Op eigen site?
 
Volksverhalen Almanak
Verhalen en sprookjes van de wereld
 
Zoek een verhaal
Wij zijn op zoek naar vrijwilligers voor onze site!
Toevoegen aan Live.com
 
 

 






De gouden gans
Een sprookje van Grimm, ook bekend als "Zwaan kleef aan"
Er was eens een man die drie zoons had, en de jongste van hen heette de domoor. En hij werd bespot en veracht en bij iedere gelegenheid achter gesteld. Eens op een keer ging de oudste naar het bos om hout te hakken; vóór hij weg ging, gaf zijn moeder hem nog een heerlijke eierkoek mee en een fles wijn, zodat hij geen honger en geen dorst zou hebben. In het bos ontmoette hij een oud, grijs mannetje; dat wenste hem goedendag en zei: "Geef me toch een stuk koek uit je tas en laat mij een slok van je wijn drinken, ik heb zo'n honger en zo'n dorst." De wijze zoon antwoordde: "Als ik jou mijn koek en mijn wijn geef, dan heb ik zelf niets meer, ga toch weg!" en hij liet het mannetje staan en ging verder. Hij begon de takken van een boom af te hakken, maar het duurde niet lang of hij deed een misslag. De bijl drong in zijn arm en hij moest naar huis om zich te laten verbinden. Maar dat was door het grijze mannetje gekomen!

Toen ging de tweede zoon naar het bos en de moeder gaf hem net als de oudste een heerlijke eierkoek mee en een fles wijn. Ook hij kwam het oude grijze mannetje tegen dat hem om een stuk koek en een slok wijn vroeg. Maar de tweede zoon zei ook heel verstandig: "Wat ik weggeef, gaat van mijn eigen portie af, ga toch weg!" en hij liet het mannetje staan en ging verder. De straf bleef niet uit. Toen hij een paar slagen had gemaakt, hakte hij in zijn eigen been, en moest hij naar huis gedragen worden.

Nu zei de domoor: "Vader, laat mij er eens op uitgaan om hout te hakken." De vader zei: "Je broers hebben allebei ongelukken gemaakt, bemoei jij je er maar niet mee, jij kunt er toch niets van." Maar de domoor smeekte zo lang tot hij eindelijk zei: "Vooruit, ga dan maar, door schade en schande moet je wijs worden." De moeder gaf hem een koek mee van water en deeg en gebakken in warme as, en ook een fles zuur bier. Hij kwam in het bos en daar zag hij het oude, grijze mannetje, dat hem goedendag zei en sprak: "Geef me een stuk koek en een laat me uit je fles drinken, want ik heb honger en dorst." De domoor antwoordde: "Ik heb maar een gewone koek en zuur bier, maar als je dat niet erg vindt, laten we dan samen wat eten." Zo gingen ze zitten, en toen de domoor zijn koek voor de dag haalde, was het een heerlijke eierkoek, en het zure bier was lekkere wijn. Nu aten ze en dronken ze en toen zei het mannetje: "Omdat je zo'n goed hart hebt en graag iets afstaat wat je bezit, zal ik je geluk geven. Daar staat een oude boom, hak die om, en tussen de wortels zul je wat vinden." Toen nam het mannetje afscheid.

De domoor ging de boom omhakken, en toen hij omviel, zat er tussen de wortels een gans, die veren had van zuiver goud. Hij tilde haar op, nam haar mee en ging naar de herberg om te overnachten.

De waard echter had drie dochters die de gans zagen en nieuwsgierig werden, omdat het zo'n wonderlijke vogel was, en ze hadden dolgraag één van zijn gouden veren gehad. De oudste dacht: "Er komt wel een moment, waarop ik hem een veer kan uittrekken," en toen de domoor weg was gegaan, pakte ze de gans bij de vleugel, maar haar vinger en haar hand bleven eraan vastkleven. Kort daarop kwam de tweede dochter, die had geen andere gedachte dan een gouden veer te pakken; maar nauwelijks had ze haar zuster aangeraakt of ze zat vast. Tenslotte kwam ook de derde dochter met dezelfde bedoelingen. De anderen riepen: "Blijf eraf, in 's hemelsnaam, blijf eraf!" Maar ze begreep niet, waarom ze er afblijven moest en dacht: "Als zij er wat van hebben, dan wil ik dat ook," en ze liep er naar toe... maar zodra ze haar zuster had aangeraakt, bleef ze aan haar vastkleven. Zo moesten ze alle drie 's nachts bij de gans blijven.

De volgende morgen nam de domoor de gans onder zijn arm, ging verder en trok zich van de drie meisjes die er aan vastzaten, niets aan. Ze moesten maar achter hem aan lopen, naar links of naar rechts, net zoals het hem uitkwam. Midden op het veld kwam hij de pastoor tegen, en toen die de optocht zag, zei hij: "Schamen jullie je niet, meisjes, wat moeten jullie die jongen zo nalopen, is dat gepast?" En hij nam de jongste bij de hand om haar weg te trekken, maar toen hij haar aanraakte, bleef hij ook vastzitten en moest er zelf achteraan lopen.

Het duurde niet lang of daar kwam de koster en die zag hoe de pastoor achter die drie meisjes aan liep. Hij was verbaasd en riep: "Hé, pastoor, waar gaat u zo snel naartoe? Vergeet niet dat we vandaag nog een kind moeten dopen," en hij liep erheen en trok hem aan zijn mouw, maar ook hij bleef vastkleven.

Toen die vijf zo achter elkaar aandraafden, kwamen er twee boeren met hun schoppen van het land: de pastoor riep hun toe en vroeg of zij hem en de koster los wilden maken. Maar nauwelijks hadden ze de koster aangeraakt, of ze zaten vast en zo liepen ze met z'n zevenen achter domoor en zijn gans aan.

Nu kwam hij in een stad. Daar was een koning en die had een dochter, en die was zo ernstig, dat niemand haar aan het lachen kon maken. Daarom had hij een wet uitgevaardigd: wie haar aan het lachen kon maken, die mocht met haar trouwen. Toen domoor dat hoorde, ging hij met zijn gans en de hele stoet naar de prinses, en toen zij die zeven mensen aldoor achter elkaar aan zag lopen, barstte ze in lachen uit en kon niet meer ophouden.

Nu wilde de domoor met haar trouwen, maar deze schoonzoon beviel de koning niet; hij maakte allerlei bezwaren en zei dat hij hem eerst een man moest brengen, die een kelder vol wijn leeg kon drinken. De domoor dacht toen aan het grijze mannetje, die zou hem wel helpen, en hij ging naar het bos en op de plek waar hij de boom had omgehakt, zag hij een man zitten met een heel verdrietig gezicht. De domoor vroeg wat hem zo bedroefd maakte, en toen antwoordde de man: "Ik heb zo'n verschrikkelijke dorst en ik kan hem niet lessen; koud water kan ik niet verdragen, ik heb al wel één vat wijn leeggedronken, maar wat is een druppel op een gloeiende plaat?"

"Daar weet ik wel raad op," zei de domoor, "kom maar met mij mee, dan zal je meer dan genoeg krijgen." Dus bracht hij hem naar de kelder van de koning, en de man nam die grote vaten wijn en dronk en dronk, tot hij er pijn van in zijn zij kreeg. Voor de dag om was, had hij de hele kelder leeggedronken.

De domoor eiste wederom zijn bruid op, maar de koning ergerde zich, dat zo'n gewone jongen, die door iedereen domoor genoemd werd, zijn dochter in de wacht zou slepen, en hij stelde nieuwe voorwaarden. Eerst moest hij hem nog een man brengen, die een berg brood op kon eten. De domoor bedacht zich ditmaal niet lang, ging meteen naar het bos, en daar zat, op dezelfde plek, een man, die zijn buik met een riem insnoerde, een verdrietig gezicht trok en zei: "Ik heb een hele oven vol armenbrood gegeten, maar wat helpt dat, als je zo'n ontzettende honger hebt als ik: mijn maag is leeg en blijft leeg, en ik moet mij insnoeren om niet van honger te sterven!"

De domoor was daar heel verheugd over en zei: "Kom maar mee, dan kan je nog eens eten...!" Hij bracht hem naar het hof van de koning die al het meel uit het hele rijk had laten verzamelen en daarvan een reusachtige berg had laten bakken. Maar de man uit het bos ging er voor zitten, begon te eten, en in één dag was de hele berg verdwenen.

Nu eiste de domoor zijn bruid ten derde male op, maar nog altijd zocht de koning een uitvlucht en wenste een schip dat zowel op het water als op het land kon varen: "Maar zodra je daarmee werkelijk aan komt zeilen," zei hij, "dan krijg je mijn dochter meteen tot vrouw."

Domoor ging rechtstreeks naar het bos. Nu zat daar het oude grijze mannetje met wie hij zijn koek had gedeeld, en die zei: "Ik heb voor je gedronken en gegeten, ik zal je ook dat schip geven, alles, omdat je barmhartig tegen mij bent geweest."

En toen gaf hij hem het schip dat voer over water en over land, en toen de koning dat zag, kon hij niet langer weigeren. De bruiloft werd gevierd, en na de dood van de koning erfde de domoor het rijk en hij leefde met de prinses nog lange jaren heel gelukkig.


* * * EINDE * * *


Samenvatting: Als de jongste van 3 broers - door iedereen domoor genoemd - in tegenstelling tot zijn broers vriendelijk zijn voedsel deelt, wordt hij beloond met een gouden gans met bijzondere eigenschappen. De jongen bewijst keer op keer zijn slimheid en goedheid, dit in weerwil van de mening van anderen.
Toelichting: De gouden gans is in de meeste sprookjes een zwaan. In Nederland en Vlaanderen is het sprookje 'Zwaan kleef aan' meermalen opgetekend.

Uit Paderborn en Hessen. In de Paderbornse versie zegt de dwerg: "Hans ga slapen, als je wakker wordt, vind je een slee met een vogeltje ervoor gespannen, daar moet je in gaan zitten." Dit vogeltje met de slee heeft dezelfde eigenschappen als de gans, ieder kleeft eraan. Vergelijk de Edda: Loki die aan de stang blijft plakken, waarmee hij de adelaar wil slaan.

Aan dit sprookje kan men weer duidelijk het talent van Wilhelm Grimm waarnemen, om de tekst te "verbeteren"; terwijl in de eerste druk van het avontuur, dat de tweede zoon ondervond, alleen gezegd wordt: "met de tweede zoon ging het evenzo, alleen slaat hij zich niet in de arm, maar in het been," wordt nu, zoals dat immers in een sprookje gebruikelijk is, de gehele scène woordelijk herhaald.

Het verhaal, met het vermakelijke motief van "plak-aan," is niet alleen in Europa bekend, maar ook door enkele varianten in Azië en Afrika vertegenwoordigd. Vergelijk een Nederlandse (Noord-Brabant) versie van het motief 'Zwaan kleef aan': De levende himphamp.

Jacob Grimm heeft dit verhaal waarschijnlijk gehoord van de familie Hassenpflug uit Kassel (Hessen): de papiersoort van de handschrift-versie die werd gebruikt en de aantekening van 1822 "een verhaal uit Hessen" wijzen alleszins in die richting. In de eerste druk staat het onder nummer 64 IV in de reeks sprookjes over Domoor. Later wordt er gecontamineerd met een versie van de familie von Haxthausen uit de streek van Paderborn.

Gouden gans

Er was eens een man, die had drie kinderen, van wie het jongste dom was. Op een dag zei de oudste: "Vader, ik wil naar het bos gaan om hout te hakken." Maar de vader ried het hem af en zei, dat hij met een verbonden arm zou thuiskomen. Maar hij deed het toch en ontmoette een oud mannetje. Dat sprak hem aan om een stuk te krijgen van de koek die hij bij zich had. Maar hij antwoordde: "Waarom zou ik jou, oude man, wel mijn koek geven!" en daarop ging hij aan het hakken, hakte verkeerd en in zijn arm, zodat hij hem moest verbinden. De tweede vergaat het ook zo. In plaats van in zijn arm te hakken, hakt hij in zijn been.

Nu gaat de derde naar het bos en hij geeft het mannetje zijn koek. Daarop hakt hij de boom af en vindt onder de boom een gouden gans. Die neemt hij en gaat weg en komt in een herberg, waar hij de gans in zijn kamer zet. Maar de drie herbergiersdochters willen maar al te graag een veer uit de gans trekken. De oudste gaat er eerst op af, maar als ze de gans nog maar aanraakt, blijft ze er al aan hangen. Nu komt de tweede en die wil ook een veer hebben en hoewel de oudste het haar afraadt, helpt het niet en zij blijft ook hangen. Zo ook de derde. De volgende morgen neemt de jongen de gans onder zijn arm en gaat weg en de drie herbergiersdochters slepen er achteraan. Onderweg ontmoeten ze de pastoor en die schimpt op hen, dat ze de jongeman nalopen en doordat hij de ene bij de hand grijpt, blijft hij ook hangen, en hij moet mee verder. Ondertussen komt de koster en zegt: "Wel, beste pastoor, waar naartoe?" en blijft aan de pastoor hangen en zo trekt alles samen verder.

Hierop komt hij in een stad aan, waar een koning regeerde, die zo een ernstige dochter had, die niemand aan het lachen kon brengen. Daarom had die koning een wet uitgevaardigd, dat diegene die haar kon doen lachen, haar zou huwen. Toen nu de jongeling daarvan hoorde, ging hij met zijn gans voor de koningsdochter en zij begon luid te lachen om de hele sliert.

Daarop eiste hij van de koning de bruid, maar die had bezwaren en zei, dat hij hem eerst een man moest brengen die een kelder vol wijn kon uitdrinken, anders zou hij de bruid nooit krijgen. Bedroefd ging hij weg en kwam in het bos weer aan de boom. Daar zag hij een man zitten die een droevig gezicht opzette. En hij vroeg hem: "Waarom ben je zo bedroefd?" - "Wel, ik heb zo'n verschrikkelijke dorst en ik kan nooit genoeg te drinken krijgen." - "Kom met me mee, ik zal je ergens naar toe brengen, waar je genoeg krijgt." Hij nam hem mee en de man dronk de hele kelder in één keer leeg.

Nu eist de koning een man die een hele berg brood kan eten. Hij vindt weer een mannetje dat klaagt, nooit genoeg te eten te krijgen enz. De koning eist nu een schip dat zich te land en te water kan voortbewegen. Ook daaraan helpt het aardmannetje hem en nu huwt hij de mooie koningsdochter.
Bron: "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel. Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
Oorspronkelijke titel: Die goldene Gans
Engelse tekst: The Golden Goose

 

Leeftijd:
Verteltijd:
ca. 11 min.
Herkomst:
De Nationale Sprookjesbon. Elke week GRATIS een verhaal
Het Grimm Project: Alle sprookjes van de gebroeders Grimm
Het Grimm Project: Alle sprookjes in Nederlandse vertaling
Verhaal bij het thema
TREFWOORDEN:
Vind gelijksoortige verhalen via onderstaande trefwoorden:


Meer informatie over "De gouden gans" via meer info
Stichting Beleven

Coehoornstraat 35
6811 LA Arnhem
www.beleven.org

 

 

Nieuwste verhaal:
Zoek op internet:


Lees ook:
Nieuwsbrief
inschrijven
voorbeeld Nieuwsbrief voorbeeld
RSS-feed Verhalen
RSS-feed Feesten
RSS-feed Vandaag de dag