Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 24 min.
Herkomst:




De ram, de zalm en de adelaar Een volkssprookje uit Amerika over drie in dieren betoverde koningen

Aan de oever van een brede rivier woonde in een houten hut een wever. Zijn vrouw en zijn drie dochters hielpen hem bij het weven van het linnen. In het voorjaar ging de wever met zijn linnen naar de stad om het te verkopen. Van het geld waarmee hij thuiskwam, kon het gezin zo'n beetje rondkomen.

Maar er brak een lange strenge winter aan en het vroor zo hard, dat de schors van de sparren scheurde. De hut was onder de sneeuw verdwenen, alleen de schoorsteen stak er nog uit. Al gauw was al het hout opgestookt en het bleef hard vriezen. En op zekere morgen nam de wever zijn zaag en zijn bijl om in het bos een spar te vellen.

"Jij gaat met me mee, Mabel," zei hij tegen zijn oudste dochter. "Je kunt me helpen de takken af te kappen."

Maar nauwelijks had de wever in het bos zijn bijl in een sparrenstam geslagen, of er kwam een wit paard aanrennen met een ruiter in witte kleren op zijn rug.

"Ik heb al dagenlang op je gewacht," zei de ruiter tegen de wever. "Ik wil je dochter als vrouw, weet je."

"U denkt toch niet, waarde heer," zei de wever verbluft, "dat ik mijn dochter aan een man geef, als ik niet eens weet hoe hij heet?"

"Ja, luister eens," zei de ruiter in de witte jas, "jij geeft me je dochter en ik geef je zoveel goud als je in je zak maar kunt bergen."

De wever hoefde niet lang na te denken. Hij stemde toe. De onbekende smeet een buidel in de sneeuw, die openbarstte. De wever zag dat er werkelijk goudstukken inzaten. De man greep toe en vulde er zijn zak mee, tot er geen goudstuk meer bij kon. En eer de wever het wist, stak er een storm op, die de sneeuw deed opwarrelen. Toen de storm bedaarde, was de ruiter in de witte jas met de dochter van de wever verdwenen. Het deerde de wever nauwelijks. Hij velde zijn spar, zaagde het hout klein en laadde het op zijn slee en tegen de avond zocht hij zijn hut weer op.

Onderweg overdacht hij nog eens wat er gebeurd was en voelde zich toch wel wat schuldig. Hoe moest het nu verder? Het goud begroef hij tenslotte in een sneeuwbank en bij zijn thuiskomst in de hut zei hij tegen zijn vrouw: "Onze dochter vond het te koud. Ze is naar de boshut gegaan om daar te overnachten."

De volgende ochtend ging de wever aan zijn weefgetouw zitten, maar al spoedig vroeg zijn vrouw: "Waarom zou onze dochter niet thuiskomen?"

"Ach, ze zal zo dadelijk wel komen," antwoordde de wever en voelde zich slecht op zijn gemak.

Er verstreek een dag, een tweede dag, maar de weversdochter kwam niet opdagen. En het leek wel alsof de hemel opengebarsten was; de sneeuw viel zo dicht, dat je nauwelijks een stap voor je uit kon kijken. Daarbij vroor het zo hard, dat de dakspanen scheurden.

"Er helpt niets aan," zei de wever op een morgen, "ik moet nog eens het bos in. Jij gaat mee, Rosie, je moet me helpen met het houtkappen."

Nauwelijks had de wever evenwel in het bos zijn bijl in een hoge den geslagen, of er kwam een bruin paard aanrennen met een in het bruin geklede ruiter op zijn rug.

"Ik heb al op je gewacht," zei de onbekende. "Geef me je dochter tot vrouw." De wever had er geen oren naar. Maar de ruiter gaf het niet op. "Geef mij je dochter en ik zal je zoveel goud geven als je in je muts kunt bergen."

En de wever had de buidel met goud nog niet gezien, die de onbekende in de sneeuw smeet, of hij vergat alle goede voornemens en stemde toe. De ruiter vulde de muts van de wever met goud. En net als de eerste keer stak er een storm op, de sneeuw warrelde hoog op en toen de wever opkeek, was de onbekende met zijn dochter verdwenen.

De wever kreeg het te kwaad: "Wat heb ik aan dat goud," huilde hij. "Ik kan het niet meer zien!"

Hij begroef het in de sneeuwbank, velde zijn den en kwam met een slee vol hout thuis in zijn hut.

"Waar is onze dochter?" vroeg zijn vrouw.

"Ze had honger," zei de wever. "Ze is naar de boshut gegaan. Ze zal morgenochtend wel thuiskomen."

En toen de ochtendschemering aanbrak, begon de wever aan zijn weefgetouw te werken. "Waar zou onze dochter toch blijven?" vroeg zijn vrouw hem telkens weer. De wever gaf geen antwoord. Hij treurde om zijn dochter.

Enkele dagen later was al het hout al weer opgestookt en nog altijd viel er sneeuw uit de grauw versluierde lucht.

"Ga mee, Mary," zei de wever tegen zijn jongste dochter. "Je moet me helpen bij het houthakken."

"Mary blijft thuis!" riep de weversvrouw.

"Laat me maar meegaan," zei de jongste dochter tegen haar moeder. "Maak je over mij niet bezorgd, ik kom echt wel weer thuis."

Nauwelijks had de wever evenwel zijn bijl in een oude spar geslagen, of er kwam een zwart paard aanrennen met een in het zwart geklede ruiter op zijn rug.

"Ik wachtte al op je," zei de onbekende ruiter. "Geef me je jongste dochter tot vrouw."

"Dat doe ik beslist niet!" riep de wever. "Dat doe ik nog niet voor een hele hoed vol goud."

"Een hoed vol goud zou voor zo'n mooie bruid ook veel te weinig zijn. Ik zal je een baal vol goud geven."

De wever zuchtte. Een baal goud! Daarvoor zou hij een huis in de stad kunnen kopen en een rijtuig met fraaie paarden erbij en hij zou de rest van zijn leven niet meer aan het weefgetouw hoeven zitten.

"O jij ellendeling!" schreide zijn vrouw, toen de wever 's avonds alleen thuiskwam. "Waarom heb ik je maar laten doen? Je wilt beweren, dat Mary naar de stad is gegaan om een hoofddoek te kopen? Nee, die komt niet terug, net zo min als Mabel en Rosie teruggekomen zijn."

"Je moet het niet zo somber inzien," zei de wever nijdig, maar hij keek zijn vrouw niet aan. "Mary zal wel weer thuiskomen. Wacht maar tot de sneeuw weggesmolten is."

En hij liep naar zijn weefgetouw en ging aan het werk. Maar zijn hart kromp ineen, nu hij besefte wat hij gedaan had.

De sneeuw smolt weg, de rivier dreef vol ijsschotsen. De wilgen aan de oever werden groen en de dochters kwamen niet thuis.

Maar in die tijd werd de weversvrouw moeder van een zoon en al gauw lachte het kind zo vrolijk tegen haar, dat ze het heimwee naar haar dochters meer en meer vergat.

Die zoon groeide in de loop van de jaren op tot een kloeke jongeman. En toen hij op een avond thuiskwam uit het bos, zag hij zijn moeder bij het haardvuur zitten schreien.

"Waarom huil je, moeder?" vroeg de zoon.

"Ach, ik heb heimwee naar mijn dochters," liet de moeder zich ontvallen. De jongeman begon haar uit te horen en tenslotte vertelde ze hem, wat er met zijn drie zusters was gebeurd. De jongeman dacht een jaar lang na over wat hem te doen stond. Toen zei hij: "Ik ga op zoek en ik zal blijven zoeken tot ik mijn zusjes gevonden heb."

Zijn ouders wilden hem tot andere gedachten brengen. Ze waren bang dat ook hun zoon niet meer thuis zou komen.

Maar de zoon liet zich niet van zijn plan afbrengen.

En daarom gaf zijn moeder hem een nieuwe jas en drie broden en deed hem snikkend uitgeleide.

De jongeman trok door de dichte bossen tot hij uitkwam op een brede weg. Daar bleef hij staan, zocht een zitplaats onder een struik, sneed een stuk brood af en wilde aan zijn avondmaal beginnen. Hij had nog geen hap genomen, of er kwam een kabouter met een rode puntmuts te voorschijn vanachter een steen en die zei: "Wat ruikt het hier heerlijk naar brood. Dat heb ik in lange tijd niet geproefd. Wil je mij ook een stukje van je brood geven?"

"Welja," zei de jongeman en hij gaf de kabouter een stukje.

De kabouter at het brood op, strooide de kruimels uit voor de mieren en zei: "Omdat je zo goedhartig bent, zal ik je drie helpers meegeven. Zie je dit zwaard? Het is zo scherp dat je er een steen mee kunt splijten. En op dit kleedje zul je, zodra je het uitspreidt, zoveel te eten vinden als je hartje begeert. En dan geef ik je deze mantel nog, waarin je onzichtbaar zult zijn, zodra je hem aantrekt."

De kabouter borg het zwaard, het kleedje en de mantel in een notendop en stopte de notendop in de zak van de jongeman.

De kabouter verdween achter de steen en op hetzelfde ogenblik begon het zwaar te donderen. De aarde spleet open en de jongeman zag een lange gang. Door die gang bereikte hij een schitterend kasteel. Het had een poort van goud en daar stond een jonge vrouw.

"Ga terug, jongeman!" riep ze angstig. "Als mijn man thuiskomt, zal hij je verslinden."

"Ik zoek mijn zusjes," zei de jongeman en hij vertelde al wat hij van zijn moeder gehoord had.

"Maar dan ben ik je oudste zusje," zei de jonge vrouw en ze omhelsde haar broer. "Maar nu moet je je verstoppen, want mijn man kan elk ogenblik thuiskomen."

En jawel, de jongeman had zich nog niet achter een rozenstruik verscholen, of uit de lucht daalde een witte ram neer, die riep: "Wie heeft het gewaagd hier binnen te dringen?"

"Het is mijn broer, die me is komen bezoeken. Ik zal hem roepen, als je belooft hem geen kwaad te doen."

Dat beloofde de ram en de oudste zuster riep haar broer en de jongeman kreeg heerlijk te eten en te drinken en een zacht bed.

Toen de jongen de volgende ochtend vertrok om zijn tweede zusje te gaan zoeken, rukte de ram een pluk haar uit zijn vacht, die hij aan de jongeman gaf, zeggend: "Mocht je hulp nodig hebben, wrijf die haren dan maar tussen je vingers en alle rammen zullen weten wat hun te doen staat."

De jongeman trok zijn tovermantel aan en begon zijn tocht en als hij honger had, spreidde hij zijn kleedje uit in het gras, at zijn buik vol en ging verder.

Na lange tijd verhief zich voor hem uit tussen twee bergen een statige burcht en aan de poort ervan stond een jonge vrouw. Nauwelijks had de jongeman zich van zijn tovermantel ontdaan, of ze riep vol blijdschap: "Jij bent mijn broer! Ik weet het, omdat ik al drie nachten van je gedroomd heb."

Ze omhelsden elkaar en de jonge vrouw verstopte haar broer in de put. Toen de duisternis inviel, kwam een forse zalm de rivier opzwemmen. Bij de burcht sprong hij het water uit en vroeg: "Wie heb je voor me verstopt?"

Nadat de jonge vrouw gezegd had wie haar was komen bezoeken, gaf de zalm opdracht de gast een goed avondmaal voor te zetten en hem een zacht bed te geven.

De volgende ochtend trachtte de zalm de jongeman te overreden in de burcht te blijven wonen, maar daarvan wilde de jongen niet horen.

De zalm trok een schub uit zijn staart, gaf die aan de jongeman en zei: "Als je hulp nodig mocht hebben, strijk je maar over deze schub en dan weten alle zalmen wat hun te doen staat." De jongen nam afscheid van zijn zusje en trok er weer op uit.

De derde dag bereikte hij een indrukwekkend slot en daar vond hij zijn jongste zusje. Toen de avond inviel, daalde er een zwarte adelaar neer en zodra hij hoorde, wie er op bezoek was gekomen, gaf hij opdracht een heerlijk avondmaal op tafel te zetten en een zacht bed op te maken.

Toen de jongeman de volgende ochtend afscheid nam, trok de adelaar een van zijn veren uit en zei: "Je had best bij ons kunnen blijven. Maar nu je toch weg wilt gaan, geef ik je deze veer. Mocht je hulp nodig hebben, dan houd je de veer maar omhoog en alle adelaars zullen het teken herkennen."

En de adelaar verhief zich in de lucht en verdween achter het donkere bos.

"Nu heb je ons dus alle drie gevonden," zei het jongste zusje tegen haar broer: "En zoals je ziet, heeft niet een van je zusjes het slecht getroffen. Maar het mooie meisje in het kasteel achter het bos is er slecht aan toe. Ze wordt daar door een machtige reus gevangen gehouden."

"Ik zal kijken wat ik voor haar kan doen," zei de jongen en hij sloeg zijn tovermantel om en ging op weg.

Nadat hij het kasteel achter het bos had bereikt, kroop hij weg onder een struik en wachtte af.

Tegen de avond stak er een storm op en bij het rollen van de eerste donderslag kwam de reus thuis. Hij bulderde het meisje toe: "Wie heb jij voor mij verborgen?"

"Ik weet echt niet waarover je het hebt," zei het meisje en ze keerde de reus haar rug toe en wilde het kasteel binnengaan.

De reus stak zijn arm uit, greep haar bij het haar en begon haar door elkaar te rammelen.

Nu sprong de jongeman in zijn tovermantel vanachter de struik, trok zijn zwaard en sloeg op de reus in, die zich fel verweerde.

De hele nacht vochten ze tegen elkaar, maar de reus liet zich niet verslaan en de jongeman kon van vermoeidheid nauwelijks meer op zijn benen staan. Hij besloot dan ook tot de middag te gaan rusten.

Ook de reus viel in een diepe slaap. Toen hij wakker werd, zei hij tegen het meisje: "Die onzichtbare beschermer van je kan goed met het zwaard omgaan. Maar wat zal het hem baten? Overwinnen kan hij me nooit, want hij weet niet dat mijn hart verborgen zit in het ei van de wilde eend, die in het meer in het zwarte bos zwemt."

Na dit te hebben gezegd, strekte de reus zich weer in het gras uit en sliep door.

Maar de jongeman had hem afgeluisterd. Haastig wreef hij de zalmschub tussen zijn vingers en ogenblikkelijk sprongen alle zalmen het water uit en in het meer in het zwarte bos. Ze begonnen jacht te maken op de wilde eend en slaagden erin de vogel te vangen en in een ijzeren trommel op te sluiten.

Helaas verloren ze de sleutel van die trommel.

Nu wreef de jongeman de witte haren van de ram tussen zijn vingers en alle rammen stormden naderbij. Om de beurt bestormden ze de trommel en de laatste ram slaagde erin de trommel te doen openbarsten.

Maar ja, de eend vloog de trommel uit en verdween achter het bos.

Nu hief de jongeman de adelaarsveer op en alle adelaars kwamen aanvliegen en zetten de eend na en de grootste adelaar haalde haar in en ontrukte haar het ei.

Op datzelfde ogenblik hield het hart van de reus op met kloppen.

Nu wierp de jongeman zijn mantel af, nam het mooie meisje bij de hand en nam haar mee naar zijn jongste zusje.

En wat wachtte hem daar? Niet de zwarte adelaar: hij werd begroet door een koning in een zwarte jas. Zeven jaren was de man betoverd geweest. Nu was de betovering verbroken.

Negen dagen aaneen werd er vrolijk feestgevierd op het slot en op de tiende dag vertrokken zij allen naar het middelste zusje, naar de burcht van de zalm.

Aan de poort werden ze evenwel niet begroet door de zalm, maar door een koning in een bruine jas.

Negen dagen aaneen werd er in de burcht vrolijk feestgevierd en de tiende dag gingen ze met hun allen naar het oudste zusje, naar het kasteel van de ram.

En aan de poort werden ze niet begroet door de witte ram, maar door een koning in een witte jas. Net als zijn twee zwagers was hij zeven jaren tevoren door een bosgeest in een andere gedaante veranderd.

En nog eens werd er negen dagen lang feestgevierd. De tiende dag nam de jongeman het mooie meisje evenwel weer bij de hand en trok met haar naar de plek, waar de kabouter hem het zwaard, het kleedje en de mantel had gegeven.

De jongeman had die drie voorwerpen inmiddels niet meer nodig en hij gaf ze dan ook met uitbundige dankwoorden aan de kabouter terug.

Niet lang daarna werd er in de hut van de wever bruiloft gevierd. En toen iedereen genoeg had gegeten en gedronken, hadden de wever, de weversvrouw, de zoon en de drie dochters het nog lang over de geschiedenis, die wij nu ook kennen.


*   *   *

De ram, de zalm en de adelaar Samenvatting
Een volkssprookje uit Amerika over drie in dieren betoverde koningen. De drie dochters van een arme wever worden door onbekende ruiters als bruid meegenomen in ruil voor heel veel goud. Jaren later gaat de zoon van de wever op zoek naar zijn zussen. Hij ontdekt dat ze getrouwd zijn met koningen die in dierengedaantes zijn betoverd. Het lukt hem de betovering te verbreken door een reus te doden. Lees het verhaal

Toelichting
Vergelijk met het verhaal uit de Pentamerone (Italië): De drie koningsdieren.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van de prairie. Verhalen uit Noord-Amerika" door Vladimir Stuchl. Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1982. ISBN: 90-202-0051-8

Herkomst: Verenigde Staten
Verteltijd: ca. 24 min.
Leeftijd: vanaf 9 jaar

Lees ook