TOELICHTING:Uit Zwehern. Dit sprookje is een variant van
Het zingende springende leeuwerikje. Het is verder met allerlei bijkomstige motieven versierd, zoals het betoverde paddenkasteel en de hindernissen op de reis; de glazen berg en de scherpe zwaarden, waarover de prinses moet gaan, behoren anders bij de beschrijving van de weg naar de dodenwereld. Het spreken met de vader, het kussen van de moeder, kortom het teruggaan naar het verleden is in de sprookjes een kwaad. De tocht over de glazen berg, zie
De zeven raven,
De raaf en
De trommelslager. Volgens Grimm duidt de ijzeren kachel op de onderwereld waarbij ijzeren, via het woord eitofan op vuuroven zou duiden. Het teruggaan naar de vaderwereld en weer opnieuw het bos ingaan naar het kleine huisje duidt volgens sommigen op het reïncarnatieproces.
Onderstaand fragment uit het Ölenbergse handschrift werd in 1807 in Kassel opgetekend naar een mondelinge vertelling van Gretchen Wild. De variant die volgt op de tekst werd nooit voor de KHM gebruikt en men tast in het duister, wie de informant geweest zou zijn. Qua motief vertoont dit stuk enige gelijkenis met KHM 88 (
Het zingende, springende leeuwerikje). Vanaf de tweede druk komt de handschriftversie van "Prins Zwaan" alleen nog maar voor in de aantekening bij het sprookje van "De ijzeren kachel" (KHM 127) dat de Grimms in 1813 via Dorothea Viehmann hadden leren kennen. Er bestond ook nog een versie uit de Mainstreek, die door Jeanette Hassenpflug was bijgedragen en die in de eerste uitgave onder nummer 66 "Hurleburlebutz" was afgedrukt.
Zwanenprins
Toen nu het meisje midden in het dichte bos kwam, ontmoet ze een sneeuwwitte zwaan. Die had een kluwen garen en zei tot het meisje: "Ik ben een betoverde koning, maar je kan mij verlossen, als je dit kluwen garen afwikkelt. Maar als je het stukbreekt, dan kom ik niet in mijn koninkrijk en word ik niet verlost." Dadelijk nam het meisje het garen in haar handen. De zwaan steeg langzaam in de lucht omhoog en het garen wikkelde zich gemakkelijk af. Zo stond het meisje de hele dag en rolde het kluwen af. Het begon al avond te worden en het einde van de draad was al te zien, toen hij plotseling afbrak. Het meisje ging zitten en huilde bitter. Ondertussen was het nacht geworden, de sterretjes schitterden aan de hemel, en de wind waaide in het donkere bos. Lang dwaalde ze rond, tot ze uiteindelijk in de verre een lichtje in het oog kreeg. Moeizaam sleepte ze zich tot daar. Toen stond ze voor een klein huisje. Het meisje klopte aan. Een oud moedertje met een vriendelijk gezicht kwam buiten en vroeg wat ze wou. "Ach," zei ze, "geef mij onderdak voor deze nacht en een beetje brood." Toen schrok het moedertje erg en sprak: "Mijn man is een menseneter. Als die thuiskomt en jou vindt, dan is het met je gedaan." Maar ze nam haar toch binnen en stopte haar onder haar bed, maar de man kwam al gauw thuis en hij rook het: "Ik ruik, ruik mensenvlees," sprak hij en trok haar van onder het bed te voorschijn. Door veel smeken kon het moedertje ten slotte verkrijgen, dat ze de hele nacht nog zou blijven leven. Nog voor het nu ochtend werd en terwijl de menseneter nog sliep, riep het moedertje het meisje en zei: "Ga, haast je om weg te komen, voor mijn man wakker wordt. Hier schenk ik je een gouden spinnewieltje. Hou dat in ere. Ik heet Zon." Daarop ging het meisje weer de wildernis in, de hele dag door. 's Avonds kwam ze weer aan een huisje. Daar was alles net zoals in het andere. Het moedertje gaf haar bij het afscheid een goud spintol en zei: "Ik heet Maan." Op de derde dag overkomt haar weer allemaal hetzelfde. Het derde moedertje gaf haar een gouden haspeltje en zei: "Ik heet Ster." Maar dan zegt het moedertje verder nog tot het meisje: "Hoewel de draad afgebroken was, was de zwanenprins toch al zover, dat hij in zijn rijk kon geraken. Hij is verlost en woont in grote heerlijkheid op de glazen berg. Deze avond zal je daar aankomen, maar een draak en een leeuw bewaken hem, neem daarom dit spek en dit brood. Werp dat de beide monsters in hun muil, dan zullen ze je doorlaten." Zo gebeurde het ook allemaal. Het meisje kwam aan het slot, maar ze kon niet bij de koning komen. Toen ging ze voor de slotpoort zitten en spon op haar gouden spinnewieltje. De koningin kwam buiten en wou het spinnewieltje hebben. Het meisje beloofde het haar, als ze wilde toestaan dat ze een nacht naast de slaapkamer van de koning doorbracht. Maar dit vertrek was zo ingericht dat de koning alles kon horen wat daarin gezegd werd. Het meisje nam een harp die in het vertrek stond en zong de hele nacht:
Denkt koning Zwane
nog aan zijn beloofde Juliane
die is gegaan door zon maan en sterren,
door leeuwen en draken,
wil koning Zwane dan helemaal niet ontwaken?
Maar de koning ontwaakte niet, want de listige koningin had hem een slaapdrank gegeven.
De volgende morgen zat het meisje voor het slot en spon met haar gouden spintol. Die wou de koningin weer hebben en het meisje beloofde hem haar onder dezelfde voorwaarden. Het meisje zong de hele nacht, maar de koning had weer een slaapdrank gekregen. De derde morgen haspelde ze op het gouden haspeltje, en ook dat gaf het meisje aan de koningin in ruil voor dezelfde toelating en omdat het meisje het bedrog gemerkt had, overreedde ze de dienaar, de koning iets anders te drinken te geven. En toen ze nu 's nachts begon te zingen, hoorde de koning onmiddellijk haar stem en hij herkende haar. Dolgelukkig kwam hij naar het meisje en ze werd zijn gemalin, nadat de koningin zelf gezegd had, dat de oude teruggevonden sleutel moet verkozen worden boven de nieuwere.
In een andere, gewone inkleding van dit sprookje staat hoe de prins is veranderd in een duif die naar de Rode Zee moet vliegen, en hij belooft zijn geliefde elke zeven stappen een wit veertje met een rood bloeddruppeltje te laten vallen, zodat ze hem zou kunnen volgen. Ten slotte vindt ze er geen meer. Dan gaat ze verder en komt aan de sterren. Aan hen vraagt ze: "Sterren, jullie kunnen zo ver kijken, hebben jullie geen duif zien vliegen?" "Neen," antwoorden ze, maar ze geven haar een klein doosje, dat ze in nood moet openen. Ze komt aan de maan: "Maan, jij schijnt elke nacht, heb jij geen duif zien vliegen?" - "Neen." Hij geeft haar een doosje mee voor grotere nood. Ze komt aan de zon: "Zon, jij schijnt over de hele wereld, heb jij geen duif zien vliegen?" - "Neen," en zij geeft een doosje mee voor de grootste nood. Ze komt bij de wind: "Wind, jij waait door alle bomen, heb jij geen duif zien vliegen?" De zuidenwind heeft een duif zien vliegen en de vader der winden geeft haar een noot en verwijst haar naar de grijpvogel. Die zit aan het strand van de Rode Zee en zal haar naar de overkant dragen, maar midden in de zee moet ze de noot laten vallen, dan groeit er een boom uit, zodat de grijpvogel daarop kan uitrusten.
Zo gebeurt het. In de doosjes zitten kleren met sterren, maan en zonnestralen. Die geeft ze één na één aan de tweede gemalin, telkens om één nacht bij de koning te mogen slapen.