Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 16 min.
Herkomst:

De gelaarsde kat (in rijmvorm) DE MARKIES VAN CARABAS

Eens maar nu reeds lang geleden,
mogelijk wel duizend jaar,
leefde er dicht bij 't naaste dorpje,
met drie zoons een molenaar.

Hij was oud al, en zijn molen
en zijn ezel, en zijn kat,
dat was alles wat ter wereld
onze molenaar bezat.

Toen hij stierf liet hij de molen
aan zijn oudste jongen na;
voor zijn tweede zoon was de ezel,
en de jongste kreeg?.. Ha, ha!

Kattepoes. - Maar met dat erfdeel
was hij lang niet in zijn schik;
"Jullie," zei hij tot zijn broeders,
"kunt best leven zo; maar ik,

wat moet ik met poes beginnen?
Haar verkopen? Maar wat dan?
Muizen op de zolder vangen,
dat is alles wat zij kan."

Toen hij nu zo klaagde en morde,
keek de poes hem ernstig aan,
en op eens, maar 't was onmogelijk!
Had hij dat wel goed verstaan?

Zeker wel, het was zijn poesje,
dat hem aansprak: "Meesterlief!"
zei ze, "wees niet zo mistroostig:
ben 'k je zo tot ongerief?

Nu, niet lang zul je dat zeggen;
laat voor mij, je zult eens zien
een paar mooie laarsjes maken,
en een knapzak bovendien.

Dan zal ik mijn kunst je tonen,
en je zult nog zeggen, dat
je er overbest mee af bent
dat je mij tot erfdeel had."

De arme molenaarszoon begreep niet,
wat de poes bedoelde; maar
toch liet hij zich overhalen.
Dus de jonkman kocht voor haar

eerst een paar gelakte laarsjes,
die zij aantrok flink en vlug,
toen een linnen zak met banden,
en die hing zij op haar rug.

Op haar achterpoten stapte
zij nu heel parmantig voort
naar de duinen; want ons poesje
had wel menigmaal gehoord,

dat daar veel konijnen waren.
Voor een pas gegraven gat
spreidde zij de zak wijdopen,
en zij zelf, de slimme kat,

school toen weg in 't gele bremkruid,
en het duurde niet heel lang
of daar kwam een grijs konijntje
neuzen uit zijn donkere gang,

en begon, de poes had heel wijs
peentjes in de zak gedaan,
aan die worteltjes te smullen.
Poesje zag dat loerend aan,

en opeens trok zij de banden
van de zak toe. - Lieve tijd!
't Arm konijntje hielp geen schreeuwen,
't was voor goed zijn leven kwijt.

Met haar vangst liep poesje dadelijk
in triomf de velden door,
naar de stad, naar 't hof des konings
en daar vroeg zij om gehoor.

Zijne Majesteit, nieuwsgierig
waarom een gelaarsde kat
met een knapzak, hem moest spreken,
en wat zij te zeggen had,

liet haar in de troonzaal komen.
Poesje boog en zei alras:
"Sire, uit naam van mijn meester,
de markies van Carabas,

heb ik de eer u aan te bieden,
dit zeer mals en jong konijn.
Als u 't aanneemt, zal mijn meester
daarvoor hoogst erkentelijk zijn."

"'t Is heel vriendelijk van uw meester,"
zei de koning, "'k dank hem wel."
Buigend ging ons poesje heen…
Half gewonnen was haar spel.

Een paar dagen later stapte
kattepoes naar 't korenland;
daar lei zij haar knapzak naast zich
bij een greppel op de kant,

en zij zelf ging liggen snorken
of zij sliep, heel vast en zwaar,
maar toch waakte 't loze katje.
"Stil," zo dacht ze, "houd je klaar,

want daar komen twee patrijsjes
gluren uit het hoge graan
naar de gerst, die 'k in mijn zakje
tot een lokaas heb gedaan."

't Paartje kwam al na en nader,
en ze pikten; maar pardoes!
Beiden voelden zich gevangen
in de zak van kattepoes.

't Ging hun evenals 't konijntje.
Met haar nieuwe vangst belaan
trok de poes weer naar de koning,
en bood hem de vogels aan.

Zijne Majesteit was wel zo
vriendelijk nog als d'eerste keer,
Ja, hij gaf poes zelfs een fooitje,
en - dat schonk zij aan haar heer.

Zo nu deed zij twee, drie maanden:
telkens bracht ons poesjenel
heerlijk wildbraad bij de koning,
en 't heette altijd op bevel

van haar hoge heer en meester,
de markies van Carabas.

Toen nu poes op zekere morgen
van des konings hofportier
had vernomen, dat de koning,
met zijn dochter, voor plezier

op die dag wat zou gaan toeren
in de nieuw vergulde koets,
liep zij haastig naar haar meester,
en zij riep: "Nu heeft je poes

iets bedacht, waardoor je spoedig
uit je zorg en nood geraakt,
'k wed, volg je mijn raad, dan is wel
zeker je fortuin gemaakt.

Maar dan dien je te gaan baden
op een plekje in de rivier,
dat ik je eens gauw zal wijzen…
Meester, kom maar even hier!"

"Nu," zo dacht haar arme meester,
"'k weet: mijn poes is lang niet dom;
'k zal dus doen, wat zij mij voorstelt,
schoon ik niet begrijp waarom."

Toen hij daar nu proestte en plaste
in het frisse, koele nat,
reed de koning met zijn dochter
juist voorbij, en ging de kat

gauw uit al haar macht aan 't schreeuwen:
"De markies van Carabas
zal verdrinken! Help! Help!
Help hem uit de diepe plas!"

Zijne Majesteit, die 't angstig
schreeuwen hoorde van de poes,
en haar ook terstond herkende,
reed niet verder met zijn koets,

maar beval aan zijn lakeien
om de heer van Carabas
ogenblikkelijk te redden
uit de diepe waterplas.

Ondertussen stapte eerbiedig
kattepoes naar 't rijtuig heen;
deftig boog zij voor de koning,
en vertelde hem meteen,

dat, terwijl haar meester baadde,
er een dief gekomen was,
die zijn mooie bovenkleren
weggenomen had van 't gras.

"Wel, dat is zeer ongelukkig!"
sprak de vorst, "dat doet me leed."
Hij beval terstond een dienaar
in 't paleis het rijkste kleed

voor de heer markies te halen,
- die het aantrok, vlug en snel,
en die schitterende kleding
stond de jonkman wonderwel.

"Heer markies, kom bij ons zitten,"
zo sprak hem de koning aan,
"'k zal u naar uw woning brengen.
Is die hier nog ver vandaan?"

Poes, die merkte dat haar meester
bloosde van verlegenheid,
nam het woord op, en sprak:
"Haast een uur, uwe Majesteit!"

"'k Zal vooruit gaan, en uw aankomst
melden." - Onze molenaarszoon
weifelde in de koets te stappen,
zoiets was hij niet gewoon.

Maar toen poesje hem een wenk gaf,
steeg hij toch in de koets,
en daar zat hij nu zeer deftig
tegenover koning en prinses.

"'k Dien," dacht poes, "nu wel te zorgen,
dat het verder goed blijft gaan,
of mijn ijver brengt mijn meester
nog maar weinig voordeel aan."

Dapper stapte daarop poesje
voor het rijtuig uit, en was
spoedig bij een wei gekomen,
waar de maaiers 't hoge gras

met hun scherpe zeisen velden.
"Goede vrienden!" Sprak de kat,
"als je strakjes aan de koning
op zijn vraag niet antwoord, dat

de markies van Carabas deze
wei behoort; dan, op mijn eer
laat hij u in stukjes hakken,
denkt daaraan, ik zeg niets meer."

Wat de maaiers danig schrokken
bij die woorden van de kat!
't Was dan ook geen wonder dat men
vrees voor zo'n bedreiging had.

Toen de koning kort daarna dus
vroeg: van wie die weide was?
Riepen luidkeels al de maaiers:
"Van de markies van Carabas!"

"Zo, markies! Dat is uitmuntend
weiland, hoor!" hernam de vorst;
maar de jonkman zweeg, omdat hij
toch zo grof niet jokken dorst.

Ondertussen was ons poesje
doorgestapt en, na een poos,
bij een korenveld gekomen,
waar zij weer, even loos,

met de maaiers wist te praten.
"Vrienden!" zei ook thans de kat,
"als je strakjes aan de koning
op zijn vraag niet antwoordt, dat

de markies van Carabas dit
graan behoort, dan, op mijn eer,
laat hij u in stukjes hakken,
denk daaraan, ik zeg niets meer."

Hoe ook deze maaiers schrokken
bij die woorden van de kat!
Was het ook wel wonder dat men
vrees voor zo'n bedreiging had?

Toen de koning dus al spoedig
vroeg: van wie dat koren was,
riepen snel ook deze maaiers:
"Van de markies van Carabas!"

En de koning stond verwonderd,
dat de markies van Carabas
zulk een rijke grondbezitter,
zo'n aanzienlijk heerschap was.

"'k Maak u duizend complimenten,"
zei de vorst op blijde toon.
't Prinsesje lachte vriendelijk
naar de arme molenaarszoon.

Eindelijk was de poes gekomen
bij een prachtig, groot kasteel,
sterk van torens en van transen,
met een valbrug en rondeel.

In dat trots kasteel daar woonde
een gevreesde tovenaar,
bars van uitzicht, boos van harte,
met een stem, geducht en zwaar.

Kattepoes vroeg hem te spreken,
gauw streek zij haar knevels glad,
en nu stapte zij de zaal in
waar hij in zijn leunstoel zat.

"Machtig heer! Uw dienaresse,"
zei ze tot de tovenaar,
"'k bied aan u oprecht mijn hulde,
al is ook de helft slechts waar

van hetgeen men mij verhaalde
van uw kunst, gestrenge heer!"
"En, wat heb je dan vernomen?"
vroeg de tovenaar het poesje weer.

"Dat u zich plotseling kunt veranderen
in een leeuw of in een muis.
Maar ik denk: wie 't mij vertelde,
jokte dat of was abuis."

"Stellig niet, het is de waarheid,"
zei nu fier de tovenaar,
"'k Wil mijn kunsten wel eens tonen,
let goed op, 'k ben aanstonds klaar."

En opeens, daar was de tovenaar
een verschrikkelijk grote leeuw!
Hu! Het was om bang te worden;
poes tenminste gaf een schreeuw,

en ze vloog naar 't eind der eetzaal
met een vliegensvlugge vaart,
want de leeuw begon te brullen
en te zwaaien met zijn staart.

Toen de tovenaar de gedaante
van een mens hernomen had,
kwam de poes weer uit haar schuilhoek,
en toen zei de slimme kat:

"'k Was daar haast van schrik gestorven;
maar ik twijfel toch met recht
of u nu een muis kunt worden,
zoals ook al wordt gezegd."

Stuurs en brommend zei de tovenaar:
"Twijfel je daar nu nog aan?
Opgelet dan, 'k heb dit kunstje
u nog gauwer voorgedaan."

En… Wat piepte daar? Een muisje
was opeens de tovenaar…
Flap! Eén sprong… Poes greep de muis en
at haar op met huid en haar.

Nu was juist des konings rijtuig
aangekomen voor de poort.
Poes, die 't kraken van de wielen
op de zandweg had gehoord,

liep zo vlug zij kon de koning
en zijn dochter tegemoet,
en wel tienmaal deftig buigend,
sprak zij: "Sire! Wees gegroet

bij uw komst in 't oude burchtslot
van de markies van Carabas!"
Wat haar meester, de arme jongen,
bij die woorden angstig was!

"Wel, markies! Behoort dit vorstelijk,
trots kasteel u ook al toe?
'k Vind het prachtig, keurig, heerlijk,
'k word het kijken maar niet moe.

'k Zu het ook wel graag van binnen
eens beschouwen," sprak de vorst.
Onze jonkman dacht er over,
of hij dat wel wagen dorst.

Maar de poes was met de koning
reeds de trappen opgegaan,
en haar meester bood zijn arm dus
't lief prinsesje hoffelijk aan.

Hij geleidde haar zeer deftig
naar de rijk versierde zaal,
waar de tovenaar voor zijn vrienden
juist een overheerlijk maal

aangericht had; maar die vrienden
bleven weg, nu zij de koets
van de koning zagen wachten.
Ondertussen had de poes

reeds de glazen vol geschonken
met een geurig zoete wijn.
"Neen, zo'n feestmaal," sprak de koning,
"kan bij mij niet beter zijn."

En daar hij wel zag dat alles
louter pracht en weelde was,
nam hij 't glas op en zei vriendelijk:
"Heer markies van Carabas!

'k Wil op uw gezondheid drinken,
met deze heerlijk zoete wijn,
en ik moet u tevens zeggen,
dat ik zeer vereerd zal zijn,

als je met mijn dochter trouwen
en mijn schoonzoon worden wilt."
Poes had reeds een achterpootje
om te dansen opgetild,

toen haar meester plotseling knielde
voor de koning - lieve tijd!
En hem om vergiffenis smeekte
poes was al haar danslust kwijt…

Maar ook nu weer wist ons poesje
zich er dapper door te slaan.
"Slechts uit liefde voor mijn meester,
Sire! Heb ik zo gedaan!"

riep ze, en ging toen aan 't vertellen.
En de koning zei: "Opgelet,
daar je 't deed voor je arme meester,
slimme poes! Vergeef ik het!

Maar pas op! Nu nooit meer jokken!
Ook aan jou, heer Carabas,
zal ik ook maar niets verwijten,
omdat het toch je schuld niet was.

En," vervolgde hij, tot zijn dochter:
"Trouwen wil je zeker wel?
Daarom geef ik je ten huwelijk
aan de baas van poesjenel."

En toen nam de goede koning
beiden lachend bij de hand,
en dezelfde dag kwam 't huwelijk
van 't prinsesje nog tot stand.

Onze poes vroeg op de bruiloft
de markies van Carabas:
"Heb je nu nog spijt, mijn meester,
dat ik eens je erfdeel was?"

"Nee, mijn poes… En om te tonen
dat ik niet ondankbaar ben,
en je goede, trouwe diensten
heel mijn leven door erken,

zul je dagelijks aan mijn tafel
eten, wat je maag maar lust,
en zal ik je een slaapmand geven,
waar je lekkertjes in rust."

't Bal orkest begon te spelen,
't volk op straat riep luid: hoezee!
En de kat danste op haar laarzen,
achter 't jonge bruidspaar mee.


*   *   *

De gelaarsde kat (in rijmvorm) Samenvatting
DE MARKIES VAN CARABAS. Een molenaar geeft in zijn testament ogenschijnlijk het minst waardevolle aan de jongste zoon: de kat. Deze zorgt er met allerlei slimmigheden voor dat de zoon met de dochter van een koning trouwt. Frappant is dat de kat in deze versie geen kater is, maar een poes! Lees het verhaal

Toelichting
Van de gelaarsde kat zijn op de Wereld Volksverhalen Almanak twee versies aanwezig. Zie ook: De gelaarsde kat.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel
  • Le Maistre chat, ou le Chat botté

Bron
"De sprookjes van Moeder de Gans" door Charles Perrault, berijmd door Ant. L. de Rop. Foresta, Groningen.

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 16 min.
Leeftijd: vanaf 6 jaar

Lees ook