De draak

Porziella wordt opgesloten door een koning, maar door een vogeltje blijft ze leven. Ze krijgt een zoon, Miuccio en als hij is opgegroeid, wordt hij page van de koning. De koningin haat de jongen en geeft hem opdrachten om zijn leven in gevaar te brengen, maar de vogel helpt Miuccio. De koningin sterft door haar eigen haat en de koning komt achter de waarheid, waardoor Porziella wordt vrijgelaten en een betovering wordt verbroken.
Er was eens een koning van Altamarina, wiens koninklijke zetel om zijn wreedheid en tirannie door een tovenares bezet werd, toen hij met zijn gemalin om zich te verpozen naar een ver kasteeltje was gegaan. Hij liet toen een houten beeld, dat door raadsels orakels gaf, vragen en kreeg er als antwoord van, dat hij zijn staat zou terugkrijgen, wanneer de tovenares het gezicht verloor. Doch zij had zich niet alleen met een flinke wacht omgeven, maar herkende ook aan de geur van de mensen, wie naar haar toegestuurd werd, om haar te belagen, en dan berechtte zij deze onmiddellijk zonder erbarmen. Toen de koning dit bemerkte, was hij wanhopig en uit spijt, dat hij de tovenares niet de baas zou kunnen, ontnam hij aan alle vrouwen in de stad, die hij in handen kon krijgen, het leven. En onder de honderdtallen, die hun droevig lot te dragen hadden, kwam toevallig een meisje, genaamd Porziella, het liefste wezentje, dat er op de aarde te vinden was. Haar haren waren handboeien van de gendarmes van liefde, haar voorhoofd was een lijst, waarop de winkelprijs van de vreugdegaven van liefde geschreven stond; haar ogen twee vuurbakens, die de schepen van het verlangen veilig de steven deden wenden naar de haven van de tevredenen; haar mond een bijenkorf van honing tussen twee rozenhagen.

Ook zij viel dus in de macht van de koning en toen deze haar de revue liet passeren gelijk de andere, wilde hij haar doden; doch toen hij de dolk reeds ophief, liet een vogel een of anderen wortel op zijn arm vallen en hem beving zo'n beving, dat het wapen hem uit de hand viel. De vogel was een fee, die enige dagen te voren, toen zij in een bos lag te slapen waar de hitte gevangenisje speelde onder de tent van de schaduwen, door een sater lastig gevallen was, maar op dat ogenblik werd zij juist door Porziella gewekt. En om deze weldaad volgde zij altijd haar voetstappen, steeds gereed om het haar te vergelden.

Bij deze onverwachte hinderpaal dacht de koning, dat de schoonheid van dat gelaat op zijn arm beslag gelegd en de dolk gewaarschuwd had en hem verbood, haar te doorsteken, zoals hij met zoveel andere gedaan had. Hij vond het nu dus welletjes en besloot Porziella in een zolderkamertje van zijn paleis op te laten sluiten en dat het bedroefde en kommervolle meisje, daar achtergelaten zonder eten of drinken te krijgen, tenslotte van het langdurig vasten zou omkomen.

De vogel zag, hoe slecht zij er aan toe was, maar troostte haar met menslievende woorden, dat zij goeden moed moest houden, want dat hij uit dankbaarheid voor een ontvangen gunst, haar met zijn leven zou helpen. Hij wilde haar echter nooit onthullen, wie hij was, hoe vaak Porziella hem er ook om bad; en de vogel herhaalde alleen, dat hij zich tegenover haar verplicht voelde en ging haar nog eens verzekeren, dat hij niets zou nalaten om haar van dienst te zijn. En toen het arme meisje verging van honger, vloog hij uit en keerde terug met een scherp mes, dat hij wegnam uit de kast bij de koning, en zei haar, voorzichtig een gat in een hoek van de zolder te maken, dat dan uitkwam in de keuken, waaruit hij vervolgens altijd iets zou halen om haar in leven te houden. Porziella gehoorzaamde en een tijd was zij flink in de weer en maakte een gat, waar de vogel door kon. En deze profiteerde van het ogenblik, dat de kok een emmer water aan de bron ging putten, daalde door het gat af en kaapte een haantje weg, dat op het vuur stond, en gaf het aan Porziella. En toen zij niet wist, wat zij tegen de vreselijke dorst moest doen, vloog hij naar de provisiekamer, waar veel druiven hingen en bracht er haar een tros van. En op die manier ging hij meerdere dagen voort. Later gaf Porziella, die in blijde verwachting was, het levenslicht aan een flinke zoon, die zij te eten gaf en deed opgroeien met de voortdurende hulp van de vogel. En toen de jongen groter werd, ried de vogel de moeder aan, de opening in de zolder wat groter te maken. Dus weer haalde zij er wat plankjes uit, zodat Miuccio (zo was de naam, die zij aan haar zoontje gegeven had) er door heen kon, en zij liet hem naar beneden zakken met behulp van enige koorden, die hij haar zelf verschaft had, terwijl zij de latjes dan weer op hun plaats terug bracht, zodat men niet zien kon, waar langs hij naar beneden gegaan was. Zo deed Porziella en zij drukte haar zoon op het hart, nooit te vertellen waar hij vandaan kwam en ook niet, wiens zoon hij was. Toen de kok, die voor bezigheden weggegaan was, terug kwam en in de keuken die flinke knaap zag, vroeg hij hem wie hij was, hoe hij binnengekomen was en wat hij hier kwam doen. En Miuccio antwoordde in herinnering aan wat zijn moeder hem op het hart gedrukt had, dat hij verdwaald was en dat hij een baas ging zoeken. Tijdens dit gesprek kwam toevallig de maitre de cuisine binnen, die dadelijk dacht, toen hij de pientere jongen zag, dat deze geschikt zou zijn als page van de koning en hij bracht hem naar de koninklijke vertrekken. De knaap beviel de vorst onmiddellijk om zijn schoonheid en aanvallige manieren en deze hield hem in zijn dienst als page en in zijn hart als een zoon en liet hem al het onderricht geven dat aan een ridder past, zodat hij de voortreffelijkste aan het hof werd.

De koning mocht hem liever dan zijn stiefzoon; waardoor de koningin een hekel aan hem begon te krijgen en hem met ogen vol haat aan ging zien. De afgunst en de nijd wonnen des te meer terrein naar mate de gunsten en voordelen, welke de koning aan Miuccio verleende, zijn weggetje meer effenden. En de koningin stelde zich voor, zoveel zeep op de trap van de fortuin van die jongen te smeren, dat hij tenslotte zou uitglijden en van boven naar beneden storten.

Op een avond, toen zij, na volmaakt hun instrumenten op elkaar ingesteld te hebben, muziek van gesprekken onder elkaar uitvoerden, sprak de koningin tot de koning, dat Miuccio zich er op beroemd had, drie luchtkastelen te kunnen maken. Hetzij omdat hij nieuwsgierig was, hetzij om zijn vrouw haar zin te geven, liet de koning, toen 's morgens de maan-onderwijzeres van de duisternis de leerlingen vrij gaf voor het Zonnefeest, Miuccio bij zich komen en beval hem, in ieder geval de drie luchtkastelen te maken, waarover hij gepocht had; anders zou hij hem drie flinke sprongen in de lucht laten maken.

Miuccio begaf zich na deze vraag in zijn kamer en begon daar bitter te klagen over de broosheid - gelijk glas - van de gunst van vorsten en over de korten duur van hun weldaden; en terwijl hij hete tranen schreide, daar kwam opeens de vogel, die tegen hem sprak: "Kop op, Miuccio en maak je geen zorg, want je hebt iemand als ik ben naast je staan, in staat je uit het vuur te halen!" En de vogel beval hem, veel karton en gom te nemen en op die manier drie grote kastelen te maken en daarna liet hij drie grote griffioenen komen en elk bond hij een kasteel aan de poten en die vlogen door de lucht.

Miuccio liet de koning roepen en deze kwam met het gehele hof naar het schouwspel kijken en bewonderde het vernuft van de jongeling en werd hem nog meer genegen en fêteerde hem en was zo hartelijk voor hem, dat het niet van deze wereld was. Dit betekende een toevoeging van sneeuw bij de afgunst en van vuur bij de verontwaardiging van de koningin, die toen zij zag dat haar slag niet gelukt was, geen dag waakte zonder een middel te zoeken en geen nacht sliep zonder een manier uit te denken, om die balk uit haar ogen weg te krijgen. En zo sprak zij na een paar dagen tegen de koning: "Manlief, nu is het tijd, om terug te keren tot grootheid en vreugden van vroeger, want Miuccio heeft zich aangeboden, de fee blind te maken en, door die ogen te spenderen, jou je verloren rijk terug te kopen."

De koning, die zich hier op zijn gevoelige plek voelde raken, riep onmiddellijk Miuccio en sprak tot hem: "Ik verbaas mij zeer, beste Miuccio, dat, terwijl ik je zo graag mag en jij me kunt terugbrengen op de troon, waar ik van afgetuimeld ben, jij zo lichtzinnig bent en niet zorgt, mij uit de put te halen waarin ik mij bevind, nu ik van een koninkrijk tot een bos vervallen ben, van een stad tot een armzalig kasteeltje en van het bevelen over velen tot het amper gediend worden door een handvol armzalige bedienden, die oud brood snijden en magere soep opscheppen. Als jij dus niet in ongenade bij mij wilt vallen, ga dan vlug de tovenares blind maken, die in het bezit van mijn goed is; en dan zal jij, door die winkels van de ogen te sluiten, het magazijn van mijn grootheid openen; door die lantaarns te doven zul jij de lampen van mijn eer aansteken, die nu laag gedraaid zijn en walmen!"

Bij dit voorstel stond Miuccio op het punt te antwoorden, dat de koning zich slecht had laten inlichten en abuis was, want hij was geen raaf die ogen kon uitpikken en ook geen putjesschepper om privaten door te steken; maar de koning maakte er een einde aan: "Geen woord meer! Zo wil ik het, zo moet het gebeuren! Bedenk, dat ik aan de Munt van mijn logica de balans in evenwicht gebracht heb: hier de beloning, als je doet, wat je moet, daar de straf, als je nalaat te doen wat ik je beveel!"

Miuccio, die niet tegen een harden kei op kon en te doen had met een man, waar je het maar niet mee aan de stok moest krijgen, ging in een hoek zitten zuchten. Maar de vogel kwam en zei tegen hem: "Hoe kan dat toch, Miuccio, dat jij altijd verdrinkt in een glas water? Stel, dat ik nu eens dood was, zou jij dan ook zo jammeren? Weet jij dan niet, dat ik meer zorg heb voor jouw leven dan voor mijn eigen? Kom, raak je bezinning daarom niet kwijt en kom achter me aan, want je zult zien, wat eentje als ik doen kan!" En hij begon te vliegen en Miuccio volgde hem, tot hij stil hield in een bos; en daar begon hij te kwinkeleren en dadelijk werd hij omringd door een troep vogels. Toen hij hen om zich had, vroeg hij, wie van hen er op vertrouwde, de tovenares het ogenlicht te doven, want dan zou hij hem een vrijgeleide geven tegen de klauwen der sperwers en haviken, en een vrijbrief tegen de geweren, strikken, bogen en vogellijm van de jagers.

Onder die vogels bevond zich een zwaluw, die zijn nest aan een balk van het koninklijk paleis had gemaakt en de tovenares was gaan verafschuwen; laatstgenoemde had om haar vervloekte toverkunsten te kunnen uitvoeren, de zwaluw meerdere malen door rook uit haar kamer verjaagd. En deze vogel bood zich nu, ten dele uit wraak, ten dele aangelokt door de prijs, die hem beloofd werd, aan, om het zaakje op te knappen. De zwaluw vloog dus als de bliksem naar de stad, ging het koninklijk paleis binnen en vond daar de tovenares op een rustbed liggen, terwijl zij zich door twee hofdames koelte liet toewuiven met een waaier. Dadelijk vloog de zwaluw loodrecht boven de ogen en liet er zijn mest op vallen en ontnam haar zo het gezicht. De tovenares, die midden op de dag de nacht zag en goed wist, dat met deze afsluiting haar rijk een einde vond, gilde als een bezetene en deed afstand van de troon; zij holde weg om zich te verbergen in een grot, waar zij zo hard met haar hoofd tegen de rots sloeg, dat zij haar levensdagen beëindigde.

Nu de tovenares weg was, stuurden de raadslieden gezanten naar de koning met de vraag, van zijn eigen huis te komen genieten, want haar blindheid gaf hem het licht van een welkom. En op hetzelfde ogenblik, dat de gezanten arriveerden, kwam ook Miuccio, die, door de vogel ingelicht, aldus sprak: "Ik heb u goed gediend: de tovenares is blind gemaakt, het rijk is weer in uw handen; maar als ik een beloning verdien voor de u bewezen dienst, zo wens ik er geen andere dan dat ge mij met mijn misère alleen laat zonder mij nog een keer in gevaar te brengen!" De koning omarmde hem met grote beminnelijkheid en liet hem vervolgens met gedekt hoofd naast zich plaats nemen. En of de koningin toen barstte van nijd, dat moge de hemel vertellen. Het was zo erg, dat men aan de regenboog van kleuren, die zich op haar gelaat vertoonde, kon merken, welke boze plannen zij in haar hart tegen de armen Miuccio beraamde. Niet heel ver van het kasteel woonde een verbazend woeste draak, die geboren was op hetzelfde ogenblik als de koningin, en toen indertijd de sterrenwichelaars door haar vader geroepen waren, om dit feit uit de sterren te verklaren, hadden zij als hun mening uitgesproken, dat zijn dochter zo lang zou leven als de draak leefde, en dat, wanneer de ene stierf, noodzakelijkerwijze ook de andere sterven moest; en slechts één ding zou haar dan kunnen opwekken, namelijk als ze haar dan de slapen, het borstbeen, de neusgaten en de polsen met het bloed van de draak zelf konden insmeren. Nu kende de koningin de kracht en woede van dit dier en zo meende zij, hem Miuccio in de klauwen te spelen en dat het monster dan zeker een lekker hapje van hem zou maken, waarbij hij zich zou voelen als een aardbei in een berenmuil. Zij begon er dus mee, tegen de koning te zeggen: "Op mijn woord, Miuccio is goud waard en je zoudt ondankbaar zijn, als je niet van hem hield, nu nog te meer, nu hij heeft laten merken, dat hij de draak wil doden, die, hoewel hij mijn broer is, zo grote vijandschap tegen jou koestert, dat ik liever één haar van mijn man dan honderd broers wil!"

De koning, die de draak dodelijk haatte en niet wist, hoe er zich van te bevrijden, liet dadelijk weer Miuccio bij zich roepen, "Ik weet," zei hij tegen hem, "dat jij aanpakt wat je wilt; en daar je zo enorm veel voor me gedaan hebt, moet jij me nu nog één plezier doen en daarna kun je dan over mij beschikken zoals je wilt. Ga onmiddellijk de draak doden, daar zul je mij een buitengewone dienst mee bewijzen en ik zal er je goed naar lonen!"

Miuccio raakte haast buiten zichzelf en zo gauw hij een woord kon uitbrengen, antwoordde hij: "Dat is ook een mooie boel, nu begint u me te treiteren. Is mijn leven soms heksenmelk, dat men er maar een potje van maken kan? Het gaat hier niet om een geschild peertje, dat me voor de mond gebracht wordt, het gaat om een draak, wiens klauwen verscheuren, wiens kop stuk slaat, wiens staart verplettert en die met zijn tanden fijn maalt en met zijn ogen hypnotiseert en wiens adem dodelijk werkt! Waarom wilt ge mij de dood in jagen, he? Is dit het pensioen, dat ik krijg, omdat ik u een koninkrijk gegeven heb? Wie is de vermaledijde ziel, die deze dobbelsteen op tafel geworpen heeft? Wie was het satanskind, dat u tot deze sprongen dreef en u deze woorden ingaf?"

De koning, die licht als een bal was waar het betrof zich te laten beïnvloeden, maar zo hard als een kei om vol te houden, wat hij eens gezegd had, zette zich schrap en zei:"Je hebt heel wat gedaan, dat is waar, maar nu vergis jij je toch. Geen woord er meer over! Vooruit, neem die pest uit mijn rijk weg, anders zal ik jou je leven ontnemen!"

Miuccio voelde zich diep rampzalig, dat hij zich nu eens hoorde loven om zich dan weer te horen bedreigen, dat hij het ene ogenblik een aai in zijn gezicht en het volgende een trap tegen zijn achterste kreeg en overwoog hoe veranderlijk de fortuin aan hoven is; en hij zou er ik weet niet wat voor hebben willen geven, als hij de koning niet kende. Doch daar hij wist, dat grote heren tegenspreken een stommiteit is en hetzelfde alsof men een leeuw zijn baard wil uittrekken, trok hij zich terug, zijn lot vervloekend, dat hem naar het hof gevoerd had, om zijn leven te bekorten. En terwijl hij op de stoep voor een deur zat, met zijn hoofd tussen de knieën en zijn schoenen met zijn tranen waste en al maar zuchtte, daar had je de vogel met in zijn snavel een plantje, dat hij in zijn schoot wierp met de woorden: "Sta op, Miuccio, en wees er van overtuigd, dat je niet het ezeltje van je levensdagen gaat afladen, maar wel het leven van de draak op het spel zetten. Neem dit plantje, en als je bij de grot van dat lelijke dier gekomen bent, gooi het naar binnen, dan zal het dadelijk zo'n mateloze slaap krijgen, dat het zich te slapen zal leggen. Steek een flink mes bij je en geef hem dan dadelijk van katoen, en ga vervolgens weg, want heus, alles zal beter lukken dan je denkt. Genoeg hier over, ik weet wat ik zeg en we hebben meer tijd dan geld, en wie tijd heeft, heeft leven!" Miuccio stond op, verstopte een groot mes tussen zijn kleren, nam het plantje en begaf zich naar de grot, die lag beneden een zo enorm hoge berg, dat de drie bergen, die als trap voor de reuzen dienden, niet tot het middel er van reikten. En toen hij bij de ingang was, wierp hij het plantje naar binnen. De draak viel in een diepe slaap en daarna begon hij te snijden.

Te zelfde tijd dat hij met het mes in het vlees van het ondier hakte, voelde de koningin zich in het hart kerven; en toen zij haar kwade eindje zag naderen, bemerkte zij haar fout, dat ze tegen contante betaling haar eigen dood gekocht had. Zij riep toen haar man en zei tegen hem wat de sterrenwichelaars voorspeld hadden, en dat haar leven van dat van de draak afhing, en hoe zij vermoedde, dat Miuccio de draak doodde, nu zij zich langzamerhand al slechter ging voelen.

"Als je dat wist," zo sprak de koning, "dat het leven van de draak de steun van het jouwe was en de wortel van je levensdagen, waarom liet jij me dan Miuccio daarheen gaan? Wie heeft er nu schuld aan? Jij hebt jezelf het kwaad aangedaan en je hebt het nu te betreuren; jij hebt het glas gebroken en daar heb je voor te betalen!"

"Ik had nooit geloofd," antwoordde de koningin, "dat een tenger kereltje als hij zo knap was en zoveel kracht had, om een dier te vellen, dat nog niet eens bang voor een leger is, en ik dacht vast, dat hij er het loodje bij zou leggen. Maar daar ik buiten de waard gerekend heb en de bark van mijn plannen naar de kelder gaat, doe me dan een plezier, als je tenminste van me houdt. Neem, zo gauw ik dood ben, een spons in het bloed van de draak gedoopt en smeer al mijn ledematen in, alvorens mij te begraven!" - "Dit is niet te veel gevraagd van de liefde, die ik je toedraag," zei de koning, "en als het drakenbloed nog niet genoeg is, zal ik je het mijne geven om je ter wille te wezen!" De koningin wilde hem bedanken, maar zij gaf juist de geest, omdat net op dat moment Miuccio de slachting van de draak beëindigd had.

Toen hij voor de koning verscheen, om hem het volbrachte werk te melden, beval de koning, terug te gaan, om het bloed van de draak te vergaren; en nieuwsgierig, van dichtbij te zien, wat Miuccio met zijn handen volbracht had, ging hij hem ongezien achterna.

Bij het verlaten van het paleis vloog de vogel Miuccio tegemoet en vroeg hem: "Waar ga je heen?"

"Ik ga naar waar de koning mij zendt, die me heen en weer laat gaan als een spoel en mij geen ogenblik met rust laat!" - "Om wat te doen?"

"Om het bloed van de draak te halen!"

"Wee jij, dat drakenbloed zal stierenbloed voor jou worden, dat je doden zal! Met dat bloed zal het slechte zaad van al je zorgen weer opgroeien; want het is de koningin die je aldoor aan nieuwe gevaren bloot stelt, opdat jij er het leven bij zult inschieten. En de koning is het instrument van een lelijke heks en stuurt je nu als een vondeling, om je leven te wagen, dat immers tot zijn bloed behoort, dat toch een loot van die plant is. Als excuus geldt, dat hij je niet kent, maar toch moest het kloppen van het hart de verwantschap verklappen, en alle diensten, die jij hem bewezen hebt en de winst, die hij nu zou maken van een flinke erfgenaam, zouden hem toch moeten dwingen, de ongelukkige Porziella, jouw moeder, in genade op te nemen, die nu al sinds veertien jaren op een zolder opgesloten zit, waar zij een tempel van schoonheid in een beste kamer lijkt!" De koning, die alles afgeluisterd had, stapte dadelijk naar voren, om verdere bijzonderheden te horen, hoe alles in zijn werk gegaan was; en toen hij vernam, dat Miuccio de zoon van Porziella was, en dat zij nog op de zolder in leven was, beval hij dadelijk, dat zij bevrijd en voor hem geleid moest worden.

En toen hij haar mooier dan ooit voor zich zag dank zij de goede zorgen, die de vogel er voor gehad had, omhelsde hij haar vol liefde en kreeg er maar niet genoeg van, nu eens de moeder, dan weer de zoon aan zijn hart te drukken, waarbij hij dan vergiffenis aan haar vroeg om de wrede behandeling, die hij haar had laten ondergaan, en aan hem voor de gevaren, waaraan hij hem blootgesteld had. En hij liet dadelijk Porziella de rijkste gewaden van de overleden koningin aantrekken en nam haar tot gemalin. Hij bood vervolgens de staat en heel zichzelf aan de vogel, die de ongelukkige vrouwe in leven gehouden had, door haar dagelijks spijs te verschaffen en die met zijn raad zijn zoon geholpen had om aan de gevaren te ontkomen. Maar de vogel zei, geen andere beloning te wensen dan Miuccio als man en bij deze woorden veranderde ze in een schone jonkvrouw.

De vraag werd met grote blijdschap door de koning en door Porziella aanvaard en aangehoord en terwijl de dode koningin in een kuil geworpen werd, plukte het jonge paar de vreugden bij schepels tegelijk; en om op plechtiger wijze de bruiloft te vieren, begaven zij zich naar hun rijk, waar zij met groot verlangen verwacht werden. En steeds erkenden zij, dat zij hun geluk te danken hadden aan de fee om de goede daad, haar door Porziella bewezen; want het goede, dat men eens gedaan heeft, gaat per slot van rekening nooit verloren.


*   *   *

Toelichting
Uit de Pentamerone (Lo cunto de li cunti overo lo trattenemiento de peccerille - Het sprookje der sprookjes, of Vermaak voor de kleinen) van Giambattista Basile (Vierde dag, vijfde sprookje).

Lees ook Ederland de kippenhoedster en De zoon van de jager.

Bron
"Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff, illustraties van Frans Lammers. Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.

Oorspronkelijke titel
  • Lo dragone

Lees ook