TOELICHTING:Uit Paderborn. Samengesteld uit mondelinge overleveringen en varianten in de literatuur.
Over heel Europa bekend en reeds vroeg in de literatuur behandeld. Wilhelm Grimm heeft zijn tekst opgesteld met behulp van een paar oude kluchten, de een van Albrecht Dietrich, de ander van Jacob Ayrer, beide uit het jaar 1618. Maar het verhaal is al ouder, want reeds in de 15de eeuw bestond er in Engeland een gedicht met hetzelfde thema "Jak and his step dame," waarvan in 1528 een Nederlandse vertaling in het door Boekenoogen (Leiden 1905) uitgegeven op rijm gestelde volksboek "Van den Jongen geheeten Jacke" gemaakt werd. Door bemiddeling van een Duitse vertaling werd dit Nederlandse volksboek weer de bron van de beide bovengenoemde blijspelen. Verschillende motieven verraden ook de literaire herkomst van het verhaal. Zo herinnert de toverfluit aan de horen van Auberon (de Elfenkoning) en het verzoek om voor de dood aan de galg nog eenmaal te mogen blazen stamt uit de middeleeuwse verhalen van Salomo (vgl. het Duitse speelmanslied "Salman und Morolf").
In twee analoge sprookjes komt in plaats van de jood een monnik voor, die weggelopen is uit een klooster. Voor het dansen in de doornstruik, zie
Vrijer Roland.
Sprookjes van de jood als vrek, zie ook
De goede ruil.
Vergelijk ook met
De herder met de doedelzak en
Jannig en zijn drie wensen.