Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 11 min.
Herkomst:

De dwaze boer en de drie schurken Een Arabisch verhaal over het volledig kaalplukken van een boertje

Een niet al te ijverige boer nam zich op zekere dag voor zijn geit naar de markt te brengen en te verkopen. Hij bond de geit een bel aan de hals, besteeg zijn ezel en reed weg.

Aan het welluidend rinkelen van het belletje kon de boer horen, dat de geit achter de ezel bleef lopen en af en toe hield hij zijn rijdier in en keek over zijn schouder of het werkelijk zo was.

Terwijl die boer daar zo genoeglijk heen en weer zat te schommelen op zijn stappende ezel, zoemde hij in zichzelf steeds maar hetzelfde wijsje en hij vermoedde niet eens dat zijn korte rijstoet werd gadegeslagen door een drietal schurken, die tussen de takken van een vijgenboom waren weggekropen. Alle drie waren ze van dezelfde gedachte vervuld - hier bood zich een schitterende gelegenheid om hun vernuft en behendigheid te beproeven.

"Wedden dat ik die sukkel zijn geit onder de neus kan weghalen, zonder dat hij hem zelfs maar terugvraagt?" zei een van de schurken.

"En wedden dat ik die ezel waarop hij rijdt, met een hand kan wegkapen?" zei een tweede schurk.

"Dat zal niet meevallen!" riep de derde schurk, "maar we zien wel. En ik durf wedden dat ik hem het pak kleren dat hij draagt, afhandig kan maken en dat hij me nog zal bedanken ook."

De drie schurken wachtten tot de boer met zijn dieren onder hun bebladerde schuilplaats voorbijreed. Daarna liet de eerste schurk zich als een eekhoorn langs de stam omlaag glijden en liep snel en geluidloos naar de geit. Hij trok zijn mes, sneed het touw om de hals van de geit door en in een oogwenk had hij de bel aan de staart van de ezel gebonden. Daarna verdween hij tussen de dichte struiken en de geit nam hij mee.

De boer sukkelde half slapend verder en luisterde naar het belgerinkel, maar besefte natuurlijk niet, dat de bel inmiddels aan de staart van zijn ezel hing. Hij zou het voorlopig ook niet gemerkt hebben, als er niet een bij was komen aanzweven, die om zijn hoofd begon te zoemen. Daar kon de boer slecht tegen en hij werd min of meer wakker en draaide zich om en wilde de bij doodslaan. Een nachtmerrie had niet erger kunnen zijn. Hij kon zijn ogen nauwelijks geloven! De geit was weg! Moedeloos stapte hij van de ezelrug om andere reizigers langs de weg te vragen of ze ook maar een punt van een hoorn of een hoefprent in het zand hadden gezien.

Toen het zover was voegde de tweede schurk, die vanuit zijn schuilplaats de boer aandachtig in het oog had gehouden, zich bij de kleine oploop, die er om de boer was ontstaan. Tk mag geen zoon van mijn vader zijn, als ik geen kerel heb zien wegrennen, die een geit meesleurde. Ze zijn daar om de bocht in de weg verdwenen," verklaarde hij en het klonk alsof hij het meende.

Dadelijk gaf de boer hem de teugel van de ezel in de hand en riep: "Pas even op mijn ezel, als u wilt. Ik ga de dief achterna, ik moet mijn geit terughalen voor het te laat is!"

"Zal ik graag doen," zei de dief, maar de boer verstond hem al niet meer. Hij had het ogenblikkelijk op een lopen gezet en zijn dravende voeten deden het zand opwarrelen.

De boer draafde maar door, de eerste bocht om en de tweede bocht om. Hij draafde tot hij niet meer kon en toch had hij zelfs in de verte de dief niet in zicht gekregen, die zijn geit had gestolen. Toen hij ten slotte terug moest keren, kwam hij tot de ontdekking dat een nieuwe slag hem had getroffen - zijn ezel en de man die erop zou passen waren spoorloos verdwenen.

Onderwijl waren de twee schurken al op de nodige afstand van hem en bekeken met innig genoegen hun buit. De derde schurk evenwel had een plaats gezocht aan de oever van een vijver langs de weg, die de boer moest passeren als hij naar de markt wilde. Zodra hij de boer zag naderen, begon hij zo deerniswekkend te jammeren en te klagen, dat de boer bleef staan. Hij was een dwaze boer en zo moedeloos als hij was kon hij toch de verleiding niet weerstaan zijn nieuwsgierigheid te bevredigen.

"Troost je vriend," zei de boer. "Moet je mij zien! Ik heb daareven mijn geit en mijn ezel verspeeld en als ik ze had kunnen verkopen, zouden ze meer hebben opgebracht dan mijn klein lapje grond waard is!"

"Dat is erg, maar ik ben er heel wat erger aan toe,"jammerde de derde schurk en wiste een traan weg. "Ik ben uitgegleden en heb een kistje diamanten laten vallen dat ik aan de sjah moest brengen. Het is in die vervloekte vijver verdwenen. Ik weet niet wat me te wachten staat! De sjah zal me het hoofd laten afhakken!"

"Waarom probeer je dan niet het op te vissen?" zei de boer. "Zo diep is die vijver niet."

"Dan zou ik de verdrinkingsdood sterven, beste man," zei de schurk mistroostig. "Zwemmen kan ik niet. Ik ben voor water nog banger dan voorde beul. Ja, als iemand me deze kleine dienst nu zou willen bewijzen - ik zou hem graag belonen voor zijn moeite - ik zou er wel tien goudstukken voor over hebben."

Zodra de boer dat had gehoord, zond hij een dankgebed op naar de Profeet, die hem deze kans had geschonken zich schadeloos te stellen voor het verlies van zijn geit en zijn ezel.

Hij zei tegen de man: "Als u me op erewoord belooft die tien goudstukken te betalen waarover u het had, zal ik op zoek gaan naar uw kistje."

Zonder plichtplegingen ontdeed de boer zich daarop van zijn kleren, die hij keurig opstapelde naast de schurk, en sprong te water. Toen de boer dook, begreep de dief haast te moeten maken, als hij zijn doel wilde bereiken. Hij greep de klerenbundel van de boer en verdween tussen de struiken.

De boer had zich naar de bodem van de vijver laten zakken en begon grondig te zoeken. Hij zag vissen en schelpen, waterplanten en stenen. Hij vond zelfs een paar oude laarzen en wat gebroken vaatwerk, dat door voorbijgangers in het water was gesmeten. Maar waar hij ook keek, een kistje diamanten zag hij nergens. En hij zag zelfs niet een losse diamant fonkelen.

Nadat hij verscheidene keren had gedoken, zwom de boer uitgeput naar de rand van de vijver om te zeggen, dat hij geen succes had gehad. Hij was bitter ontgoocheld bij de ontdekking, dat de onbekende was verdwenen en al zijn kleren had meegenomen.

Hij raasde en tierde. Hij hief in wanhoop de armen en vervloekte zijn gesternte. Hij sloeg zich met de vuist voor het hoofd en begon te schelden op de drie rovers - hij zag eindelijk in het slachtoffer van een complot te zijn geworden. Maar het baatte hem niet, de rovers waren al ver weg.

En zo had elke schurk zijn weddenschap gewonnen en de boer, die de trotse eigenaar was geweest van een geit, een ezel en een goed pak kleren, moest in het naburige dorp een aardappelzak lenen en zonder een cent naar huis terugkeren.


*   *   *

De dwaze boer en de drie schurken Samenvatting
Een Arabisch verhaal over het volledig kaalplukken van een boertje. Drie dieven maken een niet al te ijverige boer op een slimme manier zowel zijn geit, ezel als kleding afhandig. Pas te laat ontdekt hij het slachtoffer te zijn van een complot... Lees het verhaal

Toelichting
Dit verhaal is bijna identiek met het Franse Van drie slimme dieven. In die variant worden de dieven aan het eind opgepakt en krijgt de boer alles weer terug. Hier loopt het voor het boertje slechter af.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Perzische sprookjes" bewerkt door Margot Bakker. Uitgeverij N. Kluwer N.V., Deventer, 1972. ISBN: 9020200151

Herkomst: Perzië
Verteltijd: ca. 11 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook