TOELICHTING:In dit sprookje kan men letten op de leeftijden van het kind: 3 jaar, 14 jaar, enkele jaren in de wildernis... Veel mensen beleven het sterkst de eenzaamheid in de puberteit.
Er werd in Hessen ook een dergelijk sprookje verteld, maar i.p.v. Maria kwam een zwarte jonkvrouw in een zwarte koets het kind halen: de zwarte madonna?
De legende is bijna overal in Europa bekend; verwante verhalen vindt men bij Asbjørnsen en Graumantel.
De uit de hemel neerdalende regen, die de brandstapel blust, is een toevoeging van W. Grimm; waarschijnlijk heeft hij het afgekeken bij Herodotus.
Voor het wonen in een holle boom, zie
Broertje en zusje en
Bontepels.
Het meisje dat zich bedekt met haar haren, omdat ze geen kleding heeft: zie
De glazen doodskist en ook de legende van de heilige Agnes.
De verboden deur, zie
De trouwe Johannes en
Vleerkens vogel.
De vergulde vinger, vgl.
IJzeren Hans.
Meer info over AT-nummer 710 en 'Het kind van Maria' (in het Duits).
Onderstaand verhaal (de oerversie in het Ölenbergse handschrift) werd in Kassel verteld door Gretchen Wild. In april 1808 stuurde Jacob een bijna identieke versie ervan naar Savigny. Een oorspronkelijk door Friederike Mannel opgetekende variant, waarnaar Jacob hier ook verwijst, werd eveneens in het handschrift opgenomen onder de titel "Het stomme meisje". Een aantekening naast de passage over het openen van de deuren zegt dat in andere versies sprake is van 12 kasten. In elk ervan zit een apostel en in de dertiende zit dan Onze-Lieve-Heer.
MariakindAan de rand van een groot bos leefde een arme houthakker met zijn vrouw. Die hadden een klein meisje van drie jaar, maar ze waren beiden zo arm dat ze het niet genoeg te eten konden geven. Diepbedroefd ging de houthakker naar het bos en met angst in zijn hart was hij steeds maar aan het denken, wat er toch met zijn kindje zou gebeuren, en zo was hij midden in het groene struikgewas gekomen. Toen stond opeens een mooie vrouw voor hem. Een schitterende glans omstraalde haar gezicht. Zij droeg een kroon van louter sterren en haar kleed was hemelsblauw en met zilveren sterren bezaaid. Zij sprak tot hem: "Ik ben de Maagd Maria. Ik weet dat je geen eten hebt voor je kindje. Breng het naar mij, ik zal het meenemen en zijn moeder zijn". Haastig liep de houthakker naar huis en bracht het kind naar het bos. Eerst was het kind bang toen het de schitterende vrouw zag, maar al gauw ging het naar haar toe en nam haar hand vast.
De Maagd Maria nam het kind met zich mee naar de hemel. Daar kreeg het gouden kleren en de engelen kwamen en speelden ermee. Zo leefde het lang in grote vreugde en heerlijkheid tot het veertien was. Toen moest de Maagd Maria een verre reis maken. Zij ging naar het kind en sprak: "Lief kind, ik moet een verre reis maken. Hier heb je de gouden sleutels, je mag alle deuren van de hemel openen en binnengaan, behalve die ene, waarop deze kleine sleutel past, die niet". Toen ging zij weg en liet het kind alleen. Dat nam de sleutels, opende elke dag een andere deur en had veel plezier, toen het de mooie hemelse vertrekken allemaal te zien kreeg. Ten slotte had het alle deuren geopend, alleen de verboden deur bleef nog over. Lange tijd wou het die helemaal niet opendoen, maar ten slotte kon het aan zijn nieuwsgierigheid niet weerstaan. Het nam de kleine sleutel en maakte de deur open. Toen zag het in onbeschrijfelijke schittering en heerlijkheid de Drievuldigheid zitten. Snel deed het de deur weer dicht, maar de schrik sloeg het om het hart en die werd steeds erger en liet het niet meer met rust. Kort daarop kwam de Maagd Maria van haar reis terug, en nadat ze de sleutels terug in ontvangst genomen had, vroeg zij: "Heb je ook de verboden deur niet geopend?" - "Nee," zei het kind. Toen legde Maria haar hand op het hart van het kind. Het sloeg geweldig en zij zag wel dat het het gebod toch overtreden had. Zij vroeg het nog een keer, maar het kind antwoordde weer: "Nee, ik ben er niet geweest." Toen sprak zij: "Je bent de hemel niet meer waardig." Het viel in een diepe slaap en de Maagd droeg het naar beneden op de aarde. Toen het meisje wakker werd, was de schitterende hemel verdwenen. Het bevond zich onder een hoge boom, rondom was dicht struikgewas en er was geen uitweg te bespeuren. Diepbedroefd en stilzwijgend, want het was stom, bracht het zijn dagen door en leefde van wortels en bosbessen. In de boom vond het een holte, en daarin sliep het. Toen het herfst werd, verzamelde het alle blaren die van de boom, de hele winter door. Pas was de lente aangebroken en begonnen de takken groen te worden, of het kwam uit de holle boom en ging voor de boom in de zon zitten. Zijn gouden haren hingen lang naar beneden tot aan het donkerrode fluwelen kleed, dat het ook in de hemel gedragen had. En zo zat het daar stil en onbeschrijfelijk mooi, toen de koning van het land door de wildernis kwam gereden. Hij werd getroffen door de mooie gestalte en hij vroeg, wie ze was, maar het meisje kon hem niet antwoorden en keek hem slechts medelijdend aan. Hij nam haar bij zich op zijn paard, en bracht haar naar zijn kasteel. Daar werd ze zijn gemalin.
Na verloop van een jaar baarde de koningin een mooie jonge prins. De koning en het hele land waren vol vreugde. Maar 's nachts, als de koningin alleen is met het kind, verschijnt voor het bed de Maagd Maria, getooid met haar sterrenkroon en haar sterrenkleed, en zegt tot haar: "Zie je! Je bent toch niet gelukkig, je kunt niet spreken. Geef toe dat je de deur geopend hebt, anders neem ik je kind mee". Toch antwoordt ze: "Nee," en Maria ging weg met het kind in haar armen. De volgende morgen is de koning erg ontsteld, als blijkt dat de prins weg is. De koningin is erg bedroefd, maar blijft stom. De raadslieden willen dat ze verbrand wordt, omdat ze haar kind zou opgegeten hebben, maar de koning kan er niet toe besluiten. Na een jaar brengt ze weer een prins ter wereld. De Maagd Maria verschijnt, en omdat de koningin blijft loochenen, neemt Maria ook dat kind mee. De raadslieden dringen er nu op aan de menseneetster te straffen, maar de koning belet het nog een keer. Een jaar later baart de koningin een prinses. Alles verloopt zoals de vorige keer. Dan kan de koning het niet langer meer tegenhouden: ze wordt veroordeeld tot de brandstapel.
De koningin stond al op het hout, weer in het donkerrode kleed, en met haar gouden haren los, toen werd haar hart ontroerd en ze dacht: "O, hoe graag zou ik nu alles bekennen!" Toen kwam er een schittering uit de hemel, en de Maagd Maria kwam aan in al haar pracht. Zij droeg een klein kind op haar arm, en twee grotere had zij aan haar zijde. Zij ging naar de koningin toe en sprak: "Je wilt dus bekennen dat je de verboden deur geopend hebt." Ze antwoordde: "Ja," en toen gaf Maria haar de kinderen terug. De koningin kon weer spreken en leefde lang in grote vreugde.