TOELICHTING:Van Frau Viehmann uit Zwehern. Aan haar verhaal ontbrak het fragment dat het meisje aan de 12 hemden merkt dat zij broers heeft gehad. Dit werd uit een andere versie opgenomen.
Het bos is in sprookjes vaak het beeld voor het leven waarin men de weg moet zoeken (zie de uitdrukking: iemand het bos in sturen). Het getal 12 heeft te maken met de 12 tekens van de dierenriem. Zie Schuurman: 'Er was eens... er is nog', hfdst. 14. Het is tevens een oud geloof dat de ziel zich in de gedaante van een vogel kan voordoen (vgl. de Griekse Harpijen).
Het is interessant dit verhaal van de 12 raven te vergelijken met het verhaal van de 7 raven, no. 25 en ook met de 6 zwanen, no. 49. Dezelfde motieven vinden we ook in
Het kind van Maria, no. 3.
In de
Pentamerone van Basile vinden we een soortgelijk sprookje met
7 duiven (4, 8). Bij Asbjörnson is een soortgelijk Noors sprookje te vinden. Zie ook
H. C. Andersen: "De wilde zwanen".
De herkomst van dit verhaal is niet erg duidelijk. In de aantekeningen wordt alleen vermeld dat het afkomstig is uit Zwehern. Hoogst waarschijnlijk hebben de Grimms het via mondelinge overlevering verkregen van de zusters Ramus, die bevriend waren met de Hassenpflugs. Maar er is ook een kleine kans dat het werd verteld door Mevrouw Viehman uit Zwehern, hoewel de eerste verwijzingen naar haar als informant slechts dateren van april 1813. De passage die bij onderstaande Ölenbergse versie in de rand werd aangevuld nl. dat het meisje naar haar broers vraagt, doordat ze bij de grote was de twaalf kinderhemden ziet, is afkomstig uit een andere vertelling uit Hessen, die voor de rest tamelijk gebrekkig geacht werd.
De twaalf broers en het zusjeEr was eens een koning en een koningin, die hadden samen twaalf kinderen, die waren allemaal jongens. En de koning zei dat wanneer het dertiende kind een meisje zou zijn, hij al zijn twaalf zonen zou doden, maar wanneer het weer een zoon zou zijn, zou hij ze laten leven. Dit stemde de koningin heel droef, want ze hield van haar twaalf zonen met heel haar hart. Ze ging naar haar twaalf zonen en zei tot hen: "De koning, jullie vader, heeft gezegd dat, wanneer ik een meisje krijg, hij jullie allemaal zal doden, maar wanneer het een broertje is, hij jullie zal laten leven". En de moeder gaf hun een goede raad en zei: "Mijn allerliefste kinderen, ga naar het bos en als het een zoontje is, zal ik boven op de toren een witte vlag opsteken. Maar is het een dochtertje, dan steek ik een rode omhoog. Zo kan vader jullie toch niet doden". De twaalf kinderen gingen dus naar het bos en keken elke dag naar het slot en geen enkele keer zagen ze een vlag wapperen. Maar op een dag zagen ze een rode vlag wapperen en ze werden echt woedend dat ze ter wille van een meisje allemaal hadden moeten sterven. Ze zwoeren dat ze in het bos zouden leven en uitkijken naar elk meisje dat kwam en het ombrengen. Elke dag gingen elf broers op jacht en om beurten moest altijd één van hen thuisblijven en koken en het huishouden doen.
En het zusje was helemaal alleen thuis en op een dag verveelde ze zich. Daarom ging ze uit en kwam in het bos terecht, en zij kwam op de plek waar haar twaalf broers woonden. Maar die waren allen uitgegaan, behalve de ene die moest koken. En toen hij het meisje zag, wou hij het doden, want dat had hij zo gezworen, maar het meisje smeekte hem, haar leven te sparen. Ze wilde voor hen koken en het huis in orde houden, als hij haar maar liet leven. En gelukkig was het de jongste broer, die kreeg medelijden met haar en beloofde haar leven te sparen. En toen de elf anderen van de jacht thuiskwamen, waren ze verwonderd het meisje levend te vinden, en toen sprak de jongste broer en zei: "Lieve broers, dit jonge meisje is in het bos gekomen en heeft mij zo om haar leven gesmeekt, dat ik gedacht heb, dat ze toch voor ons zou kunnen koken en het huishouden doen. Zo Zouden wij ook alle twaalf samen op jacht kunnen gaan". En.toen gaven de andere broers hun toestemming en sinds die dag gingen ze altijd alle twaalf op jacht en het zusje bleef alleen thuis, dekte de bedden en kookte het eten.
Nu, op een dag, toen de twaalf broers weer uitgegaan waren, ging het zusje in het bos wandelen en ze kwam aan een plek waar twaalf witte lelies stonden. Die waren zo mooi, dat zij ze allemaal plukte. Er was daar een oude vrouw, die sprak: "Ach, mijn dochtertje, waarom heb je de twaalf studentenbloemen niet laten staan? Dat zijn je twaalf broers en die moeten nu allen in twaalf raven veranderd worden". Toen begon het zusje te huilen uit grote droefheid, omdat ze dit gedaan had, en ze vroeg of er dan helemaal geen middel bestond om haar twaalf broers te verlossen. De oude vrouw zei: "Er is er één, maar dat. is erg moeilijk". Het kind zei, dat ze het toch maar moest zeggen. Toen zei ze: "Je moet twaalf volledige jaren stom zijn en geen enkel woord spreken. Zelfs wanneer er nog slechts één uur aan de twaalf jaren ontbreekt en je hebt één woord gesproken, dan is alles tevergeefs en worden je broers nooit verlost".
En op een dag gebeurde het, dat een koningszoon in het bos jaagde. Hij zag het meisje en vroeg haar of ze met hem naar zijn koninkrijk wou komen en met hem trouwen. Ze bleef echter volkomen stil en sprak geen woord. Toen nam hij haar met zich mee en hield bruiloft met haar. Maar de schoonmoeder hield niet van haar en hield haar voor een gemeen meisje. De boze schoonmoeder begon kwaad van haar te spreken bij de koning en over haar de schandelijkste praatjes rond te strooien. En omdat ze zich met geen woord verdedigde, geloofde de koning het ten slotte en hij veroordeelde haar ter dood en beval een groot vuur aan te steken en haar te verbranden. En toen zij aan het vuur stond, was juist het laatste uur van de twaalf jaren verstreken en men hoorde een geruis in de lucht en twaalf raven kwamen aangevlogen. Toen zij de aarde raakten, werden ze twaalf koningszonen. Ze maakten hun zuster los en haar onschuld werd aan het licht gebracht. De boze schoonmoeder werd in een vat kokende olie gestopt, waar giftige slangen in zaten.