TOELICHTING:Uit Mecklenburg en de omgeving van Paderborn. Dat liefde door een portret of beeld opgewekt wordt, is een geliefd motief in Oosterse verhalen. Onttovering door onthoofden is even stereotiep als de dood van een booswicht in een met spijkers beslagen vat. Een gesprek, dat de ontknoping bewerkt, zoals hier tussen de eend en de koksjongen, komt ook in
Broertje en zusje en
De drie mannetjes in het bos voor.
In het slangenhol zitten. In Epidauros is zo'n slangenkuil. Deze had met de inwijdingen aldaar te maken. De naam Reinier komt van Regin (raad) en her (leger), dus maarschalk, stalmeester. De keukenjongen herinnert aan Koertje uit
De ganzenhoedster. De bruid die in het water valt en als witte eend te voorschijn komt, is hetzelfde motief als de zwanenjonkvrouw. De eend met de natte veren die zich warmen wil, herinnert aan oude Noorse verhalen, waar de vermoorde vrouw vaak in druipende kleren aan het haardvuur verschijnt. De drie wensen, vergelijk
De arme en de rijke en
De ganzenhoedster. Het wit/zwart motief, zie Sinterklaas met zijn witte haar en zijn zwarte knecht. Er is een oude vertelling in Duitsland van de zwarte en de witte Diederik, tweelingbroers.
Jacob Grimm zegt in een aantekening bij de tekst dat dit de oude kern is van een "schandelijk bedorven gemoderniseerd verhaal" uit de "Sagen der Böhmischen Vorzeit aus einigen Gegenden alter Schlosser und Dörfer," een boek dat in 1808 in Praag was uitgegeven.
Vanaf de eerste druk verhuist onderstaande oerversie naar de aantekeningen en wordt ze vervangen door het sprookje van de witte en de zwarte bruid, een verhaal dat zelf een contaminatie is van twee verhalen: het ene waarschijnlijk afkomstig van Hans Rudolf von Schröter uit Mecklenburg en het andere afkomstig van de familie von Haxthausen. In de marge van het manuscript wordt ook nog verwezen naar het verhaal van "Bogs, de uurwerkmaker" dat Brentano en Görres samengesteld hadden en waarin het motief van de parels die bij het kammen uit de haren vallen eveneens voorkomt.
De gouden eend
Toen broer en zus hun vader en moeder verloren, kwamen ze bij hun tante in de kost en die had ook een eigen dochter. Ze leefden arm en vroom op het plat-teland. Op een avond klopte eens een oude vrouw aan de deur en ze vroeg om onderdak voor de nacht. De pleeg-dochter was druk in de weer en, zo goed als ze kon, maakte ze voor haar een avondmaaltijd en een bed voor de nacht klaar. De volgende morgen was de oude vrouw een mooie fee geworden. Zij dankte hen allemaal, ' maar de pleegdochter verleende ze de gaven, dat, als ze lachte of huilde, in plaats van tranen, parels uit haar ogen zouden rollen, haar uitgekamde haren gouddraden en haar speeksel puur zilver zouden zijn. Maar haar gezicht moest altijd voor de lucht behoed worden en ges!uierd zijn, anders zou de wonderkracht verdwijnen.
Onmiddellijk werd de kamer zorgvuldig tegen tocht beschermd en werden alle spleten gestopt, zodat de buitenlucht nergens kon binnendringen. Het jonge meis-je kamde haar haren en er vielen gouddraden uit. Men maakte haar verdrietig of blij, zodat zij parels huilde, en als zij spuwde, was het puur zilver. Daardoor werd de familie al gauw heel welgesteld. Maar de buren zeiden, dat het mooie jonge meisje de rijkdom met hoererij ver-diende. Anderen beweerden dat zij een schat gevonden had, of dat ze de bondgenote van een boze geest was.
Daarom trokken ze naar de stad, waar de broer vele kameraden en vrienden kreeg. Die verleidden hem ertoe naar de verre stad van de koning te reizen en daar van zijn leven te gaan genieten. Daar verklapte hij op een dag aan zijn beste vriend dat hij thuis een mooie zus achtergelaten had en ook welke wonderlijke gaven haar verleend waren. Deze vriend, die een koningszoon was, werd meteen door de liefde verwond en vroeg de broer voor hem de hand van zijn zus te vragen. Hij zond bovendien een reiskoets mee die speciaal tegen alle tocht beschermd was.
Nu begaven de bruid, de pleegmoeder en haar dochter zich op weg. Maar toen ze de helft afgelegd hadden, werd het raam van de koets gebroken en de zonne-stralen vielen op het ongesluierde jonge meisje, dat plots in een gouden eend veranderde en wegvloog.
De tante schok erg, maar al gauw kwam zij op het idee haar eigen dochter voor de verloren zus te laten doorgaan, wat gemakkelijk ging, want ze had een hele voorraad parels, draden en zilver meegebracht. Dan begon ze te jammeren dat rovers haar eigen dochter ontvoerd hadden. De dienaars die de prins meegegeven had deden hun uiterste best om ze te achtervolgen, maar zonder het minste resultaat.
Toen ze nu in de stad van de koning aangekomen waren, richtte de tante een donkere kamer in en wendde voor, dat het jonge meisje moest uitrusten van de reis, opdat de prins niet zou vragen haar te zien. Maar ze bracht hem wel tranen van vreugde en verdriet en uit-gekamde haren als bewijs en daarmee hield ze hem nog lang aan het lijntje. Ten slotte was zijn geduld uitgeput en hij kwam onverwacht in de kamer, en toen hij de valse zus zag, vond hij haar lang niet zo mooi en lieftal-lig als de broer haar beschreven had. Uit woede liet hij de broer gevangenzetten. Stilaan raakte ook de voorraad parels, draden en zilver op, en de koningszoon merkte, dat hij bedrogen was. Maar dat was de schuld van de tante en niet van de broer.
Toen nu de broer gevangen zat, werd hij erg be-droefd en wou met een mes een einde maken aan zijn leven. Maar op dat ogenblik hoorde hij aan het raam van de kerker een geruis, alsof een vogel aankwam. Er kwam een gouden eend en zei met een mensenstem dat ze zijn zus was en ze vertelde wat er allemaal gebeurd was en hoe ze veranderd was, en dat ze gevaar liep, door de jagers doodgeschoten te worden. En elke nacht bezocht de eend haar broer, tot ze ten slotte wegbleef. Terwijl de broer daarover begon na te denken, kwam de gevangen-bewaarder en bracht hem weg uit de kerker en stelde hem in vrijheid. Want de koningszoon had van de wach-ters gehoord over de glanzende eend die's nachts naar de gevangene kwam. Door de tralies luisterde hij hen af en liet vallen plaatsen om de eend te vangen, wat ook lukte. Maar de vogel ontsnapte uit de kooi en de strikken en kwam daarna niet terug.
Ondertussen was de dochter van de tante gestor-ven van vernedering, omdat het bedrog aan het licht gekomen was. De tante trok weg uit de stad en de beide vrienden leefden weer samen, maar de eend ontbrak hun nog om gelukkig te zijn. Ze kwam in geen enkele van de vallen die uitgezet werden. Op een dag nu, toen iedereen van tafel was opgestaan en de broer alleen in het vertrek gebleven was, vloog ze door het raam binnen en pikte de broodkruimels op. Toen haar broer haar verweet dat ze zolang weggebleven was, klaagde ze over de valstrikken en zei, dat ze nooit in die vogelgedaante de vrouw van de prins kon worden en vloog weg. En omdat de prins haar toch wou vangen en tegenover de broer komedie speelde, ontstond er tweedracht tussen hen. De broer trok weg naar zijn geboortestreek en de prins begon een liederlijk leven.
Toen nu de broer door een bos trok, ontmoette hij daar plots de wijze vrouw die zijn zus de gaven had verleend en zij beval hem naar de stad van de koning terug te keren en zijn zus aan de prins te beloven, als die zijn leven zou beteren.
Toen nu in de koningszoon de oude liefde weer met volle kracht ontwaakt was en hij op een dag met de broer aan de maaltijd zat, kwam de vogel aangevlogen en hij begon onmiddellijk de vorm van een allermooist jong meisje aan te nemen. De liefde van de prins werd nog veel groter en het huwelijk werd met grote vreugde voltrokken. Zij behield nu haar gaven ook in de open lucht en zonder sluier, alleen huilde ze nu alleen nog maar tranen van vreugde.
Maar de prins verviel weer tot zijn wild leven en werd doodgestoken. Toen keerden de broer en de zus met de tante naar huis. De oude tante stierf op dezelfde plek van de weg, waar het raam van de koets gebroken en het jonge meisje weggevlogen was. Maar broer en zus leidden een rustig leven tot aan hun godzalig einde.