TOELICHTING:Het beginmotief, dat een vogel een kind rooft, berust in zoverre op de werkelijkheid, dat iets dergelijks van arenden en gieren meermalen bericht wordt. In sprookjes en heldensage is het een geliefd motief waar het een mythische betekenis krijgt. Vaak wordt aan het roven van het kind het verhaal verbonden dat de vogel het kind in zijn nest grootbrengt. Daardoor nadert dit motief de voorstelling, dat een beroemde held of een bekend geslacht van een vogel afstamt, zoals dit ook van andere dieren verteld wordt. Verder bestaat het sprookje vooral uit het motief van de wonderbaarlijke vlucht; zie daarvoor
De twee koningskinderen. De naam Leentje, Marleentje, Helena van Troje, betekent dochter van de zwaan.
De houtvester is de man die de weg in het bos kent in tegenstelling tot velen, zelfs koningen die erin verdwaald raken. Het betekent in sprookjes vaak het leven waarin men verdwaald raakt en de weg moet leren vinden. Dan zou de houtvester een soort ingewijde of wijze kunnen zijn. De huishoudster is in andere versies de boze vrouw van de houtvester. De drie gedaanteverwisselingen horen bijeen: de roos en de rozenstruik; de kerk en de kroon; de eend en het water, waarin het boze ten onder gaat.
Volgens Wilhelm Grimms notities bij de eerste druk is het verhaal bijgedragen door Friederike Mannel uit Allendorf in de "'Schwalm"-streek. Vanaf de eerste druk verscheen het verhaal onder de titel "Vindevogel". Onderstaand de oerversie uit het Olenbergse handschrift (van Jacob Grimm).
Een sprookje - Vondeling - Boze kokkinEr was eens een boswachter, die gaat op jacht. Plotseling hoort hij een kind huilen en hij gaat op het gehuil af en ziet een klein kind op een boom zitten en een vrouw onder de boom liggen slapen. Een roofvogel had het kind van haar schoot weggenomen en het op een boom gezet. De boswachter haalt het kind uit de boom en neemt het mee naar huis. Daar heeft de boswachter nog zo'n klein kind, dat Leentje heet. Het kind dat hij in de boom gevonden heeft, noemt hij Karel. Die twee kinderen hebben elkaar zo lief, dat, als het ene het andere niet ziet, ze bedroefd zijn. Nu draagt de kokkin van de boswachter op een keer zoveel water in huis, dat Leentje haar vraagt, waarom ze zoveel water in huis draagt. Daarop zegt de kokkin dat ze het haar zal vertellen als Leentje het tegen geen mens zal zeggen. Leentje zegt dat ze het tegen geen mens zal zeggen. Dan zegt de kokkin dat ze morgenvroeg, als de boswachter op jacht zal zijn, een ketel vol water zal koken en Karel erin gooien en daarin koken. 's Morgens vroeg om twee uur gaat de boswachter op jacht. Zo gauw als hij weg is, zegt Leentje tegen Karel: "Als jij mij niet verlaat, dan verlaat ik jou ook niet". Karel antwoordt: "Nooit ofte nimmer". Dan zegt Leentje: "Ik wil je alleen maar zeggen dat de kokkin gisteren zoveel water in huis gedragen heeft. Daarom vroeg ik haar, waarom ze zoveel water in huis droeg. Daarop zei ze dat ze het mij zou vertellen als ik het tegen geen mens zou zeggen. Dus zei ik dat ik het tegen geen mens zou zeggen. Toen zei ze dat ze morgenvroeg, als mijn vader op jacht was, een ketel vol water zou koken en jou erin gooien en koken. Laten we ons dus vlug aankleden en weggaan". Ze kleden zich vlug aan en gaan weg. Als nu het water kookt, gaat de kokkin weg om Karel te halen. Maar als ze bij het bed komt en ziet dat de kinderen weg zijn, wordt ze verschrikkelijk bang en ze zegt: wat nu gezegd als de boswachter thuiskomt en ziet dat de kinderen weg zijn. Ze stuurt dus vlug drie mannen weg, die de kinderen moeten zoeken. De kinderen zijn aan de rand van een bos gaan zitten. Als nu de kinderen de mannen van ver zien aankomen, zegt Leentje tegen Karel: "Als jij mij niet verlaat, dan verlaat ik jou ook niet": Karel antwoordt: "Nooit ofte nimmer". Daarop zegt Leentje: "Word jij dan een rozenstruikje en ik een roosje erop". Als de mannen bij het bos komen is daar niets te zien dan een rozenstruikje met een roosje eraan. Daarom gaan de mannen maar terug naar huis en zeggen de kokkin dat ze niets gezien hebben dan een rozenstruikje met een roosje eraan. De kokkin geeft hen een uitbrander en vraagt waarom ze het rozenstruikje niet in twee gehakt en het roosje meegebracht hebben. Ze moeten dus voor de tweede keer weggaan en zoeken. Als de kinderen hen van ver zien aankomen, zegt Leentje tegen Karel: "Karel, als jij mij niet verlaat, dan verlaat ik jou ook niet". Karel antwoordt: "Nooit ofte nimmer". Daarop zegt Leentje: "Word jij dan een kerk en ik de kroon erin". Als nu de mannen komen, is er verder niets dan een kerk met een kroon erin, en dus gaan ze weer terug. Als ze thuiskomen, vraagt de kokkin of ze hen niet gevonden hebben. Ze zeggen dat ze niets gevonden hebben dan een kerk en daar was niets in dan een kroon. De kokkin geeft hen een uitbrander en vraagt waarom ze de kerk niet in twee en de kroon mee naar huis gebracht hebben. Nu gaat de kokkin zelf mee. Als de kinderen nu de mannen en de kokkin in de verte zien komen, zegt Leentje tegen Karel: "Karel, als jij mij niet verlaat, dan verlaat ik jou ook niet". Karel zegt: "Nooit ofte nimmer". Daarop zegt Leentje: "Word jij dan een vijver en ik de eend erop". Als nu de mensen aankomen, is er verder niets te zien dan een vijver met een eend erop. De kokkin gaat erover hangen en wil de vijver leegdrinken. Daarop komt de eend en grijpt de kokkin bij haar hoofd en trekt ze in de vijver en daar verdrinkt ze. Dan gaan de kinderen naar huis en houden zielsveel van elkaar. Als ze nog niet gestorven zijn, dan leven ze nu nog.
| TYPERING: | Een sprookje van Grimm over een vondeling en zijn zusje |
| SOORT: | Volkssprookje, Sprookje, Volksverhaal |
| HERKOMST: | Duitsland |
| LEEFTIJD: | Voor kinderen vanaf 8 jaar en ouder |
| VERTELTIJD: | ca. 6 min. |
| OORSPR. TITEL: | Fundevogel |
| ENGELSE TITEL: | Foundling-Bird |
| AT-NUMMER: | AT 0313-A - The Girl Helps the Hero Flee ⇒ De duif ⇒ De waternimf |
AUTEUR: | Gebroeders Grimm, Jacob en Wilhelm Grimm | | TREFWOORDEN: | boom, houtvester, roofvogel, kind, moeder, keukenmeid, roof, emmer, water, koken, knecht, roos, rozenstruik, kerk, kroon, vijver, eend, verdrinken, menseneter, vondeling |
| MOTIEF: | broertje en zusje, samen sta je sterk |
| BRON: | "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel. Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984. |
| |