TOELICHTING:Naar een gedicht van B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis (Herfstdraden, 1873). Zie ook:
De nachtmerrie.
De onverenigbaarheid van mensenwereld en geestenwereld vinden we ook in H.C. Andersens
De kleine zeemeermin.
Vroeger zag men op veel boerderijdaken een schedel van een paard. Men geloofde dat hierdoor de nachtmerrie werd afgeweerd. Men dacht namelijk dat oude wijven zich 's nachts konden veranderen in een nachtmerrie of mare, een boosaardig spookdier dat ronddoolde en kwaad berokkende aan mensen, dieren en zelfs planten. Soms kwamen die spookgedaantes ook 's nachts op geheimzinnige wijze in de stal om de paarden af te rijden tot ze er dood bij neer vielen.
Mare betekent heks. Een nachtmare was een klein demonisch nachtheksje dat binnensloop en bovenop de slapende dromer ging zitten om hem angstaanjagende woorden in te fluisteren. De enige manier om haar weg te houden was om pantoffels met de punten naar het bed toe te zetten, zodat het heksje daar in zou stappen en niet op de persoon zelf ging zitten.