Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 15 min.
Herkomst:

Daniel Crowley en de geesten Een griezelverhaal uit Ierland over een doodskistenmaker


Eens, lange tijd geleden, leefde er in Cork een man die Daniel Crowley heette. Hij was kistenmaker en had een grote voorraad kisten gemaakt, zodat zijn gezel ook bestellingen kon uitvoeren als de meester niet thuis was.

Op een dag kwam er nu een bode in Crowley's zaak en zei dat aan het andere eind van het stadje een man gestorven was, en of hij naar het sterfhuis wilde gaan om er een kist te brengen. Daniel Crowley haalde dus een kist uit de kistenopslagplaats, laadde hem op een wagen waarvoor een ezel was gespannen en reed naar het huis van de gestorven man. Daar werd het lijk in de kist gelegd en op een tafel in de kamer naast de keuken opgebaard.

Daniel Crowley en de geestenVijf of zes vrouwen hielden de dodenwacht en veel familieleden en kennissen van de dode waren bijeen in de keuken.

Ze nodigden Daniel uit plaats te nemen, en gaven hem een glas punch en gingen daarna met liederen en verhalen de tijd van de dodenwacht doden.

Crowley deed flink mee en toen het zijn beurt was, zette ook hij een lied in. Het was echter een heel bijzonder lied. Het vertelde van feeën. Het beviel de mensen en hij moest het telkens opnieuw zingen.

De rouwenden waren zo geestdriftig over het lied en de mooie stem van Crowley dat een van de vrouwen opperde of zij de kistenmaker niet als echtgenoot voor een van haar drie ongetrouwde dochters aan de haak kon slaan. Crowley was vrijgezel en had nog nooit aan trouwen gedacht. De moeder van de drie dochters wilde hem niet zelf vragen en fluisterde een andere vrouw die naast haar zat toe: "Dat zou toch een goede partij zijn voor mijn oudste dochter. Dat is een nette man. Hij heeft een mooie stem en bij het vak dat hij uitoefent, heeft hij zeker ook een heleboel geld opzij gelegd. Spreek jij met hem en luister wat hij van een huwelijk denkt, maar zeg hem voorlopig niet dat ik je erom heb gevraagd."

De vrouw ging naar Daniel Crowley en zei hem dat zij een jong mooi meisje wist dat een goede echtgenote voor hem zou zijn, eens moest het er immers van komen.

Crowley antwoordde echter heel kwaad: "Er is geen vrouw die kleren draagt en die ik zou willen trouwen. Er is geen vrouw met wie ik bereid ben mijn brood te delen."

De moeder van de dochters was beledigd en zij begon Crowley uit te schelden. "Daar zul je eens spijt van hebben, lelijke schoft," sprak zij, "je zou de grootvader van mijn kind kunnen zijn. Je bent niet eens waard haar schoenen te poetsen. Dag en nacht ben je alleen maar bij doden en aan doden verdien je je geld."

"Je hebt helemaal gelijk," antwoordde Daniel, "ik geef verre de voorkeur aan doden boven levenden, vooral als ik jou aankijk. De doden geven me werk en brood en de levenden niet, want alleen de doden hebben kisten nodig."

"Waarom ga je dan niet naar de doden als ze je zo goed bevallen, huh?"

"Dat zou ik direct doen als ik maar wist hoe," antwoordde Daniel.

"Misschien zou je ze te eten moeten vragen," antwoordde de vrouw met scherpe tong.

Toen sprong Daniel op, liep naar buiten en riep door de nacht: "Mannen, vrouwen, kinderen, soldaten, matrozen, jullie allemaal voor wie ik kisten heb gemaakt, ik nodig jullie vanavond bij mij thuis. Ik zal een groot feest geven."

De mensen die vlak bij de kist stonden, zagen dat de dode glimlachte, alsof hij de uitnodiging had gehoord.

Het gezelschap maakte dat het buiten kwam, en Daniel Crowley reed terug naar zijn winkel, zo snel zijn ezel kon draven.

Op weg naar huis kwam hij langs een kroeg. Daar stopte hij even, ging naar binnen en kocht een grote fles whisky die hij in zijn zak stopte. Toen reed hij verder. Crowley had de werkplaats afgesloten en de luiken gesloten voor hij wegging. Toen hij nu echter zijn huis naderde, zag hij dat de luiken opengestoten waren en in alle kamers brandde licht. Toen vreesde hij dat er ingebroken kon zijn. Hij sprong van de wagen en verborg zich achter een uitstekend deel van de muur aan de voorkant van het gebouw dat tegenover zijn winkel lag, om te zien wat zich daar afspeelde. Toen zag hij dat mannen, vrouwen en kinderen zijn zaak binnen stroomden, maar niemand kwam eruit. Na geruime tijd sloeg iemand hem op zijn schouder en zei: "Ach, hier sta je. Wij wachten al op je. Schandelijk, je gasten zo te behandelen. Kom nou eindelijk."

Crowley ging met de man naar de winkel en toen hij op de drempel stond, zag hij dat de ruimte vol mensen was. Een paar van hen waren buren die hij vroeger had gekend. Ze dansten allemaal, ze zongen en maakten pret. Hij staarde nog steeds verbluft naar hen, toen een man op hem toetrad en zei: "Je schijnt me niet te herkennen, Daniel Crowley." - "Ik weet het niet," zei Daniel, "moet ik je kennen?" - "Maar jij bent vergeetachtig," sprak de man, "ik ben de eerste voor wie je een kist hebt getimmerd. Met mij is je bedrijf begonnen."

Al gauw kwam er een ander bij, een lamme, en ook hij vroeg: "Herken je me niet, Daniel Crowley?"

"Niet dat ik weet!"

"Ik ben je neef. Het is nog niet lang geleden dat ik ben gestorven."

"Ach, nu herken ik je, je bent kreupel. In Gods naam," zei Crowley tegen zijn neef, "hoe raak ik hier al die mensen weer kwijt? Hoe laat is het eigenlijk?" - "Nog vroeg. Het is juist elf uur." Crowley verbaasde zich. Naar zijn gevoel moest hel veel later zijn.

"Neem het maar vriendelijk op," raadde zijn neef hem aan, "wees aardig tegen hen en zorg ervoor dat ze zich prettig voelen."

"Ik heb geen geld bij me om spijzen of dranken voor hen te kopen en bovendien zijn alle winkels al lang gesloten," antwoordde Crowley.

"Doe wat je kunt," zei de neef.

Het dansen en pret maken ging door en toen Daniel Crowley om zich heen keek, merkte hij een vrouw op die in de verste hoek stond. Ze danste niet mee en scheen heel schuw te zijn.

"Waarom is deze vrouw zo schuchter - zij is blijkbaar bang," zei Crowley tegen zijn neef, "waarom danst ze niet mee en maakt ze geen pret als de anderen?"

"Zij is nog niet lang dood. En haar kist is nog niet betaald. Nu is zij bang dat je de rekening bij haar komt innen en dat de andere gasten kunnen horen dat ze schulden bij je heeft," verklaarde de neef hem.

De beste danser van het gezelschap was een pijper die John Reardon heette, hij kwam uit Cork, en de violist was een zekere John Healy. Hij had zijn fiedel niet meegebracht maar behielp zich op andere wijze. Hij wreef over het weinige vlees dat hij op zijn botten had. Op en neer wreef hij over zijn borst en elke rib gaf een andere toon en op die manier maakte hij de mooiste muziek die Daniel Crowley ooit had gehoord.

Na een poosje volgde het hele gezelschap zijn voorbeeld. Ze dansten de jig en bliezen daarbij op hun naakte botten.

Crowley danste mee, hij moest wel, maar hij moest alle moed bij elkaar rapen om niet van angst te sterven en hij dacht: was het maar gauw morgen, maar het duurt nog zo lang. Er was een man, John Sullivan, die hem bijzonder opviel. John was twee keer getrouwd geweest en hij had zijn twee vrouwen meegebracht. Crowley zag dat hij met zijn tweede vrouw een polka danste en de twee dansten vergenoegd rond, terwijl het hele gezelschap opgetogen de maat klapte en van plezier lachte.

Toen werd de eerste vrouw van Sullivan jaloers. Zij liep hem na en zei dat zij de eerste rechten had.

"Hoor dat mens nou eens aan," riep de tweede vrouw, "het recht is geheel en al aan mijn kant. Toen hij met mij trouwde, was jij al lang dood en hij was vrij, en bovendien dans ik beter dan jij, of je het nou goed vindt of niet."

"Pas op je tong," kijfde de eerste vrouw,"dan heb je zeker de benen van een ander moeten lenen voor je hier op het feest kwam om mij hier de ogen uit te steken."

Sullivan bekeek zijn twee vrouwen en vroeg toen aan zijn tweede vrouw:

"Ben je hier dan niet met je eigen benen?"

"Nee, ik heb ze geleend... van de vrouw van een buurman."

"En hoe heet die vrouw van wie je ze hebt?" wilde Sullivan weten.

"Catherin Murray. En toen zij leefde was zij een eerlijke vrouw."

"Maar waarom ben je niet op je eigen benen hier?"

"O, toen ik leefde heb ik het een en ander uitgehaald. Toen kreeg ik straf. Ik mocht zo lang niet naar een feest of bal gaan tot iemand mij zijn benen leende."

Sullivan werd woedend toen hij hoorde dat de benen met wie hij had gedanst een derde vrouw toebehoorden, en hij gaf zijn tweede vrouw een slag die haar tegen de grond wierp.

De vrouw had echter familie onder de aanwezige geesten, die werden woedend en zeiden: "Dat kun je niet over je kant laten gaan. Wij moeten genoegdoening krijgen van Sullivan!"

Ze sprongen op, en daar ze geen knuppels of andere wapens bij zich hadden, rukten zij hun linkerarm af en begonnen daarmee op Sullivan in te slaan.

Al gauw was er een wilde vechtpartij ontstaan. Terwijl dat zich afspeelde, stond Daniel Crowley aan het eind van het vertrek te beven en te bibberen en hij bedacht dat zijn laatste uurtje wel was aangebroken.

Sullivan die de slagen probeerde af te weren, was teruggeweken, kwam op Crowley toe en trapte op zijn voet. Vol woede gaf Daniel Sullivan een vuistslag waardoor hij de schedel afsloeg, welke op de grond viel en door de kamer rolde. Het hoofdloze spook greep Crowley beet, vocht met hem en probeerde hem te wurgen, Crowley nam nog waar dat hij tegen de grond viel en onder een bank rolde, daarna verloor hij het bewustzijn.

De volgende morgen vond de knecht zijn meester onder de bank. Naast hem lag een lege fles. Crowley was gewond en had littekens van duimen op zijn hals. Hij wist niet te zeggen hoe het feest van het dodengezelschap was afgelopen, noch wanneer zijn angstaanjagende gasten hem hadden verlaten.


*   *   *

Daniel Crowley en de geesten Samenvatting
Een griezelverhaal uit Ierland over een doodskistenmaker. Wanneer een eenzelvige kistenmaker een echtgenote aangeboden krijgt, weigert hij haar. Hij is liever bij de doden dan met een vrouw te trouwen. "Vraag ze dan te eten!" kijft de vrouw en de man doet dat ook. De geesten van alle overledenen voor wie hij ooit een doodskist heeft gemaakt komen bij hem thuis om feest te vieren. Het wordt voor de kistenmaker een benauwd en griezelig nachtje met al die dansende skeletten... Lees het verhaal

Toelichting
Oorspronkelijk verschenen in "The Gael" uit 1899, pagina 43-44.

Trefwoorden


Thema

Feest / viering

Verhaalsoort

Bron
"Ierse sprookjes" samengesteld door Frederik Hetmann. Uitgeverij Elmar, Rijswijk,1991. ISBN: 90-6120-9382

Herkomst: Ierland
Verteltijd: ca. 15 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook