TOELICHTING:De gouden gans is in de meeste sprookjes een zwaan. In Nederland en Vlaanderen is het sprookje 'Zwaan kleef aan' meermalen opgetekend.
Uit Paderborn en Hessen. In de Paderbornse versie zegt de dwerg: "Hans ga slapen, als je wakker wordt, vind je een slee met een vogeltje ervoor gespannen, daar moet je in gaan zitten." Dit vogeltje met de slee heeft dezelfde eigenschappen als de gans, ieder kleeft eraan. Vergelijk de Edda: Loki die aan de stang blijft plakken, waarmee hij de adelaar wil slaan.
Aan dit sprookje kan men weer duidelijk het talent van Wilhelm Grimm waarnemen, om de tekst te "verbeteren"; terwijl in de eerste druk van het avontuur, dat de tweede zoon ondervond, alleen gezegd wordt: "met de tweede zoon ging het evenzo, alleen slaat hij zich niet in de arm, maar in het been," wordt nu, zoals dat immers in een sprookje gebruikelijk is, de gehele scène woordelijk herhaald.
Het verhaal, met het vermakelijke motief van "plak-aan," is niet alleen in Europa bekend, maar ook door enkele varianten in Azië en Afrika vertegenwoordigd. Vergelijk een Nederlandse (Noord-Brabant) versie van het motief 'Zwaan kleef aan':
De levende himphamp.
Jacob Grimm heeft dit verhaal waarschijnlijk gehoord van de familie Hassenpflug uit Kassel (Hessen): de papiersoort van de handschrift-versie die werd gebruikt en de aantekening van 1822 "een verhaal uit Hessen" wijzen alleszins in die richting. In de eerste druk staat het onder nummer 64 IV in de reeks sprookjes over Domoor. Later wordt er gecontamineerd met een versie van de familie von Haxthausen uit de streek van Paderborn.
Gouden gansEr was eens een man, die had drie kinderen, van wie het jongste dom was. Op een dag zei de oudste: "Vader, ik wil naar het bos gaan om hout te hakken." Maar de vader ried het hem af en zei, dat hij met een verbonden arm zou thuiskomen. Maar hij deed het toch en ontmoette een oud mannetje. Dat sprak hem aan om een stuk te krijgen van de koek die hij bij zich had. Maar hij antwoordde: "Waarom zou ik jou, oude man, wel mijn koek geven!" en daarop ging hij aan het hakken, hakte verkeerd en in zijn arm, zodat hij hem moest verbinden. De tweede vergaat het ook zo. In plaats van in zijn arm te hakken, hakt hij in zijn been.
Nu gaat de derde naar het bos en hij geeft het mannetje zijn koek. Daarop hakt hij de boom af en vindt onder de boom een gouden gans. Die neemt hij en gaat weg en komt in een herberg, waar hij de gans in zijn kamer zet. Maar de drie herbergiersdochters willen maar al te graag een veer uit de gans trekken. De oudste gaat er eerst op af, maar als ze de gans nog maar aanraakt, blijft ze er al aan hangen. Nu komt de tweede en die wil ook een veer hebben en hoewel de oudste het haar afraadt, helpt het niet en zij blijft ook hangen. Zo ook de derde. De volgende morgen neemt de jongen de gans onder zijn arm en gaat weg en de drie herbergiersdochters slepen er achteraan. Onderweg ontmoeten ze de pastoor en die schimpt op hen, dat ze de jongeman nalopen en doordat hij de ene bij de hand grijpt, blijft hij ook hangen, en hij moet mee verder. Ondertussen komt de koster en zegt: "Wel, beste pastoor, waar naartoe?" en blijft aan de pastoor hangen en zo trekt alles samen verder.
Hierop komt hij in een stad aan, waar een koning regeerde, die zo een ernstige dochter had, die niemand aan het lachen kon brengen. Daarom had die koning een wet uitgevaardigd, dat diegene die haar kon doen lachen, haar zou huwen. Toen nu de jongeling daarvan hoorde, ging hij met zijn gans voor de koningsdochter en zij begon luid te lachen om de hele sliert.
Daarop eiste hij van de koning de bruid, maar die had bezwaren en zei, dat hij hem eerst een man moest brengen die een kelder vol wijn kon uitdrinken, anders zou hij de bruid nooit krijgen. Bedroefd ging hij weg en kwam in het bos weer aan de boom. Daar zag hij een man zitten die een droevig gezicht opzette. En hij vroeg hem: "Waarom ben je zo bedroefd?" - "Wel, ik heb zo'n verschrikkelijke dorst en ik kan nooit genoeg te drinken krijgen." - "Kom met me mee, ik zal je ergens naar toe brengen, waar je genoeg krijgt." Hij nam hem mee en de man dronk de hele kelder in één keer leeg.
Nu eist de koning een man die een hele berg brood kan eten. Hij vindt weer een mannetje dat klaagt, nooit genoeg te eten te krijgen enz. De koning eist nu een schip dat zich te land en te water kan voortbewegen. Ook daaraan helpt het aardmannetje hem en nu huwt hij de mooie koningsdochter.