Volksverhalen Almanak

De Man met de Rode Tanden Een religieus Frans sprookje over een geheimzinnig beroep

Te Agen heeft eens een jong meisje geleefd dat zich had voorgenomen met niemand anders te trouwen, dan met een man met rode tanden. Ze was heel mooi, dat meisje, en veel flinke jonge mannen kwamen haar ten huwelijk vragen. Graag zouden haar ouders hebben gezien dat ze aan een van hen haar hand had geschonken, maar ze bedankte de een na de ander, totdat eindelijk, na zeven jaren, een man met rode tanden haar ten huwelijk kwam vragen. Niemand wist wie hij was en waar hij vandaan kwam, maar het meisje zei dadelijk: "Ja, deze man is het, op wie ik al die jaren heb gewacht. Met hem wil ik trouwen en met geen ander."

De Man met de Rode Tanden stond er op, dat het huwelijk de volgende dag al zou worden voltrokken. Hij kon onmogelijk langer wachten, zei hij. En zo waren ze dan een dag daarna al man en vrouw. De eerste morgen na de bruiloft stond de Man met de Rode Tanden voor dag en dauw op, gaf zijn paard een gehele krib vol haver, zadelde het, en reed weg zonder eerst afscheid te hebben genomen van zijn jonge vrouw. Pas toen de nacht aanbrak zag ze hem terug. "Lieve man," riep ze uit, "wat ben ik ongerust over je geweest! Waar bleef je toch de hele dag? Ik kon niet anders denken, dan dat je een ongeluk was overkomen! Zeg, mijn lieve man, waar was je toch?"

Maar wat ze ook zei of vroeg en hoe ze ook haar best deed om te weten te komen, waar hij toch de hele dag was geweest, de Man met de Rode Tanden antwoordde niet alleen geen woord op al haar vragen, maar reed ook de volgende morgen weer op dezelfde tijd de poort uit. Zijn vrouw, die hem, zonder dat hij het wist, was nageslopen tot in de stal, keek hem na, totdat hij en zijn paard aan de gezichteinder verdwenen, en liep toen schreiend naar haar ouders. "Ach, mijn lieve vader, moeder en broers, help mij toch, geef me raad!" snikte ze, "ik weet niet, wat mijn man bezielt! Elke morgen voor dag en dauw rijdt hij uit, om pas tegen de nacht terug te keren. En het ergste van alles is dat hij me geen antwoord geeft als ik hem smeek mij te zeggen waar hij geweest is. O moeder, moeder, ik ben bang, dat hij misschien een vroegere geliefde gaat bezoeken, en die gedachte maakt mij zo diep ongelukkig!"

"Huil maar niet, lieve zuster," zei nu haar oudste broer. "Vertrouw maar op mij. Ik zal zorgen morgenochtend voor dag en dauw in de stal te zijn en je man vragen of ik met hem mee mag rijden, achter op zijn paard. Dan zie ik meteen waar hij naar toe gaat, en kan je 's avonds alles vertellen."

Zo gezegd, zo gedaan. Nog eer de Man met de Rode Tanden de volgende ochtend zijn paard had bestegen, stond daar plotseling de oudste broer van zijn vrouw voor hem en vroeg vriendelijk of hij die dag eens met hem mocht uitrijden? "Ja zeker, met plezier, beste zwager," was het antwoord, "spring maar achter mij op het paard, dan gaan we er dadelijk van door."

Het paard galoppeerde en galoppeerde maar, drie uren achtereen. Het scheen nooit vermoeid te worden; maar eindelijk liet de Man met de Rode Tanden het stilhouden op een open plek in een bos waar een zilveren waterstraal hoog opspoot uit de grond. "Stijg af, zwager," zei hij, "en verfris u door een dronk uit deze fontein. We zullen hier even rusten." Meteen stegen ze beide af, en bonden het paard aan een boom. De jonge zwager liep dadelijk naar de fontein, want hij verging van de dorst. Hij schepte water in zijn holle hand en dronk het gretig uit. Maar nauwelijks had hij gedronken, of hij zonk neer in de schaduw van een boom, in diepe slaap gedompeld.

Pas toen de zon al begon onder te gaan, kwam de Man met de Rode Tanden hem wekken. Verbaasd keek hij om zich heen. "Hè," zei hij, "heb ik geslapen?" - "Ja zeker," lachte de Man met de Rode Tanden, "of je geslapen hebt! Ik kon je bijna niet wakker krijgen. Maar sta nu op; we moeten haast maken om thuis te komen." Een ogenblik later zaten ze weer samen op het paard, en voort ging het! Toch was het al bijna middernacht, toen ze eindelijk thuiskwamen. De Man met de Rode Tanden ging dadelijk naar bed en nauwelijks lag hij er in, of hij sliep ook al.

Toen stond zijn vrouw stilletjes op, en sloop naar de kamer van haar broer. "Lieve broer, vertel mij nu alles! Spreek op, wat breng je me voor nieuws?" - "Niet zoveel als ik gewenst had, zuster. Ik zal je precies vertellen, wat er gebeurd is. Na eerst een uur of drie in gestrekte draf te hebben gereden, liet de Man met de Rode Tanden het paard stilhouden op een open plek in een bos waar een fontein van zilveren water opspoot uit de grond. Ik had dorst, dronk uit mijn holle hand een beetje van dat heerlijke water, en - wat er toen verder met mij gebeurde, weet ik niet. Ik geloof dat ik geslapen heb, want je man zei tegen me, toen hij mij tegen zonsondergang kwam roepen, dat hij me bijna niet wakker had kunnen krijgen. Ja, en toen was 't hoog tijd om weer naar huis terug te keren, en dat deden we."

"En heb je mijn man niet gevraagd, waar hij ondertussen geweest was?"

"Nee, dat durfde ik niet; maar wees gerust, lieve zuster, ik zal morgen weer met hem uitrijden en 't zou wel heel vreemd moeten lopen, als ik het dan niet te weten kom. Ik zal in elk geval geen droppel meer van dat fonteinwater drinken, want ik begin nu te geloven dat dit me heeft doen inslapen."

Toen de Man met de Rode Tanden de volgende morgen zijn paard gevoederd en opgetuigd had, kwam zijn zwager opnieuw de stal binnen en vroeg vriendelijk, of hij nog eens met hem mee mocht. "Zeker, zwager, met alle plezier! Klim maar achter mij op het paard." Weer reden ze enige uren onafgebroken door en weer hielden ze stil bij de zilveren fontein. "Komaan, zwager," zei de Man met de Rode Tanden, "drink een slokje van dit heldere water, dat zal je goed doen." - "Maar ik heb helemaal geen dorst! Waarom zou ik dan drinken?" - "Nu, als je dan geen dorst hebt, een stuk brood met spek zul je zeker wel lusten."

Meteen haalde hij uit zijn knapzak eerst een tarwebrood te voorschijn, en daarna een stuk zwaar gezouten rookspek, dat hij in schijven sneed. Zo zout was dit spek, dat de jongeman, na er een paar hapjes van te hebben gegeten, zo'n hevige dorst kreeg, dat hij zich niet kon weerhouden, een heel klein slokje van het zilveren water te drinken. Maar ook nu weer viel hij daarna in een vaste slaap, waaruit de Man met de Rode Tanden hem pas kwam wekken, toen de zon reeds onderging. "Wel, wel, zwager, wat kan jij slapen! Ik kon je haast niet wakker krijgen! Maar nu moet je heus opstaan. 't Is hoog tijd, dat we naar huis terugkeren."

En ze reden naar huis, zonder een van beiden een woord te spreken. Ook dezen keer was het alweer middernacht, eer de Man met de Rode Tanden naar bed ging. Ook thans weer wachtte zijn vrouw totdat hij sliep, en sloop toen zachtjes naar de kamer van haar broer. "Welnu, beste broer, heb je het ontdekt?" - "Nee, niets heb ik ontdekt! Wij stegen weer af bij de zilveren bron en je man raadde mij ook nu weer van het lekkere water te drinken. Maar ik zei dat ik geen dorst had en deed het niet. Toen gaf hij me brood met spek te eten, en dat spek was zo zout, dat ik er een ondraaglijke dorst van kreeg. Eer ik er aan dacht, had ik al water uit de zilveren fontein geschept en er één slokje van gedronken. O, had ik het maar niet gedaan! Want ook nu weer viel ik in slaap, en pas toen de zon onderging werd ik door de Man met de Rode Tanden gewekt. Ook deze keer heeft hij mij niet verteld waar hij geweest was, terwijl ik sliep. En nu heb ik er genoeg van! Ik ga nooit meer met hem uit."

De arme vrouw begon te schreien toen hij dit zei, en ze bad en smeekte hem, het nog éénmaal te proberen. Hij echter bleef koppig en was er niet toe te bewegen. Maar haar jongste broer, die in dezelfde kamer sliep, werd wakker door haar snikken. Toen ze hem de reden vertelde, bood hij dadelijk aan, op zijn beurt ook eens met de Man met de Rode Tanden mee te gaan. Hij zou wel te weten komen waar die naar toe ging, meende hij.

Zijn zuster echter aarzelde om zijn aanbod aan te nemen; want de arme jongen had immers geen groot verstand! Maar hij bleef net zolang aanhouden, tot ze hem haar toestemming gaf. "Geloof maar vast, lieve zuster," zei hij "dat ik geen druppeltje van het zilveren water zal drinken en nog minder van het zoute spek eten - en dan zal 't me eens benieuwen hoe mijn zwager mij dan in slaap zal krijgen! Ga jij maar gerust naar bed, ik zal wel zorgen dat ik het geheim te weten kom."

Toen de Man met de Rode Tanden de volgende ochtend bezig was zijn paard te zadelen, stond daar opeens zijn jongste zwager voor hem. "Mag ik vandaag eens meerijden?" vroeg hij. "Met plezier, beste jongen," was het antwoord, "klim maar achter mij in het zadel." Na een uur of drie in gestrekte draf te hebben gereden, bracht de Man met de Rode Tanden ook deze keer zijn paard tot staan op de plek waar de zilveren waterstraal hoog opspoot uit de grond. "Beste jongen," zei hij vriendelijk, "je zult wel moe zijn. Kom, drink een slokje van dit heerlijke water, dat zal je goeddoen."

"Dank je wel, zwager, maar ik heb heus geen dorst."

"Laten we dan wat gaan eten. Kijk, hier is brood en spek. Neem er van, zoveel je lust."

"Eet jij maar brood met spek, zwager, ik heb van morgen stevig ontbeten en dus nu helemaal geen honger."

"Goed, dan zullen we alleen maar een poosje uitrusten onder de schaduw van deze beuk, beste jongen."

"Ga jij maar rusten, zwager, ik blijf liever op het paard zitten."

En, wat de Man met de Rode Tanden ook zei, de jongen bleef maar stil op het paard zitten en wou niet drinken, eten of rusten. Toen zat er niets anders op, dan dat de Man met de Rode Tanden zijn geheimzinnige reis met hem voortzette. En dat deed hij.

Na een poos kwamen ze bij een veld, waar twee mannen aan het spitten waren. "Beste jongen," zei toen de Man met de Rode Tanden, "wil jij even het paard bij de teugel houden, terwijl ik een ogenblik met die mannen praat? Ik heb hun iets te zeggen."

Ja, dat wou de jongen wel. Maar pas had de Man met de Rode Tanden zich verwijderd, of hij bond het paard aan een boom en sloop zijn zwager stilletjes achterna, zonder door hem te worden gezien.

Deze ging echter de spittende mannen voorbij en liep net zo lang door, totdat hij op een vlakte kwam, zo dor en onvruchtbaar, dat er bijna geen grasje groeide. Toch zag de jongen hier een massa koeien en ossen, die er allen even vet en glanzig uitzagen. Verderop echter werd het land vruchtbaarder. Lang, mals gras bedekte de bodem. Een waar lustoord moest dit zijn voor alle vee! Maar - o wonder! - de koeien en ossen die hier graasden, waren allen zo mager als talhoutjes!

En altijd verder liep de Man met de Rode Tanden, steeds gevolgd door zijn jonge zwager. Nu kwamen ze op een gewone weide, waar geiten en schapen graasden, die men niet vet en niet mager kon noemen. 't Waren in alle opzichten heel gewone beesten. Na dit veld te hebben doorlopen, ging de Man met de Rode Tanden een klein kerkje binnen, de deur zorgvuldig achter zich dichttrekkend.

De jongen, nieuwsgierig om te weten wat daarbinnen gebeurde, keek door het sleutelgat, en het eerste wat hij zag, was een altaar, waarop maar één korte kaars brandde. Een priester las de mis en de Man met de Rode Tanden verrichtte het werk van een koster. Ondertussen kwamen uit alle windstreken massa's vogels aangevlogen, die uit alle macht met hun vleugels tegen de ruiten van het kerkje sloegen. Ze pikten er tegen met hun snaveltjes, maar geen van de twee mannen opende een raam om hen binnen te laten, al piepten ze ook nog zo smekend.

Na afloop van de mis sloeg de Man met de Rode Tanden het misboek dicht en blies de kaars uit, maar voordat hij uit de kerk kwam, was zijn jonge zwager al lang verdwenen. Hij vond die even later gehoorzaam bij het paard staan wachten, met de teugels in de hand.

"Zo, beste jongen, wat zou je er van denken, als we nu eens naar huis terugreden?"

"Ik vind alles goed, zwager."

Toen stegen ze allebei weer te paard en kwamen thuis nadat de zon pas was ondergegaan. Onder het avondeten vertelde de jongen alles wat hij had gezien terwijl de Man met de Rode Tanden niet beter had geweten, of hij was bij het paard gebleven.

"Zeg, Man met de Rode Tanden, waarom heb je niet tegen de gravende mannen gesproken, zoals je mij gezegd had te zullen doen?"

De man met de Roode Tanden antwoordde niet.

"Man met de Rode Tanden, leg mij toch eens uit, hoe het komt dat de koeien en ossen op dat onvruchtbare veld zo dik en vet kunnen blijven?"

"Beste jongen, dat veld is het Paradijs, en die tevredene, glanzige koeien zijn de zielen der Zaligen."

"Man met de Rode Tanden, leg mij nu ook eens uit, hoe die andere koeien en ossen zo akelig mager blijven, terwijl ze toch grazen op een weide, zo mals, dat ze tot aan de buik in het gras staan?"

"Beste jongen, dit veld is de Hel, en die ellendige, magere koeien zijn de zielen der Vervloekten."

"Man met de Rode Tanden, leg mij nu ook eens uit wat het betekent, dat op die andere, gewone wei, allemaal gewone schapen en geiten grazen - niet vet en niet mager?"

"Beste jongen, deze wei is het Vagevuur en de schapen en geiten, die je daar hebt zien grazen, zijn de zielen van hen, die het ogenblik van hun verlossing zien naderen."

"Man met de Rode Tanden, leg ons nu ook nog eens uit, wie de priester is, die in dat eenzame kerkje de mis leest achter het altaar, waarop die ene korte kaars staat tussen al de langere?"

"Beste jongen, deze priester is Onze Lieve Heer."

"Man met de Rode Tanden, leg ons nu ook nog eens uit, wat die arme vogeltjes betekenen, die van alle windstreken komen aangevlogen en met hun vlerken en snavels tegen de glazen kloppen, aldoor piepend, alsof ze smeekten, te worden binnengelaten?"

"Beste jongen, die vogeltjes zijn de zielen van alle kinderen, die stierven voordat ze gedoopt werden en daarom nooit het Paradijs mogen binnengaan."

"Man met de Rode Tanden, leg ons nu ook nog eens uit, wat het betekent, dat één van de kaarsen op het altaar zoveel korter was, dan al de anderen?"

"Beste jongen, hij die heeft gezien wat jij zag, voor hem valt er op deze wereld niets meer te leren. En zo waar het is dat u, eer er een minuut verlopen is, het Paradijs zult binnengaan, even waar is het, dat deze kaars het zinnebeeld was van uw levenslicht, dat uitging nadat het laatste evangelie gelezen was."


*   *   *

De Man met de Rode Tanden Samenvatting
Een religieus Frans sprookje over een geheimzinnig beroep. Een meisje wil per se trouwen met een man met rode tanden. Uiteindelijk vindt ze iemand, maar wat hij voor werk doet is onduidelijk. Haar broers proberen er achter te komen, maar alleen de jongste broer ontdekt het geheim van zijn zwager. Lees het verhaal

Toelichting
Agen is een gemeente in het Franse departement Lot-et-Garonne (regio Aquitanië) en telt 30.170 inwoners (1999). De plaats maakt deel uit van het arrondissement Agen. De inwoners worden Agenais genoemd.

Vergelijk met Het Kristallen Paleis.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 167-175.

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 24 min.
Leeftijd: vanaf 13 jaar

Lees ook