Informatie over: Heer Halewijn
SAMENVATTING:
Machteld gaat naar de beruchte vrouwen- en meisjesmoordenaar Halewijn. In het bos komt ze hem tegen; ook haar wil hij vermoorden, maar omdat ze zo dapper is, mag ze zelf kiezen met welk middel. Ze kiest voor het zwaard, maar waarschuwt Halewijn dat meisjesbloed nogal spat. Hij draait zich om om zijn kleding uit te doen, maar dan pakt Machteld het zwaard en hakt Halewijns hoofd af. Als heldin wordt ze thuis onthaald.
TOELICHTING:
Het lied van Heer Halewijn is een mondeling overgeleverde ballade over een prinses die naar Heer Halewijn in het bos wil gaan, maar dat niet mag omdat nog nooit iemand daarvan teruggekomen is. Haar broer geeft haar toestemming om te gaan, als ze haar eer maar bewaart. Heer Halewijn verlokt haar met een lied om haar daarna te doden. Hij is echter onder de indruk van haar schoonheid en vraagt aan haar hoe ze gedood wil worden. Ze kiest voor het zwaard (de adellijke manier, i.t.t. de galg). Dan blijkt echter dat de koningsdochter een list heeft bedacht: ze stelt voor dat Heer Halewijn zijn overkleed uittrekt, zodat het niet met haar bloed besmeurd zal raken. Terwijl hij zijn kleed uittrekt, grijpt zij haar kans en hakt zijn hoofd eraf. Ze stapt op haar paard en rijdt met het hoofd van Heer Halewijn naar huis. De koning is blij dat zijn dochter levend teruggekomen is en hij houdt een feestmaal.
De datering van het lied is onzeker. Het is, voor zover bekend, pas voor het eerst opgetekend in de 19e eeuw: rond 1830 noteerde J.F. Willems het van een los liedblaadje. Vorm, taalgebruik en onderwerp wijzen op een middeleeuwse oorsprong. Het lied zou dan eeuwenlang mondeling zijn overgeleverd (orale traditie) of eerdere noteringen zijn verloren gegaan.
Originele tekst:
Heer Halwijn zong een liedekijn;
Al die dat hoorde wou bij hem zijn.
En dat vernam een koningskind,
Die was zoo schoon en zoo bemind.
Zij ging voor haren vader staen;
'Och vader, mag ik naer Halewijn gaen?'
'Och neen, gij dochter, neen gij niet!
Die derwaert gaen en keeren niet.'
Zij ging voor hare moeder staen:
'Och moeder, mag ik naer Halewijn gaen?'
'Och neen, gij dochter, neen gij niet!
Die derwaert gaen en keeren niet.'
Zij ging voor hare zuster staen:
'Och zuster, mag ik naer Halewijn gaen?'
'Och neeen, gij zuster, gij niet!
Die derwaert gaen en keeren niet.'
Zij ging voor haren broeder staen:
'Och broeder, mag ik naer Halewijn gaan?'
t Is mij aleens waer dat gij gaet,
Als gij uw eer maer wel bewaert,
En gij uw kroon naer rechten draegt.'
Toen is zij op haer kamer gegaen
En deed haer beste kleeren aen.
Wat deed zij aen haeren lijve?
Een hemdeken fijnder als zijde.
Wat deed zij aen haer schoon korslijf?
Van gouden banden stond het stijf.
Wat deed zij aen haren rooden rok?
Van steke tot steke een gouden knop.
Wat deed zij aen haeren keirle?
Van steke tot steke een peirle.
Wat deed zij aen haer schoon blond haer?
Een kroone van goud en die woog zwaer.
Zij ging in haer vaders' stal,
En koos daer 't beste ros van al.
Zij zette haer schrijlings op het ros:
Al zingend en klingend door 't bosch.
Als zij te midden 't bosch moge zijn.
Daer vond zij mijn heer Halewijn.
'Gegroet!' zei hij, en kwam tot haer.
'Gegroet, schoon maegd, bruin oogen klaer!'
Zij reden met elkander voort
En op den weg viel menig woord.
Zij kwamen bij een galgenveld,
Daeraen hing menig vrouwenbeeld.
Alsdan heeft hij tot haer gezegd:
'Mits gij de schoonste vrouwe zijt,
Zoo kiest uw dood! Het is nog tijd.'
'Wel als ik dan hier kiezen zal,
Zoo kieze ik dan het zwaard voor al.
Maer trekt eerst uit uw opperst kleed,
Want maegdenbloed dat spreit zoo breed;
Zoo 't u bespreide het ware mij leed.'
Eer dat zijn kleed getogen was,
Zijn hoofd lag voor zijn voeten ras;
Zijn tong nog deze woorden sprak:
'Gaet ginder in het koren
En blaest daar op mijn horen,
Dat al mijn vrienden 't hooren.'
'Al in het koren gae ik niet;
Op uwen horen blaes ik niet.'
'Gaet ginder onder de galge
En haelt daer een pot met zalve
En strijkt dat aen mijn rooden hals!'
'Al onder de galge gae ik niet;
Uwen rooden hals strijk ik niet,
Moordenaers-raed doe ik niet.'
Zij nam het hoofd al bij het haer
En waschte 't in een bronne klaer.
Zij zette haer schrijlings op het ros;
Al zingend en klingend reed zij door 't bosch.
En als zij was ter halver baen,
Kwam Halewijns moeder daer gegaen:
'Schoon maegt, zaegt gij mijn zoon niet gaen?'
'Uw zoon heer Halewijn is dood;
Ik heb zijn hoofd in mijnen schoot;
Van bloed is mijnen voorschot rood!'
Toen ze aen haer vaders poorte kwam,
Zij blaesde den horen als een man.
En als de vader dit vernam,
't Verheugde hem dat zij weder kwam.
Daer werd gehouden een banket;
Het hoofd werd op de tafel gezet.
| TYPERING: | Een middeleeuwse overlevering over Halewijn en Machteld |
| SOORT: | Ballade, Middeleeuws-verhaal |
| HERKOMST: | Nederland |
| LEEFTIJD: | Voor kinderen vanaf 10 jaar en ouder |
| VERTELTIJD: | ca. 5 min. |
| TREFWOORDEN: | den, halewijn, lied, bron, bloed, dennenboom, zwaard, hoofd, afhakken, verlokken |
| BRON: | "Moedige meiden, wijze vrouwen & geliefde dochters. Heldinnen in volksvertellingen uit de hele wereld" samengesteld door Geraldine Le Blanc. Kemper & Boekwerk, Leidschendam, 2005. |
| ISBN: | 90-76542-20-1 |
| |