mannel uit 1809. In de eerste druk stond deze versie bij de aantekening van nr. 64 (De drie koningszonen, zie onderaan de pagina).
Domoor (versie 2)
Er was eens een koning, die had drielingszonen en hij wist niet aan wie hij het rijk moest overlaten. Daarom gaf hij hun drie appels, die moesten ze weggooien, en diegene wiens appel het verst vloog, die zou het rijk erven. Maar toen nu de appel van de derde, die erg dom was, het verst vloog, wou de koning hem zijn recht toch niet geven en zei, dat diegene die hem twintig keer twintig el lijnwaad in een notedop kon brengen, zijn erfgenaam zou worden.
De ene reist naar Holland, de tweede naar Silezië, waar fijn lijnwaad moet zijn, de domme gaat naar het bos. Plots valt uit een boom een notedop, met al het lijnwaad erin. Nu stelt de koning steeds opnieuw andere eisen, altijd met hetzelfde resultaat, een hond te zoeken die door de trouwring van de koning springt.
drie tallen garen, die door het oog van een naald gaan. ten slotte de mooiste koningsdochter te halen.
Varianten: wie het beste parfum meebrengt, zal het bezit van de koning erven. De domme komt aan een huis, waar een kat voor de deur zit. "Waarom ben jij zo droevig?" - "Ach, jij kan me toch niet helpen". - "Nu, luister toch, wie weet, vertel het me maar een keer." - "Wel, ik moet enz." De kat zegt: "Als je mij (hier eindigt het handschrift - J.V.)."
Onderstaande versie is de versie zoals verschenen in de eerste druk. Het vermoeden bestaat dat iemand van de familie Wild de informant is geweest, temeer omdat Wilhelm Grimm het heeft opgetekend. Vanaf de tweede druk wordt deze versie verdrongen door die van Dorothea Viehmann uit Zwehrn (De drie veren) en ze verhuist naar de aantekeningen bij KHM 63.
De drie koningszonen
Een koning had drie zonen en ieder van hen moest de wijde wereld in trekken en diegene die hem het fijnste linnen bracht zou na hem regeren. Hij ging voor zijn paleis staan en blies drie veren de lucht in. De streken waar die naar toe vlogen, daarheen moesten ze trekken. Een vloog naar het westen, de oudste zoon volgde die. Een vloog naar het oosten, de tweede zoon volgde die. Maar de derde veer viel op een steen niet ver van het paleis. Toen lachten de beide oudste prinsen Duimpje uit, omdat hij daar moest blijven en het linnen bij de steen moest zoeken. Duimpje ging op de steen zitten en hnilde. Doordat hij zo heen en weer wiebelt, verschuift de steen en er ligt een marmeren plaat met een ring onder en hij heft ze op. Enkele treden leiden naar beneden. Hij volgt die en komt in een mooi gewelf, waar een mooi meisje zit, dat ijverig spint. Hij klaagt haar zijn leed en zij spint voor hem van het allerfijnste linnen, en zegt hem naar boven te gaan en het naar zijn vader te brengen. Als hij boven komt, zijn zijn broers ook al daar met hun linnen, maar het zijne wordt het fijnste gevonden. De broers nemen daar toch geen genoegen mee, en de koning blaast opnieuw drie veren de lucht in en verlangt het mooiste tapijt. De twee oudste broers trekken weer naar het westen en het oosten. Duimpjes veer valt weer op een steen. Hij aarzelt niet om naar beneden te gaan, waar hij het jonge meisje bezig ziet aan een wondermooi tapijt. Dat brengt hij naar boven en het is mooier dan die van zijn broers. Opnieuw worden veren de lucht in geblazen. Ieder van hen moet proberen de mooiste vrouw te krijgen. Als Duimpje beneden komt, zegt het meisje hem, dat hij maar verder in het gewelf moet gaan, tot in het gouden vertrek, daar zal hij de mooiste vrouw vinden. Hij haast zich er naar toe en opent een vertrek, dat schittert van goud en edelstenen, maar er zit geen vrouw, wel een verschrikkelijk lelijke kikker. Toch trekt hij zijn stoute schoenen aan en draagt hem naar boven naar een vijver in de buurt, waar hij hem ingooit. Maar op het ogenblik dat de kikker het water aanraakt, verandert hij in de mooiste vrouw die ooit geleefd heeft. En nadat de koning al voor haar gekozen heeft, willen de andere prinsen met hun gemalinnen daar geen genoegen mee nemen en zij eisen dat die vrouw de voorkeur moet krijgen, die kan springen tot aan een ring, die hoog in het midden van de zaal hangt. De koning stemt ten slotte toe, en nu proberen ze alle drie er aan te geraken. Maar de beide anderen springen niet hoog genoeg en vallen te pletter. Alleen de dame uit de grot weet er al van bij de eerste poging bij te geraken, en zij schommelt aan de ring, die ze met beide handen vasthoudt. Daarop wordt Duimpje koning en zij koningin.