TOELICHTING:Uit Holstein. In de vroegere drukken was de Mecklenburgse versie van dit sprookje opgenomen onder de titel "Die Krähen". Het latere verhaal wordt door Grimm als vollediger beschouwd, terwijl vele commentatoren het laatste stuk beschouwen als niet bij het sprookje passend. Soortgelijke verhalen, maar zonder het laatste stuk doen namelijk over de hele wereld de ronde; van India tot IJsland. Het einde vormt het motief van de dankbare dieren en lijkt op het einde van
De witte slang. Gewoonlijk luidt het verhaal zo, dat de blinde van de vogels behalve de raad, hoe hij het gezicht terugkrijgen kan, ook nog hoort hoe een zieke prinses genezen en een verstopte bron weer aan het stromen gebracht kan worden. Door de Noorse onderzoeker R. Th. Christiansen, die aan dit sprookje een uitvoerige studie gewijd heeft ("The tale of the two travellers or the blinded man," FFC nr. 24, Helsinki 1916), is aangetoond dat het verhaal uit Indië afkomstig is. De oudst bekende tekst kennen wij uit een Chinese vertaling van het jaar 710; hierin komt het beluisteringsmotief echter niet voor, maar de blinde herkrijgt het gezicht van zijn ogen als wonderbaarlijke bevestiging van twee ogenschijnlijk ongeloofwaardige, maar in werkelijkheid juiste beweringen. Terwijl Christiansen aanneemt, dat de oervorm van het sprookje de beluistering wel gekend heeft, gelooft Wesselski dat dit pas later toegevoegd werd en dat wij dus moeten uitgaan van de vorm, die het Chinese verhaal vertoont. De galg, als plaats waar de vogels hun raad uitspreken, komt alleen in Europese varianten voor en is dus een jonger motief; in het volksgeloof is allerlei tovenarij met de galg verbonden. Het beluisteren van vogels, die waardevolle raad geven, kennen we ook in de Scandinavische vorm van de Sigurd sage.
De twee reisgezellen vertegenwoordigen twee totaal tegenovergestelde karakters, ook samenhangend met het beroep dat zij uitoefenen. Zie ook
Het dappere snijdertje, waarin de kleermaker het beeld van de mens is die uit kleine lapjes met fijne steekjes het levenslot aan elkaar naait en met slimheid en opgewektheid voor alles een oplossing vindt. Het karkaterverschil wordt bijzonder geestig opgedist. Van de galg druipt behalve wijheid ook galgenhumor. Op de grens van leven en dood worden geheimen ontsluierd, daar worden blinden genezen en vindt de kleermaker nieuwe levensmogelijkheden. In dit sprookje haalt de ooievaar de kindertjes uit de bron. Hij is de vogel met wit (hemel), zwart (aarde) en rood (mens), kleuren die ook voorkomen bij de geboorte van
Sneeuwwitje. Lang was de ooievaar de sprookjesprins van de kraamkamer. In de sprookjestaal is hij geen verzinsel, maar zinvol.
Een versie van de twee reisgezellen uit Nederland is:
De twee reizigers.