Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 28 min.
Herkomst:

De Man zonder Ziel Een inwijdingssprookje uit België vol bekende sprookjesmotieven

Er was eens een arm gezin met veel kinderen. Op een dag zei de oudste van de kinderen: "Vader, ik wil u niet langer tot last zijn. Ik ga proberen zelf mijn brood te verdienen." Hij vertrok van huis, om zich als knecht te verhuren, maar nergens was er een nodig. Hij had al dagen gelopen toen hij bij een boerderij kwam, waar men hem als knecht wilde aannemen. Maar op één voorwaarde. Je moet weten dat er op die hoeve een zeer diepe put was, waaruit men soms vreemde geluiden hoorde opstijgen. Wie knecht op de boerderij wilde worden moest eerst de bodem van de put gaan onderzoeken. Pas als dat gedaan was werd men als knecht aangenomen en goed betaald. Velen hadden het al geprobeerd, maar waren op het laatste ogenblik bang geworden. De jongen was vastbesloten zich tot de bodem te laten zakken. Hij kreeg een touw om zijn lijf en men liet hem in de put zakken. Als hij bang was of weer naar boven wilde, moest hij een flinke ruk aan het touw geven, dan zouden ze hem weer ophalen.

Het afdalen duurde lang. Soms sloeg de schrik hem om het hart, maar hij liet zich almaar dieper zakken. Eindelijk voelde hij grond onder zijn voeten. Hij keek rond en zag vlak voor zich een deur. Hij maakte het touw los, deed de deur open en zag dat hij voor de ingang van een onderaards paleis stond. Nieuwsgierig liep hij door verscheidene prachtige kamers en zalen. Maar het was er doodstil: hij hoorde of zag geen levende ziel. Hij wilde al naar de put terugkeren en zich weer naar boven laten halen, toen hij bij het openen van een nieuwe deur plotseling oog in oog stond met een verschrikkelijk monster. Het leek op een dier, maar zijn kop deed aan een mens denken.

Hij wilde vluchten, maar het monster sprak: "Wees niet bang, ik zal je geen kwaad doen. Integendeel, als je me wilt helpen kun je mij en jezelf voor je hele leven gelukkig maken." De jongen bleef staan en luisterde, terwijl het monster verder sprak: "Kijk, ik ben een betoverde prinses, maar als jij hier drie dagen en drie nachten wilt blijven en mijn raad volgt, dan ben ik verlost. Dan word ik je vrouw en heel het paleis zal je toebehoren. Maar je moet bereid zijn iets te verdragen. Om klokslag twaalf zullen er in je kamer drie reuzen komen. Zij zullen er eten en drinken en nadien zal er een van de drie zeggen: 'Zullen we een potje kaart spelen?' - 'Ja,' zullen de anderen antwoorden, 'maar wij zijn maar met ons drieën.' Dan zullen ze rondkijken en als ze jou zien zullen ze je wekken. Maar wat ze ook doen, je mag niet spreken en je moet net doen alsof je doorslaapt. De eerste nacht zullen ze een uur blijven, de tweede nacht slechts een half uur en de derde maar een kwartier. Als je dat allemaal doorstaat ben ik verlost."

Het monster toonde hem vele zalen die nog kostbaarder waren dan de vorige en leidde hem door tuinen en paardenstallen. De jongen liet zich overhalen om de drie nachten in het paleis door te brengen. Hij at en dronk goed en ging toen naar bed.

Toen het twaalf uur sloeg vloog de deur open en daar kwamen de drie reuzen binnen. Ze hadden eten en drinken meegebracht, zetten zich op hun gemak aan tafel en begonnen te eten. Toen het half een was, zei een van de reuzen: "Zullen we een potje kaarten?" - "Ja," antwoordden de anderen, "maar wij zijn maar met ons drieën." Een van de reuzen keek rond en zag de jongen liggen. "Daar ligt de vierde man." Ze stonden op en liepen naar zijn bed.

"Zeg vriend, speel je een partijtje kaart mee?" Geen antwoord. Een van de reuzen riep nu luider: "Zeg vriend, speel je een spelletje kaart mee?" Weer geen antwoord. De reus riep nog luider, maar tevergeefs. Toen begonnen ze de jongen te schudden, te knijpen en te slaan, zodat hij overal pijn voelde. Maar hij hield zich slapende en bleef snurken. Bijna had hij het opgegeven, maar toen sloeg het één uur en de reuzen waren verdwenen.

De volgende dag kwam het monster bij de jongen. Het begon al iets meer op een mens te lijken en het bestreek de wonden en de kneuzingen van de jongen met zalf. Daardoor was de pijn verdwenen en alles genezen.

"Hoor eens," zei de jongen, "ik blijf hier niet langer, want die reuzen zullen me doodslaan."

"Och," sprak het monster, "blijf toch, er is al een nacht voorbij en vannacht blijven ze maar een half uur."

De jongen liet zich overhalen ook die nacht te blijven. Klokslag twaalf kwamen de drie reuzen weer binnen. Ze aten en dronken van de meegebrachte spijzen, maar deze keer was de maaltijd sneller voorbij. Om kwart over twaalf was het festijn afgelopen. Opnieuw nodigden ze de jongen uit voor een partijtje kaart en opnieuw kregen ze geen antwoord.

De reuzen hadden deze keer niet zoveel geduld, ze grepen de jongen vast, sloegen links en rechts, trokken hem uit bed en begonnen hem te trappen. De jongen kon het bijna niet verdragen. Maar plotseling sloeg het half één en de reuzen verdwenen. Net als de eerste keer had hij gezwegen.

Toen het monster de volgende ochtend de kamer binnenkwam was het bijna een mens geworden, alleen de handen en de voeten leken nog op de poten van een dier. Het streek opnieuw zalf op de zere plekken en ogenblikkelijk verdween de pijn. Van de wonden was geen spoor meer te zien.

"Nu blijf ik hier toch niet langer meer," zei de jongen. "Ik weet zeker dat ik de volgende nacht niet overleef. De reuzen zullen nog kwader zijn."

Maar het monster begon opnieuw op hem in te praten. "Deze nacht zullen de reuzen maar een kwartier blijven, dat is snel genoeg voorbij. Dit is de laatste nacht, je hebt al twee nachten volgehouden en moet je zien hoeveel ik al veranderd ben. Wil je dat alle moeite vergeefs is en dat ik, een onschuldige prinses, mijn hele leven een afschuwelijk monster moet blijven? Laat zien dat je een hart hebt! Verlos mij en ik zal je eeuwig dankbaar zijn."

Na lang smeken liet de jongen zich overhalen. Angstig ging hij naar bed. Om klokslag twaalf uur kwamen de reuzen binnen. Ze hadden nu niet alleen eten bij zich maar elk droeg ook een zware stok. Ze aten en dronken weer, maar ditmaal waren ze al in zeven minuten klaar. Weer ging de jongen niet in op de uitnodiging kaart te komen spelen. Hij werd uit bed gesleurd, geschopt en getrapt en zodanig met stokken bewerkt dat zijn lichaam overal bloedde. Toch kwam er geen woord over zijn lippen. Toen sloeg het kwart over twaalf en de reuzen waren weg.

De jongen kon niet meer opstaan van de pijn en raakte buiten bewustzijn. 's Morgens kwam er geen monster binnen, maar een mooi jong meisje. Ze bestreek zijn wonden met zalf en op staande voet was de jongen weer zo gezond als een vis.

"Nu moeten wij zeven jaar en zeven weken in vrede leven," sprak het meisje. "Als wij voor die tijd ruzie krijgen is de tijd om, dan moet ik weg, naar de Man zonder Ziel."

Jaren gingen voorbij, zonder dat er ook maar het minste woord van twist en onenigheid tussen hen werd gehoord. Het leek hun onmogelijk dat ze elkaar zouden verlaten. De zeven jaar en zeven weken waren bijna voorbij toen ze op de laatste dag ruzie kregen om een kleinigheid.

Toen de jongeman 's ochtends ontwaakte was hij alleen, zijn vrouw was weg. Droevig doorzocht hij het hele paleis, maar nergens ontdekte hij een spoor van haar. Hij liep langs de deur in de bodem van de put waarlangs hij ooit naar beneden was gekomen. De boer had het touw al jaren geleden weggehaald, omdat hij nooit meer een teken van leven van de knecht had ontvangen en iedereen geloofde dat er een ongeluk was gebeurd.

Moedeloos liep hij rond, hij zocht overal, maar vond niets of niemand. Op een zeker ogenblik kwam hij bij de ingang van een tuin, waar hij nooit eerder was geweest. Hij zag er een oud vrouwtje zitten, dat hem verwonderd aankeek. Ze vroeg waarom hij er zo treurig uitzag. De jongeman vertelde alles wat hij had doorstaan om zijn vrouw uit de betovering te verlossen, van het gelukkige leven dat ze samen hadden geleid, van de kleine onenigheid en van haar plotselinge verdwijning. "En dan te bedenken dat ik daar de oorzaak van ben; nu is ze bij de Man zonder Ziel en zal ik haar nooit meer terugzien. Bovendien kom ik hier toch nooit meer vandaan."

De man was wanhopig, maar het oude vrouwtje probeerde hem te troosten. "Ik heb medelijden met je en ik zal je helpen," zei ze. "Hier is een potje zalf. Hoe meer je daarvan gebruikt, hoe meer er in het potje zit. En waar je die zalf opstrijkt, daar verschijnen trappen die je zo hoog zullen brengen als je maar wilt. En hier is een flesje. Hoe meer je eruit drinkt, hoe voller het wordt. En hier is een broodje, hoe meer je ervan eet, hoe groter het zal worden. Klim nu maar naar de Maan, die zal je bij de Man zonder Ziel brengen."

De man bedankte het oude vrouwtje wel duizendmaal en ging naar de bodem van de put. Daar streek hij een beetje zalf aan de muur, en ziedaar, een trap reikte tot bovenaan de put. Hij liep naar boven en streek zalf op de grond. Onmiddellijk verscheen er een trap tot aan de Maan. Hij klom omhoog en kwam boven bij het huis van de Maan. Hij belde aan en er verscheen een oud mannetje aan de deur. "Wat wil je, vriend?"

"Is de Maan thuis?" vroeg de man. "Nee, maar ze zal niet meer zo lang wegblijven. Kom maar binnen," zei de oude man.

Na een tijdje wachten kwam de Maan binnen. Het werd er ineens ijskoud. "Maan, kun je mij brengen bij de Man zonder Ziel?" vroeg de man. "Nee," zei de Maan, "maar ga naar de Zon, dìe zal je erheen brengen."

Buitengekomen smeerde hij meteen een beetje zalf op de grond en onmiddellijk was er een trap, die tot de Zon leidde. Aan het eind van de trap was een huis, waar hij aanbelde. Een oud mannetje deed open. "Wat wil je, vriend?"

"Is de Zon thuis?" vroeg de man. "Nee, maar ze zal niet meer zo lang wegblijven. Kom maar binnen," zei de oude man.

Na een tijdje wachten kwam de Zon binnen en het werd er ineens bloedheet. De man dacht dat hij zou smelten en vroeg: "Zon, kun je mij brengen bij de Man zonder Ziel?"

"Nee," zei de Zon, "maar ga naar de Wind, die zal je erheen brengen." Hij bedankte de Zon voor haar raad. Buiten smeerde hij direct wat zalf op de grond en daar verscheen een trap naar de Wind. Aan de top vond hij een huis. De deur werd opengedaan door een oud vrouwtje. Ook hier moest hij een tijdje wachten. Toen de Wind binnenkwam, waaide het zo geweldig dat de man bijna omviel. "Wind, kunt u mij brengen bij de Man zonder Ziel?"

"Ja," zei de Wind, "als ik er ooit eens langs waai, klim dan maar op mijn staart." Enkele dagen later waaide de Wind die kant uit. De man klom op zijn staart en vloog mee, over huizen en velden, bossen en weiden, rivieren en zeeën. Toen ze zo een tijd gevlogen hadden kwamen ze bij een veld, waarin duizenden mieren door elkaar wemelden.

"Broer Wind, waarom krioelen die beestjes zo?"

"Omdat ze honger hebben," zei de Wind.

"Mag ik die beestjes eten geven?" vroeg de man. "Zeker," zei de Wind. De man gaf de mieren te eten en te drinken, zo veel ze maar wilden. En hoe meer hij gaf, hoe meer er in zijn fles kwam en hoe groter het stuk brood werd. Toen alle mieren hun buikje vol hadden, stapte een grote mier naar voren en riep: "Jij hebt ons geholpen. Welnu, als je eens in nood bent, hoef je maar te roepen: 'Koning der Mieren, ik heb je geholpen, help mij nu!' en we komen meteen bij je." Ze vlogen verder en kwamen bij een bos, waarin duizend vogels fladderden en tjilpten dat horen en zien je verging.

"Broer Wind, waarom tjilpen die vogels zo?"

"Omdat ze honger hebben," zei de Wind.

"Mag ik die vogels eten geven?" vroeg de man. "Zeker," zei de Wind. De man gaf de vogels te eten en te drinken, zoveel ze maar wilden. En hoe meer hij gaf, hoe meer er in zijn fles kwam en hoe groter het stuk brood werd. Toen alle vogels hun buikje vol hadden, vloog een grote vogel op en riep: "Jij hebt ons geholpen. Welnu, als je eens in nood bent, hoef je maar te roepen: 'Koning der Vogels, ik heb je geholpen, help mij nu!' en we komen meteen bij je."

Ze vlogen nog verder en kwamen bij een weide, waar duizend koeien al loeiend heen en weer liepen. Toen de man merkte dat ze honger hadden gaf hij ze te eten en te drinken. Ook de koningin van de koeien beloofde hulp als hij ooit in nood zou zitten.

Ten slotte kwamen ze over de zee, waar duizenden vissen aan de oppervlakte zwommen en hun hongerige bekjes opensperden. Ook de vissen kregen te eten en te drinken. In het vervolg mocht hij ook op de dankbaarheid van het vissenvolk en hun koning rekenen.

Ze vlogen weer verder, uren achter elkaar, totdat de Wind de man opeens van zijn staart smeet. Daar lag hij tussen vier muren. Wat nu? Hij keek eens goed rond en zag dat er in de muur een uitgang zat die dichtgemetseld was. Hoe kon hij daar doorheen komen? De stenen en het cement waren veel te hard. Toen schoot hem ineens te binnen dat de mieren hem konden helpen. Hij riep: "Koning van de mieren, ik heb je eens geholpen, help mij nu."

Er kwam een grote mier op hem af: "Wat is er van je dienst, vriend?" - "Ik moet door die muur heen. Als jij met je sterke gebit het cement stuk kunt knagen, dan haal ik de stenen weg." Voor hij tot tien kon tellen waren er duizenden mieren aan het werk. Het duurde niet lang of er was een opening, groot genoeg om een mens door te laten. De man bedankte de mieren en gaf hun nogmaals te eten en te drinken.

Hij kroop door de opening en zag een huis, waar hij aanbelde. Het was zijn vrouw die opendeed. Hij wilde haar omhelzen, maar ze wees hem op een man die lag te slapen. "Kijk," zei ze, "dat is de Man zonder Ziel. Zolang hij zijn ziel niet terug heeft ben ik aan hem verbonden."

"Maar waar is zijn ziel?" vroeg hij.

"Luister goed," zei ze, "in de zee drijft een grote ton met ijzeren banden. In die ton zit een vogeltje en dat vogeltje draagt een eitje. In dat eitje zit de ziel van de Man zonder Ziel. Dat eitje moet ik hebben."

De man vertrok naar het strand, maar nergens zag hij de ton. Mismoedig ging hij zitten. Hij geloofde niet dat hij de ton zou vinden, totdat hij ineens aan de vissen dacht, die hij geholpen had. Hij begon onmiddellijk te roepen: "Koning der vissen, ik heb je geholpen, help mij nu ook."

Nog geen twee minuten later kwam er een grote vis aanzwemmen. "Wat is er van je dienst, vriend?"

"In de zee drijft een ton met ijzeren banden beslagen. Die moet ik hebben. Zouden jullie die voor me willen zoeken?"

"Zeker, mijn vriend," zei de vis. De man ging op het strand zitten en wachtte. Uren verstreken en de moed begon hem in de schoenen te zinken, totdat hij in de verte het water zag bewegen. Hij kon niet zo goed zien wat het was, maar toen het dichterbij kwam, zag hij een grote ton, die door duizenden vissen naar de kust werd gedreven. Voorop zwom de grote vis. Toen de ton dicht bij het strand was, keerde de grote vis zich om en gaf de ton een geweldige klap met zijn staart, zodat hij het strand opvloog. De man bedankte de vissen en gaf hun nog eens flink te eten.

Het was precies zoals zijn vrouw had gezegd: een grote ton met ijzerbeslag. Maar hoe zou hij de ton open moeten krijgen? Hij sloeg erop met zijn vuisten, hij stampte erop met zijn voeten, smeet er stenen op, maar de dikke houten ton bleef dicht. Treurig ging hij op het strand zitten. Plotseling dacht hij aan de koeien, die hij had geholpen. Die zouden met hun horens de ton open kunnen krijgen. Hij begon te roepen: "Koningin van de koeien, ik heb je geholpen, help je mij nu ook?"

En vlak daarna kwam er een grote koe aanlopen, die riep: "Wat is er van je dienst, mijn vriend?"

"Ik heb hier een zware ton, waar een vogeltje inzit. Ik kan die ton niet opendoen. Kunnen jij en je vrienden eens met jullie horens tegen de ton aanlopen, dan denk ik wel dat het zal gaan." - "Zeker, mijn vriend," zei de koe en ze liet de koeien aan weerskanten van de ton staan. Ineens liepen alle koeien tegelijkertijd op de ton af. De bodem en de deksel werden eruit gestoten en het vogeltje vloog eruit en verdween in de lucht.

De man bedankte de koeien en gaf hun nog eens te eten en te drinken, maar zelf zag hij het somber in. Zou hij zijn vrouw ooit nog terug zien? Hij had zoveel moeite gedaan om het vogeltje te vinden en nu was het weggevlogen.

Plotseling dacht hij aan de vogels die hij geholpen had en hij begon te roepen: "Koning der vogels, ik heb je geholpen, kom en help mij nu ook!" Kort daarna kwam er een grote vogel aanvliegen, die riep: "Wat is er van je dienst, mijn vriend?"

"In de lucht vliegt een vogeltje, dat een eitje draagt en daarin zit de ziel van de Man zonder Ziel. Zou jij dat vogeltje voor mij willen zoeken?" - "Zeker, mijn vriend." Hij ging zitten en wachtte af. Het duurde lang voordat hij in de verte iets in de lucht zag dat als een wolk voorbij de zon trok. Toen het dichterbij kwam zag hij dat het duizenden vogels waren. Voorop vloog de grote vogel, die een kleine vogel in zijn snavel hield. De man pakte het vogeltje aan, bedankte de vogels en gaf hun nog eens te eten en te drinken.

Toen pakte hij zijn mes, sneed de buik van het vogeltje open en pakte het eitje eruit. Hij ging terug naar zijn vrouw die het eitje vastpakte en het stuk sloeg op het voorhoofd van de Man zonder Ziel. Zo kreeg de man zijn ziel terug en was de vrouw verlost.


*   *   *

De Man zonder Ziel Samenvatting
Een inwijdingssprookje uit België vol bekende sprookjesmotieven. Om een betoverde prinses te verlossen moet een jongeman drie nachten lang stokslagen van drie reuzen weerstaan. Het lukt hem en ze trouwen, maar na bijna zeven jaar, krijgen ze ruzie en is de prinses ineens verdwenen. De jongeman gaat langs zon, maan en wind om haar weer te vinden. Ze blijkt gevangen door de Man zonder Ziel en alleen als hij die weer terugheeft wordt de prinses vrijgelaten. Lees het verhaal

Toelichting
De reis die in dit Vlaamse verhaal beschreven wordt is zeer wonderlijk en bevat enorm veel sprookjesmotieven. Het afdalen in de put is een symbool voor de overgang naar volwassenheid, maar ook voor de overgang tussen leven en dood. Er komen veel symbolische getallen in voor (drie reuzen, drie nachten, zeven jaren en zeven weken). Met behulp van de tovermiddelen van het oude vrouwtje helpt de jongen de dieren, die in ruil daarvoor hem dan weer van dienst zijn. Ook dit is een zeer bekend motief. Het stukslaan van een eitje op het voorhoofd van een reus of tovernaar is een bekend middel om een betovering te verbreken. Zie o.a. het Italiaanse wondersprookje De vampier.

Naar: P. de Mont en A. de Cock, "De drie haren van de duivel," Uitg. Beckers, Antwerpen, 1981, p. 26-37. (Nieuwe bewerking door A. van Hageland van P. de Mont en A. de Cock, "Wondersprookjes," Gent, 1983).

Trefwoorden


Thema

Feest / viering

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Reizen. Verhalen over avontuurlijke reizen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: België
Verteltijd: ca. 28 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook