TOELICHTING:Dit sprookje is het langste van de sprookjes van Grimm en is bijzonder rijk aan beelden. Het vertoont een vermenging van drie afzonderlijke verhalen: 1. het sprookje van de tovervogel, 2. het sprookje van de drakendoder en 3. het verhaal van de tweelingen. Het wordt echter beheerst door het tweeling-motief.
'Iedere morgen vinden de broers een goudstuk'. Goud is in sprookjes de wijsheid en deze zin houdt verband met de uitspraak: 'Ga maar slapen, de morgen is wijzer dan de avond,' die men in vele sprookjes aantreft. Het opeten van de lever en het hart van een wondervogel vinden we ook in
De groente-ezel. Ook in dat sprookje treft degene die de organen eet iedere morgen een goudstuk onder zijn hoofdkussen aan. Het verhaal van de wondervogel komt reeds voor in de Voorindische sprookjesverzameling Kathâsaritsâgara en was in de 18e eeuw in Europa bekend.
Het motief van het "levensteken" is ook al in de "1001 Nacht" te vinden.
Het motief van de strijd met de draak is van mythologische oorsprong; veel overeenkomsten vertoont de Perzische sage van Goesjtap in het Sjâhnâme van Firdausi.
De motieven van de levensplant (zie ook nr. 121,
De koningszoon die nergens bang voor was) en van de heks die mensen in steen verandert, behoren tot het volksgeloof.
De ene broer gaat naar het oosten, de ander naar het westen. Ze vertegenwoordigen samen de mensheid. De broer die naar het oosten gaat beleeft niet veel, maar... hij redt de andere omdat hij het kwaad doorziet. Zie ook de aantekeningen bij 'Het zingende botje', waar ook twee broers ieder een andere richting opgaan. Opvallend is een tekstuele slordigheid: wanneer de tweeling de wijde wereld intrekt krijgen ze van hun vader een geweer en een hond mee. Die hond komt in de rest van het sprookje niet meer voor: alleen de haas, de vos, de wolf, de beer en de leeuw volgen hen op de voet.
Het tweesnijdende zwaard tussen de tweelingbroer en de prinses symboliseert de kuisheid. Dit motief wordt ook in de Siegfried-sage gebruikt.
In de Pentamerone van Basile vinden we ook al versies van de 'De twee broers', nl. in de verhalen 'Lo mercante' (
De zoons van de koopman, dag 1, vertelling 7) en 'La cerva fatata' (
Het betoverde hert, dag 1, vertelling 9).
'De twee broers' vertoont ook overeenkomsten met de Griekse mythe van
Perseus: niet alleen het doden van de draak en het redden van de prinses (Andromeda), maar ook het veranderen in steen. Verder vinden we overeenkomsten met het Oudegyptische Bata-sprookje (ca. 1250 v. Chr.). Het komt daarnaast in verschillende delen van Azië en Afrika voor.
Men weet niet zeker wie het onderstaande verhaal heeft opgetekend, maar het werd bijgedragen door Friederike Mannel uit Allendorf en staat als aantekening bij KHM 60.
Van Johannes-Watersprong en Kasper-WatersprongEen koning had een prinses die niet mocht trouwen; daarom liet hij voor haar een huis in het bos bouwen. Niet ver daar vandaan was een heilzame bron. Ze liet zich water daarvan geven en dronk het. En het gevolg was dat ze twee prinsen baarde. Ze brengt hen groot, en de koning, aan wie het lang daarna gemeld werd, laat ze het jagen leren. Ze willen nu reizen en krijgen elk van de koning een zilveren ster, een paard en een hond. In een bos mikken beiden op twee hazen, maar die smeken om genade, en beloven hun hulp te bieden, telkens als ze in gevaar zouden verkeren. Op dezelfde wijze krijgen ze elk ook een beer. Aan een tweesprong gingen beiden uit elkaar en ze steken hun messen in een boom daar dichtbij. Als ze langs dezelfde weg weer terugkwamen, zouden ze aan het roest van de messen zien of één van hen dood was. Johannes-Watersprong komt in een stad, waar alles treurt. Hij vraagt naar de reden en ver-neemt dat een prinses aan een draak moet geofferd worden, en diegene die haar redt, zal haar als gemalin krijgen. Om de draak om de tuin te leiden sturen ze het kamermeisje. Maar het is tevergeefs. De prinses moet er zelf naar toe gaan. De draak komt. Johannes-Water-sprong tracht hem te doden. De hond en de beer doven met gras het vuur dat de draak spuwt; hij zelf hakt hem zijn zeven koppen af en steekt de tongen op zak. Als hij van vermoeidheid in slaap gevallen is, komt de koetsier van de prinses, steekt hem dood, rijdt met de prinses naar het slot enneemt haar tot gemalin.
Terwijl Johannes-Watersprong daar dood ligt, zien zijn dieren mieren, die hun doden met het sap van een elk daar dichtbij bestrijken, waardoor die onmiddellijk weer levend worden. Met dit sap bestrijkt de beer Johannes-Watersprong en Johannes wordt weer levend. Hij gaat naar de stad, waar de bruiloft van de prinses gevierd wordt. De hond en de beer lopen naar het slot, waar de prinses gebraad en wijn om hun hals bindt. Men volgt ze tot in het huis van Johannes-Watersprong - die wordt net een schotel opgediend met de zeven drakekop-pen die de koetsier meegenomen had. Johannes legt er de zeven tongen bij en wordt als de ware gemaal herkend. Niet lang daarna gaat hij op jacht, volgt een hert met een zilveren gewei, komt bij een oude vrouw en wordt samen met zijn bond, zijn paard en zijn heer door haar in steen veranderd.
Ondertussen kwam zijn broer aan die boom, ziet dat het mes verroest is, en besluit zijn broer te zoeken. Hij komt in dezelfde stad, wordt verkeerdelijk voor de gemaal van de prinses gehouden. Hij gaat op jacht, treft dezelfde oude vrouw aan, en dwingt haar de veranderde stenen hun vorige vorm terug te geven. Beide broers herkennen elkaar, reizen naar het slot, komen vooraf over-een dat diegene gemaal zal zijn die de prinses het eerst om de hals zal vallen en dat gebeurt bij Johannes-Watersprong.