Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 31 min.
Herkomst:




Wie het onderste uit de kan wil krijgt het deksel op zijn neus

Het was een rare tijd, toen Hantsje Pik [de duivel] met zijn knechten hier nog op de aarde rondzwierf en jacht maakte op de zielen van de mensen. In die oeroude tijd leefden Jan en Harmen, een paar eenvoudige boerenjongens, die van jongs af aan samen waren opgevoed. Toch kon men hen bijna twee uitersten noemen. Jan groeide op tot een knappe en joviale jongeman en was altijd even plezierig en opgewekt; Harmen was lelijk, hij was stuurs en gesloten en niet gauw tevreden.

Toen ze zo goed als volwassen waren, kwam een oude soldaat terug uit de oorlog. Hij was een eersteklas opschepper en vertelde de jongens zoveel van zijn soldatenleven - vanzelf alleen de mooie dingen - dat ze er ook zin in kregen en er stiekem tussen uit knepen. Ze namen dienst bij een bende volk, die zich verhuurde aan die koningen, die de hoogste soldij boden.

Met die bende zwierven ze nu eens hier dan weer daar heen, en al hoe ruig het soms ook toeging, zij kwamen er meestal goed af. Maar eindelijk was hun geluk op. Honderden uren van hun geboorteplaats waren ze bij een koning in dienst. In een veldslag werd hun bende zo verpletterend verslagen, dat maar een paar het overleefden. Jan en Harmen ook. Maar Jan had een houw in de arm gekregen en Harmen een in het been.

Toen leek het niet best. Ze lagen bewusteloos door bloedverlies tussen de doden op het slagveld en werden helemaal uitgeplunderd. Maar Jan kwam weer bij en ging zo goed en zo kwaad als het ging op zoek naar hulp voor Harmen, die niet lopen kon.

Dat lukte niet; de mensen hadden zoveel overlast van hen gehad, niemand wilde mee. Toen ontmoette hij een oude heremiet of kluizenaar. Deze ging, nadat hij hem zijn moeilijkheden verteld had, wel met hem mee. Ze brachten Harmen naar de hut van de oude man, in een groot bos. De man waste hun wonden goed uit, deed er zalf op en legde er een schoon verband om. De twee broers bleven zolang bij hem totdat ze weer in staat waren om verder te reizen.

Jan zijn arm was vrijwel genezen, maar Harmen zijn wond wilde niet goed beteren. Hij kon maar nauwelijks lopen, zo kreupel was hij. Toen leek het een hele toer om thuis te komen, wat anders hun bedoeling was. Omdat ze van alles beroofd waren zouden ze moeten bedelen om in leven te blijven en daarom spraken ze af om alles wat ze kregen eerlijk te delen.

Zo begonnen ze de reis. Maar het ging niet erg snel en Harmen was bijzonder chagrijnig en dwars. Dat verveelde Jan al gauw. Daarom stelde hij Harmen voor, hij zou maar vooruit gaan en alvast proberen met bedelen iets te krijgen. Dan kon Harmen in het grote bos, dat voor hen lag, weer wat op krachten komen. Harmen vond het best en Jan ging zingend vooruit. Het bedelen liep goed, hij kreeg redelijk wat en ging daarmee naar het bos om op Harmen te wachten. Maar die kwam niet en Jan had zoveel honger dat hij maar met het eten begon. Toen werd hij slaperig en onder een grote boom dommelde hij weg.

Midden in de nacht schrok hij wakker van een verschrikkelijk lawaai. Hij wreef zich de slaap uit de ogen en ontdekte toen tot zijn schrik precies boven hem drie duivels in de boom, elk met een brandende pekstok in de vuist. Doodsbenauwd bleef Jan heel stil liggen en luisterde naar wat ze zeiden. "De baas heeft mij een mooien-een gegeven," zei een van hen. "Die rijke koopman, die geen mens wat gunde, die krijg ik. Die kerel is halfgek, nu hij zo zwaar ziek is, want hij wil niet bij zijn geld weg, en niemand kan hem helpen."

"Is er dan niets meer aan te doen?" vroeg een van de anderen. "Zeker wel," zei de eerste weer, "als er maar iemand een adder onder zijn bed zou leggen, dan was hij snel genoeg weer beter. En wie heb jij gekregen?"

"Mij heeft hij een rijke rentenier, die zijn geld op oneerlijke wijze gekregen heeft, toegezegd. Die kerel heeft zich zo volgevreten, dat hij nu bijna in zijn vet smoort. Hij is vreselijk bang voor de dood."

"Kan hij nergens mee geholpen worden?"

"Jawel, maar niemand weet dat. In zijn put zit een schildpad. Als ze een ijzeren haak met een gouden punt hadden, dan zouden ze dat dier daarmee kunnen vangen. Wrijf hem met het vet ervan de borst in en hij is weer beter."

"En wie krijg jij?" vroegen ze toen de derde.

"Wel," zei deze, "ik krijg die gekke koning, die zal gauw wegkwijnen en doodgaan. Zijn oude koningsstad was hem niet mooi genoeg; hij heeft een nieuwe laten bouwen, helemaal van goud en marmer. Hoe trots was hij niet op de mooie straten en de schitterende huizen! Alle bewoners van de oude stad moesten daar gaan wonen, maar toen bleek dat hij het voornaamste vergeten had. Waar ze het in de nieuwe stad ook probeerden, nergens was water te vinden. De een na de ander verliet de stad toen weer, en nu loopt de koning daar rond alsof hij gek is. Hij zal zo niet lang meer leven. Hij heeft om laten roepen dat als iemand daar genoeg water voor de stad kan vinden, hij zijn knappe dochter krijgen zal en hem opvolgen mag bij zijn dood."

"Nu, is daar geen kans op?" vroegen ze.

"Jawel, onder een grote blauwe steen voor het kasteel van de koning zit een bron, daar zit meer dan genoeg van het mooiste water voor de hele stad in, maar niemand weet dat. En gelukkig maar, want zo krijg ik die hoogmoedige gek binnen de kortste keren!"

Men kan zich indenken, hoe Jan geluisterd heeft. Hij hoorde niet veel meer van wat die drie rare heren verder bepraatten; aan deze drie dingen had hij al genoeg.

Toen het in het oosten lichter werd en het klokje van een oud klooster begon te luiden, vlogen de duivels met veel geraas weg. Jan wachtte nog een paar uur op Harmen, maar die kwam niet opdagen. Hij zocht en vond al gauw een adder in het bos en ging toen op stap naar de stad waar de rijke koopman woonde. Hij had goed geluisterd: als hij uit het bos kwam, zou de stad zo voor hem liggen. En zo was het ook.

Toen hij vroeg waar die man woonde, werd hem al snel zijn mooie huis aangewezen.

Jan liet de klopper op de deur vallen, en meteen stond er een knecht in een mooi pakje voor hem. Maar toen deze zijn haveloze kleren zag, snauwde hij hem toe: "Mijnheer is zwaar ziek en geeft nooit aan bedelaars!"

"Ik vraag ook niets," zei Jan, "maar ik kan mijnheer helpen."

"Jij?" zei de knecht, en bekeek hem verachtelijk, "zo'n schooier?"

"En toch is het waar," zei Jan, "ik heb hem zo weer beter."

Toen dacht de knecht: slechter als het nu gaat, kan het toch niet, en misschien krijg ik wel een grote beloning als het goed gaat. Hij zei: "Volg mij dan, maar zachtjes."

Jan was blij dat het zo gemakkelijk ging. Hij liep achter de knecht aan naar een mooie kamer. Daar lag de rijke koopman met gesloten ogen en moeizaam ademhalend op bed. Zonder een woord te zeggen stopte Jan de adder onder het bed en wachtte af wat er gebeuren zou.

Het duurde maar even, toen veranderde de man helemaal. Hij rekte zich uit en sloeg de ogen op. Al gauw ging hij rechtop zitten en vroeg: "Wat is er nu met mij gebeurd? Zoek mijn kleren maar op, ik ben weer helemaal beter!"

Toen zag hij Jan staan. Deze vertelde dat hij hem geholpen had. Het leek wel alsof de gierige kerel ineens als een blad aan de boom omgekeerd was. Jan kreeg dadelijk van het beste eten en drinken en mijnheer wilde, hij zou bij hem blijven. Maar Jan zei: "Dat kan niet, ik moet nog meer mensen helpen." Toen liet de koopman hem zijn mooiste kleren aantrekken en hij kreeg zo'n grote beloning dat hij al bijna een rijk man was. Hij kreeg er nog een mooi paard uit mijnheer zijn stal bij en zo vertrok hij na een hartelijk afscheid als een heer.

Jan was bijzonder trots op zijn nieuwe spullen en terwijl zijn paard elegant de weg over draafde, zong hij het hoogste lied. Toen hij bij de stad waar de rijke rentenier woonde kwam en men hem op zijn vraag diens huis aangewezen had, klopte hij bij deze aan. Een meid deed open en bekeek verbaasd die knappe heer. Dat werd niet minder toen deze zei dat hij haar mijnheer beter maken kon.

Zij liep snel het huis in en weldra kwam mevrouw bij hem. Haar ogen waren rood van het huilen. Jan vertelde haar hetzelfde. Nu, het spreekt vanzelf dat ze Jan in deze mooie kleren sneller geloofden als de eerste keer. Hij moest snel binnenkomen.

Nadat hij de zieke man in zijn benauwenis gezien had, zei hij tegen mevrouw: "Laat snel een goudsmid komen; ik heb een ijzeren haak met een gouden punt nodig." Dat gebeurde. Jan bond een stuk touw aan de haak en liet hem in de put zakken. Plotseling hapte de schildpad toe en Jan trok hem eruit. Toen sneed hij het dier open en haalde het vet eruit. Snel daarmee naar de doodsbenauwde patiënt. Jan wreef zijn borst in met het vet. Onmiddellijk kwam er verruiming. Het duurde maar even toen kon de man al weer normaal ademhalen. Blij dat hij was! Maar Jan zei: "Als u nu weer net zoveel gaat eten en drinken als vroeger dan is het snel weer even erg. U moet niet meer dan de helft nemen."

Dat beloofde de man. Net als de koopman wilde hij Jan graag bij zich houden. Maar Jan had nog altijd dezelfde reden om verder te willen. Toen kreeg hij zo'n grote beloning dat hij nu al zo goed als rijk was. Het afscheid was niet minder hartelijk en Jan trok weer verder. Want die knappe prinses kon hij geen ogenblik vergeten.

Het stuk dat hij nog doen moest om bij de koningsstad zonder water te komen was groter dan wat hij al afgelegd had. Maar alles was hem 20 goed afgegaan dat hij vrolijk en opgewekt, van tijd tot tijd een liedje zingend, zijn reis vervolgde. Een enkele keer dacht hij aan Harmen, die nu misschien wel in armoede zou rondzwalken. Hij nam zich vast voor om, als het geluk hem ook in deze stad gunstig gezind zou zijn, boden uit te sturen om hem te zoeken. En dan zou hij eerlijk alles wat hij gekregen had met hem delen.

Eindelijk lag de stad voor hem. Hij hoefde niet te vragen waar hij wezen moest, want hét kasteel van de koning stak boven alles uit. Toen hij in de stad kwam, keek hij zich de ogen bijna uit het hoofd. Alles blonk van goud en marmer. Maar de stad leek wel uitgestorven; hij kwam niemand tegen.

Hij reed naar het slot. Twee dienaars liepen daar rond. Hij vertelde waarvoor hij kwam en vroeg om hem naar de koning te brengen. Als hij zijn oude kleren nog aangehad had dan zouden ze hem misschien wel honds afgesnauwd hebben, maar nu dachten ze dat hij een heer was. De ene nam zijn paard aan en de ander ging het slot binnen. Al gauw kwam hij weer terug en bracht Jan naar de koning.

Maar deze was al zo vaak bedrogen door zogenaamde watervinders. Toen Jan bij hem kwam zei sire fors: "Ik heb gehoord waarvoor je hier gekomen bent, daarom wil ik dit met je afspreken: Vind je genoeg goed water voor de stad, dan krijg je mijn dochter en word je later mijn opvolger. Zo niet, dan laat ik je onmiddellijk doodmaken. In beide gevallen zal ik beslist woord houden. Durf je het aan?" Opgewerkt en vol goede moed, omdat de beide eerste keren alles zo gelukt was, zei Jan: "Ja koning, ik neem het aan. Geef mij maar een paar knechten, dan zal het niet lang duren."

"Goed," zei de koning, die een hele gunstige indruk van Jan gekregen had, "dan maar snel beginnen." Hij klapte in de handen, en zei tegen de bediende die binnenkwam: "Stuur onmiddellijk twintig knechten hierheen!"

Het duurde maar even, toen waren ze er al. De koning zei tegen hen: "Doe alles wat deze jongen zegt!"

"Volg mij maar," zei Jan toen.

Ze gingen allemaal naar een blauwe steen, die Jan voor het kasteel had zien liggen. Toen stuurde hij de helft van de knechten naar een smid om zware ijzeren staven te halen, de anderen moesten om de blauwe steen heen ruimte maken. Intussen stond de koning nieuwsgierig voor het raam en keek ernaar. Zodra de staven aangekomen waren, werden ze onder de steen gestoken en werd deze met man en macht op zijn zij gewipt. Er spoot direct zo'n grote straal helder water omhoog, dat ze allemaal geschrokken aan kant sprongen. Zo snel hij kon kwam de koning er nu ook bij. Iedereen die het water proefde, ook de koning, zei dat het heerlijk was. Van blijdschap sloeg sire de armen om Jan heen en zei: "Kom meteen mee naar mijn dochter." Het hart sloeg Jan in de keel; hij dacht, hoe komt dit?

Maar het liep goed af. Toen de koning hem aan haar voorstelde en haar vertelde wat Jan gedaan had, en dat zij nu met hem trouwen moest, kreeg ze zo'n zin aan die knappe Jan, en hij aan haar, dat ze beiden helemaal hoteldebotel werden.

Toen werd het grote nieuws door het hele land bekend gemaakt en weldra werd er zo'n schitterende bruiloft gehouden dat er in dat land nu nog vaak over gepraat wordt.

Jan kreeg een mooi kasteel van de koning en een royaal inkomen. Hij leefde daar heel gelukkig met zijn vrouw. Maar hij was Harmen niet vergeten. Hij stuurde er boden op uit om zijn broer te zoeken, maar niemand kon een spoor van hem vinden.

De koning richtte het zo in dat het water door de hele stad overal gemakkelijk verkrijgbaar was. Toen kwamen de mensen weer van alle kanten naar de stad; iedereen wilde er graag wonen, zo mooi was hij. Maar de koning had er niet lang plezier van. Hij werd ziek en stierf na korte tijd. Toen werd Jan koning en omdat hij bij de soldaten veel meegemaakt en ook veel mensenkennis opgedaan had werd hij een goede en rechtvaardige vorst voor zijn onderdanen. Als de groten van het land de mensen slecht behandelden, kwam hij voor het volk op en deed gerechtigheid. Dat stond die groten lang niet aan. Zij hadden al met veel tegenzin moeten accepteren dat hij koning geworden was, maar nu was de maat vol en stonden ze tegen hem op.

Maar Jan had het volk op zijn hand en hij wist in korte tijd zijn tegenstanders zo op hun nummer te zetten dat niemand meer iets tegen hem durfde ondernemen.

Hij maakte van de grote tuin bij zijn paleis een park. In het grootste deel daarvan mocht iedereen vrij rondlopen. Zelf liep hij daar ook vaak tussen de mensen rond en iedereen die wat te klagen of te vragen had kon hem daar zomaar aanschieten. Dan liet hij dat goed onderzoeken en zorgde ervoor dat iedereen recht gedaan werd. Hij was dan ook bij zijn volk erg geliefd. Op zo'n dag kwam er eens een kreupele bedelaar bij hem en vroeg om een aalmoes. Jan keek hem goed aan en vroeg toen: "Ben jij dat, Harmen?" En ja hoor, het was dezelfde Harmen, die niemand had kunnen vinden. Vol verbazing bekeek hij Jan. "Kom vlug mee," zei deze, "van nu af aan zul je geen armoede meer kennen." Hij kreeg allereerst nieuwe onder- en bovenkleren en was al gauw in een heer omgetoverd. En toen Jan aan zijn koningin vertelde wie deze vreemdeling was, bejegende ook zij hem erg vriendelijk. Hij moest bij hen aan tafel eten. Intussen vertelden ze elkaar over en weer hoe het hen gegaan was.

Harmen vertelde dat hij, nadat Jan vooruitgetrokken was, hem langzaam gevolgd was, maar al gauw niet verder kon. Toen had de oude kluizenaar hem gevonden. Hij had medelijden gekregen en mensen opgehaald en die hadden hem naar zijn hut in het bos gebracht. Daar was hij ziek geworden, maar de oude man had hem trouw verzorgd totdat hij weer helemaal beter was. Een paar weken geleden was hij weer bij hem weggegaan en toevallig deze kant uitgekomen, want hij had nooit weer iets van Jan gehoord. En nu zag hij dat zijn broer koning was.

Maar was hij daar nu blij om, dat het Jan zo goed gegaan was? Nee, toen de eerste blijdschap wat gezakt was, kwam zijn slechte karakter weer boven. Al gauw zocht hij weer moeilijkheden. Jan wilde hem graaf maken en een hoog inkomen geven, maar, zei Harmen, er was afgesproken dat ze eerlijk zouden delen. Hij wilde met Jan koning worden en de helft van zijn inkomen hebben, en zo meer. Daar bleef hij bij. Ook al probeerde Jan hem goedschiks duidelijk te maken dat samen koning zijn niet ging, het hielp allemaal niets. Toen werd Jan tenslotte ook kwaad, want dat ruziemaken ging hele dagen door. Hij zei tegen Harmen: "Zoek dan zelf je geluk maar bij de duivels; redelijk worden doe je toch niet!"

"Nou," zei Harmen, "als je me geld geeft en een paar paarden en een knecht, dan ga ik ook wel naar die duivelsboom. Waarom zou ik niet net zo goed koning kunnen worden als jij?"

"Dat krijg je allemaal," zei Jan, "maar denk daarom Harmen, wie het onderste uit de kan wil, krijgt het deksel op zijn neus!"

"Ik kan best evenveel geluk hebben als jij," zei Harmen. "Ik verdom het om graaf te zijn terwijl jij koning bent!"

"Ik heb je gewaarschuwd," zei Jan, "verder moet je het zelf maar weten."

Twee dagen later reisde Harmen, van het beste voorzien, met een knecht te paard naar de duivelsboom. Hij wist wel waar dat bos was en Jan had hem zo nauwkeurig uitgelegd waar die boom stond, dat hij hem gemakkelijk kon vinden. De avond van de zevende dag kwamen ze er aan. De knecht moest met de beide paarden bij de ingang van het bos blijven en Harmen daar opwachten. Maar nu het zover was dat hij er alleen op af moest werd deze wel wat bang. Toch vond hij de duivelsboom al gauw, en toen hij er onder een paar struiken vond kroop hij daar in. Hij wachtte en wachtte, maar er gebeurde niets. Eindelijk midden in de nacht hoorde hij iets in de lucht. Meteen daarop was er een vreselijk kabaal boven hem. Het zweet brak hem uit, want hij zag daar drie duivels zitten met brandende stokken in de handen. Een van hen zei: "Is er jullie iemand toegewezen?" - "Mij wel," zei een ander, "ik krijg nu een koning. Die is zijn leven lang een groot ongeluk geweest; oorlogvoeren en brandschatten, dat was zijn lust en zijn leven. Maar nu zit hij in het nauw. Hij is krom van de jicht en vergaat van de pijn. Hij heeft zijn dochter en grote schatten aangeboden aan de man die hem helpen kan, die zal ook zijn opvolger worden. Maar niemand zal dat kunnen."

"Kan hij niet meer gered worden?" vroeg er een. - Harmen luisterde tot het uiterste gespannen...

"Zeker wel," zei de eerste duivel. "Maar wacht even!" vervolgde hij toen, "wij hebben nog niet uitgezocht of er ook ergens een luistervink zit. Deze koningsziel wil ik mij niet laten ontstelen!"

"Nee, dat moet niet," zeiden de anderen, "wij moeten eerst eens goed rondkijken!"

Doodsbenauwd dook Harmen in elkaar. De duivels vlogen uit de boom. Toen aan het zoeken. Al gauw vonden ze hem tussen de struiken. Ze trokken hem eruit en vlogen met hem de lucht in. Daar hield een hem vast en de andere twee sloegen hem met hun brandende stokken terwijl hij allerverschrikkelijkst jammerde en krijste van pijn.

De knecht kon dat ijselijk geschreeuw, dat tot ver in de omtrek weerklonk, ook horen. Hij werd zo bang dat hij hals over de kop met de paarden wegvluchtte. Van hem kreeg Jan te horen wat er gebeurd was.

En of die duivels Harmen nu meegenomen hebben of dat zij hem ergens in een vreemd land hebben laten vallen; niemand weet het, want niemand heeft ooit weer iets van hem gehoord. Maar het deksel op de neus gekregen, dat heeft hij! En het sprookje is uit.


*   *   *

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"De opgeverfde haan. Bekende & onbekende verhalen over schelmen & vagebonden, tovenaars & heksen, boze moeders & ontaarde zonen, ezels & schapen, reuzen & dwergen, kluizenaars & molenaars, tempeliers & wonderdokters, spoken & weerwolven, juffers & bruiden, zeemeerminnen & nachtmerries, bokken & egels, soldaten & jagers, katers & eksters, knechten & meesters, kooplieden & dieven & vele andere eeuwige stuiverzoekers" samengesteld door Willem de Blécourt. Uitgeverij Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1982. ISBN: 90-274-7115-0

Herkomst: Friesland
Verteltijd: ca. 31 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook