Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 15 min.
Herkomst:




Peter Morris en de duivel Een sprookje over de duivel uit de Nederlandse Antillen

Er was een groot kaartspeler die Peter Morris heette. Op een zeer donkere avond had hij een ontmoeting met de duivel, die wist dat hij dol op kaarten was. Hij vroeg hem om een spelletje mee te spelen.

"Dat is goed," zei Peter, "als ik maar met mijn eigen kaarten mag spelen." Hij pakte zijn eigen spel en speelde met de duivel. Het ging beter, het ging slechter met Jack, maar uiteindelijk won hij al het geld van de duivel. De duivel zei tegen hem: "Kom me morgen om twaalf uur in de hel opzoeken om mij mijn geld terug te geven! Als je dat niet doet, neem ik je ziel."

Peter nam zijn ezel, een fles water en wat eten mee, hij reisde de hele dag maar er kwam geen eind aan de weg. Toen de zon al was ondergegaan zag hij een groot licht bij de berg. Hij volgde het licht en hij ontmoette een stokoud vrouwtje. Ze zei: "Mijn jongen, wat doe je zo laat aan deze kant van de wereld?" Hij antwoordde: "Ik heb wat geld van de duivel gewonnen, en nu moet ik het terugbrengen."

"Beste jongen, wat heb je met hem afgesproken! Heb je nooit gehoord dat hij de vader van de leugenaars genoemd wordt? Maar hij zegt dat hij drie dochters heeft, dat zijn dus mijn kleinkinderen. Ze komen elke ochtend naar de rivier om daar te baden. Morgen zul je drie duiven over de rivier zien vliegen, en ze veranderen in drie vrouwen. En een van die drie zal haar jurk op een andere manier opvouwen dan de andere twee. Als ze in de rivier zijn moet je haar jurk doorzoeken, en dan zul je een gouden ster vinden. Verberg hem, en als ze hem gaat zoeken moet je haar helpen. Dan doe je alsof je hem gevonden hebt. Als je dan met haar meegaat, zal zij je beschermen."

Zo gebeurde het: het meisje kwam, ze raakte haar ster kwijt en ze zei dat ze haar leven zou willen geven om de ster terug te vinden. Peter vroeg haar: "Wat ben je verloren?" en ze antwoordde: "Ik ben een ster kwijtgeraakt." - "En als ik hem vind, wat geef je me dan?" - "Zo'n grote gift, dat ik het je niet kan vertellen." Hij liep een stukje van haar weg, naar waar hij de ster verstopt had, haalde hem te voorschijn en zei: "Is dit soms wat je zoekt?"

Ze zei: "Ja," en daarna vroeg ze: "Waar ga je nu heen?" - "Ik ga naar de hel om de duivel zijn geld terug te geven." - "Hij zal je aan het werk zetten," zei ze, "het is mijn vader. Wat voor werk hij je ook wil laten doen, doe het niet. Blijf ervan af. Ik zal het wel voor je doen. Maar hij is laf, en je moet nooit laten zien dat je bang bent. Wees maar een beetje grof." En ze nam afscheid van Peter.

Peter volgde haar. Hij kwam bij de poort van de hel, liep de trap af en groette de duivel.

"Wel alle hellevuur en vervloeking! Kom hier en haal het zadel van mijn paard," zei die, "nou, kan je erbij?"

"Als het zes keer zover was," zei Peter, "zou ik mijn hand moeten uitsteken."

"Wel Peter, pak een stoel," zei de duivel. "Peter, toen je in die andere wereld was heb je ze vast wel horen zeggen: 'de duivel heeft me dit laten doen, de duivel heeft me dat laten doen.' En ik ben er niet eens in de buurt geweest. Peter, ik val ze niet lastig. En ze zeggen dat de hel heet is. Zou je een koelere en aangenamere plek dan hier willen?"

De dochter van de duivel zei tegen Peter dat hij niet stil mocht blijven zitten in zijn stoel, dat hij altijd moest blijven schommelen, omdat de duivel een duiveltje onder de stoel had verborgen om hem te verbranden. Om Peter te laten ophouden met schommelen veranderde de duivel het duiveltje in een kat. De stoel ging op de kat staan en de kat begon te klagen: "Miaaauw, miaaaauww."

"Peter, je verplettert mijn kat."

"Ik zou naar God gaan als ik jou kon verpletteren in plaats van je kat."

"Die naam wil ik hier niet horen," zei de duivel.

"Ik zou naar God gaan als ik jou kon verpletteren in plaats van je kat."

En de duivel riep zijn dochter bij zich.

"Ah, Lizzie. Lizzie, het lijkt erop dat je me tegenwerkt."

"Papa, als je dat zou willen, zou ik naar God gaan."

"Ach nee, mijn dochter. Pa moet de uitdaging van zijn dochter aangaan."

Hij vertelde zijn dochter dat ze elk een mooie taart moesten maken; maar Lizzie moest de mooiste maken. Hij ging ervan uit dat Peter de mooiste taart zou kiezen. Maar Lizzie zei tegen Peter dat hij niet de mooie taart moest nemen.

Er was een kapotte taart bij, en Peter zei: "Ik wil deze."

De duivel vroeg hem of hij, als hij een vrouw zou uitkiezen, ook een lelijke zou nemen. Peter antwoordde: "Ik maak zelf wel uit wat ik hebben wil. Jij kunt niet voor me kiezen, ik kies zelf."

De duivel zei: "Ah, mijn dochter Lizzie, het lijkt erop dat ik vandaag in de hel een goede tegenstander ontmoet. Maar ga in de kelder een fles van de heetste rum voor me halen, en ook een van de koudste. Geef dan de hete aan Peter en de koude aan mij."

En Lizzie bracht twee flessen, eentje was gevuld met rum, en de andere met water. Ze gaf het water aan Peter, en de rum aan haar vader.

Peter nam zijn glas, en schonk het halfvol.

De duivel vroeg: "Peter, kon je drinken toen je in de andere wereld was?"

En Peter zei: "Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die meer rum op kon dan ik."

"Ik weet zeker dat je je meerdere vandaag bent tegengekomen."

Peter dronk zijn halve glas leeg. De duivel sprak: "Als een jongeman als jij een half glas op kan, kan ik als oude man een heel glas leegdrinken."

Hij vulde zijn glas en leegde het.

Peter zei: "Als een oude man als jij een heel glas op kan, zie ik niet in waarom ik als jongeman niet anderhalf glas kan leegdrinken."

"Als jij anderhalf glas op kan, snap ik niet waarom ik er geen twee op zou kunnen."

Peter zei: "Als een oude man als jij er twee op kan, zie ik niet in waarom een jongeman als ik er geen twee en een half zou kunnen drinken."

De duivel: "Als jij er twee en een half kan drinken, moet ik er drie op kunnen."

Peter: "Als een oude man als jij er drie op kan, zie ik niet in waarom een jongeman als ik er geen drie en een half zou kunnen drinken."

De duivel weer: "Als jij er drie en een half kan drinken, moet ik er vier op kunnen."

Toen hij zijn vierde glas geleegd had, viel hij achterover.

De dochter zei tegen Peter dat hij de wagen met goud moest vullen, zij kwam achter hem aan. Haar vader had twee nesten ganzen, het ene had drie eieren en het andere vier. Ze nam het nest met de vier, ze laadde de kar vol met goud en ze ging met Peter mee.

Toen haar vader bijkwam uit zijn roes, ontdekte hij dat Peter en zijn dochter er vandoor waren. Hij ging naar zijn kar en hij keek in het ganzennest. Hij vond slechts drie eieren, en zei: "Peter, kijk eens achterom en zie wie er achter je rijdt?"

"Ik zie iets zo klein als een vogeltje," zei Peter tegen de duivelsdochter.

"Dat is mijn vader," zei ze. Ze brak een ei en er ontstond een hoge berg. De duivel kwam bij de berg, brak ook een ei, en daardoor verdween de berg weer.

Het meisje brak haar tweede ei, en er kwam een grote, brede rivier uit.

De duivel brak een ei, en de bedding viel droog.

Zij brak een ei, en er waren ruige heuvels. De duivel brak een ei, en de heuvels verdwenen.

Nu had haar vader geen eieren meer, maar zij had er nog een. Toen ze achterom keek en hem zag, sloeg ze het stuk, en een gedeelte werd een rivier, een gedeelte werd een berg en een ander deel zee. Toen de duivel dat zag, ging hij terug naar de hel. Hij riep al zijn duiveltjes bij elkaar en riep: "Doorwerken, nikkers, geef ze d'r van langs, drijver." En hij ging naar de top van de berg en hij veranderde zichzelf in een haai. Dat is waarom ze zeggen dat een haai mensen eet - de duivel woont in hem.

Toen Peter thuiskwam bouwde hij een huis. En hij was verloofd met een vrouw, terwijl hij de dochter van de duivel bij zijn moeder achterliet. En toen de tijd van het huwelijk kwam, ging zij naar het feest. Voordat de plechtigheid werd voltrokken, kwam iedereen bij elkaar in het gastenvertrek, en het meisje vroeg of ze iets mocht zeggen. Iedereen vond dat goed. Ze zette een gouden haan en een gouden hen op tafel, en gooide een gouden graankorrel voor ze neer. De hen pikte de haan en ze zei: "Jij ondankbare nietsnut. Weet je nog dat ik mijn vader rum gaf, en jou water?" En ze gooide nog een gouden graankorrel neer, de haan wilde hem oppikken, maar de hen pikte hem weer, en zei: "Jij ondankbare nietsnut. Weet je nog dat jouw rijkdom komt uit het werk van mijn vader?" Peter zei: "Dames en heren, het is nu tijd dat ik u toespreek. Als u een oud slot had, en het was een goed en betrouwbaar slot, en u had de sleutel voor dat slot, en u kocht een nieuw slot, met de sleutel die daarbij hoort - zou u dan het oude slot weggooien?" En de gasten zeiden: "Nee, mijnheer Morris, want het oude gezegde luidt: nieuwe bezems vegen schoon." Hij nam de duivelsdochter tot vrouw en liet zijn verloofde achter...


*   *   *

Peter Morris en de duivel Samenvatting
Een sprookje over de duivel uit de Nederlandse Antillen.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Westindische sprookjes" uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 1994. ISBN: 90389-02719

Herkomst: Nederlandse Antillen
Verteltijd: ca. 15 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook