TOELICHTING:Uit Paderborn in dialect opgetekend. Het sprookje is zeer geliefd; de motieven zijn, op een andere manier verbonden, ook in andere sprookjes te vinden. Allereerst geldt dit voor de onmogelijke taken, die met behulp van bovennatuurlijke wezens vervuld worden. De achtervolging van twee vluchtende gelieven wordt belet, hetzij door het uitwerpen van voorwerpen, die in hindernissen veranderen (zie ook
De waternimf), of zoals hier, doordat de vluchtende zichzelf in voorwerpen omtoveren. In een uitvoerig onderzoek, dat Aarne aan dit motief heeft gewijd ("Die magische Flucht, F.F. Comm. nr. 92, Helsinki 1930), komt hij tot de conclusie, dat de eerste vorm de oudste geweest moet zijn; hij treedt reeds in een Japans geschiedwerk uit de 8ste eeuw op en wordt ook in de overlevering van de Amerikaanse Indianen gevonden. Daar dit motief ook in de Kathâsaritsâgara en in Italiaanse novellenverzamelingen als de Pentamerone voorkomt, is verbreiding door middel van literaire traditie waarschijnlijk. Gewoonlijk laten vluchtenden een voorwerp achter, dat in hun plaats antwoord geeft (zie o.a.
Vrijer Roland); daarin is hier de in een ander verband aangebrachte "stenen Christoffel" een herinnering. Gewoonlijk dienen speeksel of bloed als plaatsvervangers van de vluchtenden; dit berust op het primaire geloof, dat er een magische gemeenschap bestaat tussen de mens en datgene wat met hem in nauwe aanraking geweest is (behalve speeksel en bloed bijv. ook haar en nagels, zelfs kledingstukken).
Tweemaal is in dit sprookje de moeder een remmende invloed in de ontwikkeling. Het speciale motief in dit sprookje is het stenen Christoffelbeeld. Niemand schijnt hiervoor een uitleg te weten. Verwant met
Vondevogel,
Vrijer Roland en
Het zingende springende leeuwerikje. Voor het ondeugdelijk gereedschap, zie
De trommelslager.