TOELICHTING:Dit sprookje werd door Otto Runge opgeschreven in Pommers dialect en reeds in 1808 door Achim van Arnim gedrukt. De tekst van de Grimms bevat echter een reeks veranderingen, die de uitgever Georg Reimer daarin op eigen gezag had aangebracht en later werd hij door Daniel Runge in het Hamburgs dialect overgebracht. In Vlaamse varianten vinden wij het rijmpje in deze vorm:
Mijn moeder heeft mij vermoord,
Mijn vader heeft mij geëten,
En mijn zuster heeft mijn beentjes al
Onder de noteboom gesteken.
Het motief, dat een kind gedood wordt door de deksel van een kist, komt ook voor in het Edda-lied van
de smid Wieland en in de Geschiedenis der Franken van Gregorius van Tours. Het veranderen van een vermoord kind in een vogel kent de Griekse sage van Itys en Prokne al.
Het afwisselend gebruik van de tegenwoordige en de verleden tijd vloeit voort uit de levendige verteltrant in dit dialect.
Volgens Grimm is Machandel geen verbastering van amandel, maar van Wacholder, jeneverbes (middelnederlands: wakel, wakelboom, wachtelboom). Wach heeft te maken met waken, met wakker bewustzijn. De jeneverbes heeft een opwekkend effect en wordt bij het maken van sommige wierook gebruikt. De omgeving van een jeneverbesboom waar in dit verhaal sprake van is werd bij de Kelten en andere Noord-Europese culturen vaak gebruikt als offer en inwijdingsplaats. Oude mysterieplaatsen werden gevonden bij jeneverbesbomen.
Het verzamelen van beenderen komt voor in de Egyptische legende van Osiris en ook in Orpheus (zie ook
Speelhans). De druppels bloed (inleiding van het sprookje) komen we ook tegen in
Sneeuwwitje en de Parcivalsage. Het hele sprookje heeft verbinding met de christelijke kruisiging en opstandingmythe. Bijzonder is de tijd aanduiding: "Het is nu al lang geleden, wel tweeduizend jaar. Toen was er een…". Dit komt bij de sprookjes van Grimm verder niet voor.
Prachtig is de beschrijving van de negen maanden waarin het kind wordt verwacht. Het is een sprookje met een bloeiende detailbeschrijving. De boom die brandt en de vogel die daaruit oprijst herinnert aan de vogel Phoenix. De appel speelt steeds een rol.
De jongen wordt net als bij
Hans en Grietje door de boze vrouw buiten spel gezet. De molensteen is waarschijnlijk in gebruik geweest als middel om de doodstraf te voltrekken; ook in de Edda wordt dit motief gebruikt.
Van de wachtelboom wordt in vrije schoolkringen vaak gebruikt als beeldende vergelijking met het paasgebeuren, en wordt verteld aan kinderen vanaf 6 jaar.