TOELICHTING:Uit drie sprookjes samengesteld, een uit Hessen, een uit de Mainstreek en een uit Paderborn. Met het woord Drosselbart is eigenlijk een dichte, ruige baard bedoeld; Wilhelm Grimm heeft er klaarblijkelijk het woord Drossel (= merel) in menen te herkennen!
In alle delen van Europa is dit sprookje, waarin de vernedering van een hoogmoedige prinses verteld wordt, opgetekend. In een uitvoerig onderzoek, dat E. Philippson aan dit sprookje gewijd heeft (FFC 50) heeft hij trachten aan te tonen, dat het in Duitsland ontstaan is en zelfs van een Oudgermaans verhaal zou afstammen.
Voor de koning, die de beproevingen zendt, en ook als bedelaar optreedt, zie o.m. Paul Biegel: De twaalf rovers. Zie ook Asbjørnsen: Hakon Borkenhart. Vergelijk
De volleerde jager. Zie voor de vernedering van een trotse prinses
De zes dienaren.
In de onderstaande handschriftversie werd dit novellesprookje opgetekend door Jacob Grimm naar een mondeling verteld verhaal uit de Mainstreek van de familie Hassenpflug. Vanaf de eerste druk vulde Wilhelm het aan met het slot van een soortgelijk verhaal dat Dortchen Wild uit Kassel had verteld. In haar versie is het Koning Lijsterbaard zelf die de potten stuk rijdt en die de prinses belachelijk maakt op een huwelijksfeest, dat uiteindelijk hun eigen bruiloftsfeest blijkt te zijn. In latere drukken worden nog details toegevoegd uit een versie uit de streek van Paderborn, een versie waarschijnlijk afkomstig van Ludowine von Haxthausen.
Koning LijsterbaardEen koning had eens een wondermooie dochter, maar die was zo overmoedig dat zij met al haar vrijers de spot dreef. Om daar een eind aan te maken, liet de koning op een dag een groot feest organiseren en nodigde daarop alle huwbare mannen uit en liet ze in volgorde plaatsen, elk volgens zijn rang: eerst de koningen, dan de vorsten, graven en baronnen en ten slotte de edellieden. Toen nu de koningsdochter langs de rijen geleid werd, had ze op iedereen wat aan te merken, en ze maakte zich vooral vrolijk over de kromme kin van de koning die helemaal aan het begin stond en Koning Lijsterbaard heette. Hij nam haar dat erg kwalijk en ook de koning werd boos op zijn dochter, omdat ze geen vrijer gekozen had en hij zwoer dat ze nu de eerste de beste bedelaar moest nemen die aan de deur kwam.
Als zij nu op een keer een speelman onder haar raam hoort zingen, roept de koning hem binnen, zo vuil als hij is en zij moet hem als haar bruidegom ontvangen. De pastoor wordt geroepen en het huwelijk voltrokken. Nu past het niet langer dat zij in het koninklijk slot blijft, neen, ze moet met haar man wegtrekken.
Als ze onderweg door het bos gaan, vraagt ze de bedelaar: "Ach, van wie is toch het mooie bos?" - "Het is van Koning Lijsterbaard. Had je hem genomen, dan was het van jou geweest." - "Ach, ik arme jonkvrouw fijnbesnaard, had ik toch maar genomen Koning Lijsterbaard."
Zo gaat het ook met weiden en steden waar ze langskomen. De speelman raakt helemaal uit zijn humeur, omdat ze altijd een andere man wenst. Ten slotte komen ze aan een klein huis. "God, wat voor een huis mag dat wel zijn?" - "Dat is ons huis. Daar wonen wij. Maak maar onmiddellijk vuur en maak eten klaar, want ik ben moe." Maar de koningsdochter had geen verstand van koken en de man moest nog helpen. Toen ze gegeten hadden, gingen ze naar bed. De volgende morgen moest ze vroeg opstaan en zo ging het een paar dagen, tot de man zei: "Vrouw, zo gaat het niet langer, dat we hier alles zitten te verteren en niets verdienen. Ik wil een pottenhandel beginnen en jij moet naar de markt gaan en verkopen." Nu ging het goed, de eerste keer, en de mensen kochten graag bij de mooie vrouw, ja, velen betaalden en lieten haar de potten nog houden ook. Toen nu alles omgezet was, kocht de man nieuwe potten en toen ze op de markt zat, reden dronken huzaren over de markt en ze reden recht in de potten en vertrapten alles. En uit angst voor haar man durfde ze die dag niet naar huis terug te keren, en toen ze ten slotte naar huis ging, was de man weggegaan en hij kwam helemaal niet meer terug. En op een dag kwamen plotseling haar vader en de hofhouding voor het huis gereden en die wilden haar een bezoek brengen en bij haar melk eten, en ze begonnen haar mooi te maken, overeenkomstig haar vroegere stand. En intussen komt Koning Lijsterbaard aangereden, en hij en de bedelaar zijn één en dezelfde persoon, en hij vraagt haar om vergeving, dat hij zo hard tegenover haar geweest is, als straf, omdat ze vroeger met hem de spot gedreven had. Daarna trokken ze naar zijn koninkrijk en leefden tevreden tot aan hun einde.