Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 27 min.
Herkomst:

De geleerdendag Een Iers verhaal over Zwarte Patrick en een wedstrijd tussen geleerden

Het is lang, heel lang geleden dat Feargal de Geleerde leefde. De man, die toen bestond, heeft in geen duizend jaar kiespijn gehad. In die dagen waren de grote geleerden van Ierland bekend en beroemd in alle uithoeken van de wereld. Nadat die bijzondere heren alles hadden gestudeerd dat er in de wereld te studeren viel, werden zij zo trots op hun eigen grootheid dat ze naar elkaar toe reisden, naar oost en west, en iedereen uitdaagden hen te ontmoeten in geleerde debatten - de dolste die ze maar konden bedenken.

En de bevolking werd ook door die dwaasheid aangestoken, want waar en wanneer er maar een van die bijzondere wedstrijden plaatshad, dan verliet de dokter zijn patiënt eer hij hem dood had gekregen, de bruidegom verliet zijn bruid eer hij haar gekust had, de schildwacht verliet zijn post al zag hij een invallend leger naderen, en de koning verliet zijn troon en de bedelaar zijn bedelzak - ieder van hen liep wat hij kon om als eerste het strijdperk te bereiken.

Ten slotte werd het hele volk zo gek door die intellectuele worstelpartijen dat het land naar de kelder ging, want het kon kind noch grijsaard iets schelen wat er gebeurde, zolang ze maar dwazen vonden om mee te redetwisten over de vraag wie er nu in Ierland de grootste en bekendste geleerde was.
Toen de malligheid zijn hoogtepunt bereikte, de geleerden omgeven werden met zoveel roem als nooit eerder was gezien, en het land de ondergang tegemoet ging, kwam Feargal de Geleerde terug naar Ierland. Hij had, nadat hij alles had gestudeerd dat er in Ierland te studeren viel, alle universiteiten van Europa en Azië bezocht en had daar de grootste filosofen uitgedaagd en was altijd als overwinnaar uit de strijd gekomen. In ieder nieuw land dat hij binnenviel had hij iets nieuws aan zijn kennis toegevoegd - en nu kwam hij terug naar Ierland, terwijl over de hele wereld zijn naam en faam weerklonk - en hij ging naar zijn eigen geboorteland, het koninkrijk Kerry.

Iedere geleerde in Ierland beefde als een riet, toen ze hoorden van zijn komst. Nadat hij in Kerry was geland at Feargal geen hap en sliep geen seconde, totdat hij een uitdaging had gestuurd naar de Hoge Koning van Ierland in Tara. Hij daagde de grootste van de grote geleerden, die de koning altijd in drommen aan zijn hof verzamelde, uit hem te ontmoeten in een laatste strijd om het wereldkampioenschap - een strijd waarin geen woord mocht worden gesproken, alleen gebarentaal gebruikt. Hij noemde dag en datum dat hij in Tara zou verschijnen, om hem de keus te geven tussen roem of eeuwige schande.

Nu was de Hoge Koning van Tara in die tijd een man met zoveel gezond verstand, dat het niet te zeggen was op welk ogenblik zijn geleerden het volk tegen hem zouden doen opstaan om hem in schande te ontkronen; als hij 's morgens opstond was het eerste wat hij deed naar zijn hoofd voelen - om te zien of het er nog was. Toen hij die uitdaging van Feargal de Geleerde kreeg was hij - in zijn hart - de woedendste man van zijn koninkrijk. Maar zijn hele hofhouding verheugde zich - behalve de geleerden. De geleerden van de koning waren in de hele wereld bekend, want tot nu toe hadden zij iedereen, die hen uitdaagde, verslagen en overwonnen. Maar nu wisten ze dat ze geen kans hadden tegen Feargal de Geleerde, die heel Europa had overwonnen en hen vast en zeker voor eeuwig te schande zou maken.

Hoe dichter de dag naderde, die Feargal had genoemd voor de grote wedstrijd, hoe jammerlijker de geleerden van de koning er aan toe waren en hoe hartbrekender hun klaagzang werd. Ten slotte dromden zij samen om de koning heen en smeekten hem iets te bedenken dat hen en het hof kon behoeden voor schande in het oog van de wereld.

En waarlijk - want hun toestand zou een hart van steen nog doen smelten - de koning was met hen begaan en hij zat er toch aan te denken hoe hij hen kon helpen, al had hij er een hekel aan.

Nu had de koning al vaak horen spreken over een verbazend knap mannetje met zwart haar en zwarte baard, die Zwarte Patrick werd genoemd, en die woonde in de bergen van Donegal. Hoewel hij nooit een universiteit van binnen had gezien of een blik in een boek had geslagen, stond hij wijd en zijd bekend om zijn buitengewoon goed verstand. Een man die, als het nodig was, menige knoop had ontward, maar die toch even eenvoudig als arm was en rustig en stilletjes in zijn eigen huisje woonde, zijn eigen lapje grond bewerkte, en niets anders verlangde dan de achting van zijn buren - allemaal even arm als hij.

De koning zond een boodschapper naar Donegal, om Zwarte Patrick naar het paleis in Tara te halen. En daar legde de koning hem de zaak voor en vroeg wat Patrick kon doen om hen uit de moeilijkheden te helpen.

Zwarte Patrick schudde zijn hoofd. "Ik weet het niet," zei hij. "Die geleerdheid is iets eigenaardigs. Maar ik zal mijn best doen uw vrienden bij te staan, en geen mens kan meer doen dan zijn best."

"Dat is zo," zei de koning.

Zwarte Patrick begon te onderzoeken of er aan het hof van de koning ook iemand was, die geen A van een B kon onderscheiden. En iedereen was het erover eens dat Johnnie-Eenoog, de zoon van de appelkoopman, niet alleen de onwetendste man aan het hof was, maar je zou een haringnet door heel Ierland kunnen slepen en niemand vangen die onwetender was.

"Dan," verklaarde Zwarte Patrick, "zullen we Johnnie-Eenoog aanstellen om Feargal de Geleerde te overtroeven."

De grote geleerden raakten hierover in opschudding en vroegen de koning of hij van plan was door die boerenkinkel, die Zwarte Patrick uit Donegal, eeuwige schande over zichzelf, over hen en over het land te laten brengen.

Patrick zei: "Majesteit, misschien is één van de geleerde heren zelf van zins Feargal te ontmoeten en te verslaan. In dat geval wordt uw goede naam gered en dan hebt u mij met mijn onwetendheid niet meer nodig, dus dan wens ik u een goedemorgen en vertrek weer naar het noorden."

Hij keek in het rond naar de grote geleerden om te zien wie van hen zich aanbood om het tegen Feargal op te nemen. Maar de een keek naar de ander, en de ander keek naar de volgende, en ieder zonk het hart in de schoenen en er was er niet een onder hen, die de koningin het gezicht keek en zei: "Ik neem het op tegen Feargal."

"Als niet een van u het tegen Feargal wil opnemen," zei de koning. "dan hebt ge het recht niet deze goede man te hinderen bij wat voor regeling het hem belieft te maken."

Goed dus. De grote Feargal kwam eindelijk aan, met alle geleerden van Kerry in zijn gevolg, en hij maakte nauwelijks een buiging voor de koning, zo verheven en trots was hij.

Statig kwam hij de grote zaal binnen, die leeggeruimd was voor de wedstrijd - hij en zijn troep schitterende geleerden - en hij ging zitten op een troon aan de ene kant van de verhoging, zodat iedereen hem goed kon zien - de geleerden en de edelen en de grote mannen die de zaal nu tot barstens toe vulden. Hij riep de kampioen op, die zich met hem zou meten.

Hoewel de geleerden van de koning met stuurse gezichten toekeken, waren er daar duizenden die hun jaspanden in de mond moesten stoppen om hun lachen te smoren, toen ze zagen hoe Johnnie-Eenoog, uitgedost als een professor, binnengeleid en het podium opgeschoven werd, en een plaats kreeg op de troon tegenover de wonderbaarlijke Feargal.

Met smalend opgetrokken lip nam Feargal de kampioen op, die tegen hem in het krijt zou treden. De minachtende blik, die Johnnie-Eenoog hem teruggaf, verheugde de volle zaal en verwarmde het hart van de koning.

Toen alles klaar was luidde de koning een bel, ten teken voor de kampioenen om de grootste wedstrijd in geleerdheid te beginnen, die Ierland ooit zag of zou zien.

Feargal de Geleerde opende het bal - hij stak één vinger omhoog naar zijn opponent. Meteen stak Johnnie-Eenoog twee vingers op naar hem. Daarop hield Feargal drie vingers in de lucht. Toen hief de kampioen van de koning een gebalde vuist. Het volgende dat Feargal deed was een rijpe aardbei omhooghouden, en Johnnie-Eenoog stak een groene kruisbes op. Verschrikkelijk bezorgd oordeelden de toeschouwers dat het, wat het ook mocht betekenen, niet in Johnnies voordeel was, want zijn gezicht werd rood van woede.

In minder dan geen tijd had Feargal een appel in zijn hand, die hij uit zijn zak had gehaald. Toen liet Johnnie een half brood zien, dat hij van onder zijn jas te voorschijn trok. Tot hun spijt zagen de toeschouwers hem nu bijna schuimbekken, terwijl Feargal koel bleef als een ford in een vijver.

Vervolgens bracht Feargal de appel naar zijn mond en beet er een hap uit; en op hetzelfde ogenblik hief Johnnie het brood op, gooide het Feargal naar het hoofd en die viel neer als een blok!

De geleerden van de koning sprongen allemaal tegelijk op om te eisen dat Johnnie-Eenoog zou worden opgehangen, geradbraakt en gevierendeeld. Maar eer ze een woord hadden kunnen uitbrengen stond Feargal weer op zijn voeten, stak het podium over en nam Johnnies hand in zijn beide handen en schudde die alsof hij hem de arm uit de kom wilde trekken!

Zich toen tot de koning en de stomverbaasde toeschouwers wendend, riep hij uit: "Majesteit, en heren, ik beken eerlijk, vrijelijk en openlijk, tot mijn schande, dat voor de eerste keer in zijn lange loopbaan Feargal de Geleerde is overtroffen en te schande gemaakt - en hier en nu trek ik in het openbaar alle aanspraken op geleerdheid in."

"Ik heb ver gereisd," vervolgde Feargal, "en ik ben naar de beroemdste universiteiten gegaan en heb mij gemeten met de vernuftigste geleerden van de wereld, maar ik moest onder de geleerden van de Hoge Koning van Tara komen," zei hij, "om deze hoogst voortreffelijke opmerkelijke en buitengewone geleerde te ontmoeten, die wij hier zien. Omdat zijn grote geleerdheid alles overtreft wat naar mijn gedachten in de macht en de geest van stervelingen bestond, heeft hij mij ten val gebracht. En niet alleen ben ik verslagen, maar ik ben werkelijk trots op de onderscheiding verslagen te zijn door zulk een onvoorstelbaar groot en onsterfelijk genie."

De koning stond op en zei: "Wilt u zo vriendelijk zijn aan deze verzamelde heren uit te leggen wat er tussen u en mijn kampioen is voorgevallen?"

"Dat zal ik doen," zei Feargal. "Ik stak eerst één vinger op, daarmee aanduidend dat er één God is, wat deze diep geleerde heer juist beantwoordde door twee vingers op te steken - waarmee hij wilde zeggen dat de Vader twee andere Personen bij zich had. Toen, menend dat ik hem klem gezet had, toonde ik drie vingers wat betekende: "Er zijn dus drie Goden?" Maar uw grote doctor, zich tegen de moeilijkheid opgewassen tonend, balde onmiddellijk zijn vuist, daarmee aanduidend dat ze tezamen één waren, machtig en ondeelbaar.

Ik hield een rode aardbei omhoog, om aan te duiden dat het leven zoet is; en de geleerde doctor antwoordde, met een groene kruisbes, dat het helemaal niet uitsluitend zoet was, maar beter werd door een verstandige menging met het daarin opgesloten zuur.

Vervolgens liet ik zelf een appel zien om aan te tonen dat, volgens de Heilige Schrift, fruit het eerste en natuurlijke voedsel is voor de mens; maar de onoverwinnelijke geleerde verbeterde mij onmiddellijk door een brood te laten zien, daarmee verklarend dat brood de stut des levens is, en dat het de mens was gegeven om het te eten in het zweet zijns aanschijns.

Toen riep ik alle kracht van mijn brein te hulp, al mijn geleerdheid en inspiratie, en beet een hap uit de appel, wat wilde zeggen: Eindelijk heb ik je, leg dat eens uit als ge durft. En ziedaar, dit zeer aanzienlijke en buitengewone genie gooide mij, zonder me de tijd te geven met de ogen te knipperen, zijn brood tegen het hoofd en velde me - als bewijs, zoals ge allen hebt begrepen, dat het de beet in de appel was, die de val van de mens veroorzaakte. Ik ben klaar!" zei Feargal. "Mijn schande is eeuwig en volkomen. Het enige wat ik vraag is in vrede te mogen heengaan en voor altijd vergeten te worden."

En treurig en droevig, met het hoofd tussen de benen, vertrokken Feargal de Geleerde en zijn hele gevolg - de grootste geleerden van Kerry - uit het paleis van de koning, en uit de geschiedenis.

Alle geleerden en grote wijzen van de koning verzamelden zich om Johnnie-Eenoog (die met open mond had geluisterd naar de toespraak van Feargal), hesen hem op de schouders en droegen hem negen keer om het kasteel van de koning heen. Toen brachten ze hem terug naar de zaal, lieten hem door de koning omhangen met alle medailles, bullen en geleerde orden van het koninkrijk, tot de rug van de arme kerel haast brak onder het gewicht.

"En nu," zei de koning en stond op van zijn troon, "vergeten we één man, en het zou ons heel slecht staan ons hem niet te herinneren en hem te eren. Ik verzoek Zwarte Patrick uit Donegal," zei hij, "waar hij ook is, naar voren te komen." In de verste hoek van de zaal, onder de koorgalerij, stond een zwartgebaard mannetje op en verscheen voor de koning.

"Zwarte Patrick," zei de koning tegen het donkere mannetje uit Donegal, "ik heb zin om jou aan mijn hof te houden en je daarvoor ieder salaris te geven dat je maar vraagt, om niets anders te doen dan bij de hand te zijn op ogenblikken dat ik het in mijn hoofd haal je raad te vragen. Zeg maar hoeveel je wilt verdienen - en het doet er niet toe hoeveel het is, je krijgt het."

"Majesteit," zei Zwarte Patrick, "ik dank u nederig en van harte voor uw genadige goedheid tegenover iemand die zo onwaardig is. Maar u zult me wel vergeven dat ik, eer ik antwoord geef, volgens Iers recht verzoek een vraag te stellen?"

"Zeker," zei de koning.

Zich kerend naar de plek waar Johnnie-Eenoog, één en al verwarring, zat onder zijn medailles, zei Zwarte Patrick en wees naar Johnnie: "De vraag, die ik wil stellen, gaat over de geleerde doctor daar op het podium."

"Feargal de Geleerde," vervolgde hij, "was zo vriendelijk deze vergadering te onderhouden met zijn uitleg van het doofstommengesprek dat tussen jullie plaatsvond en waarin jij, met je genie, de grootste geleerde van de wereld vloerde. Zou je nu deze vergadering wel willen vereren met jouw verslag van de krachtmeting?"

"Waarachtig wel!" zei Johnnie, "dat zal ik eens even doen! Want het was machtig rechtuit en eenvoudig. Die jongen, die jullie tegenover mij zetten," zei hij, "was de ongemanierdste zwerver die ik ooit het ongeluk had tegen te komen. Hij begon met een opmerking over mijn persoonlijke eigenaardigeden - hij stak één vinger op om mij te beschimpen omdat ik maar één oog heb. Woedend hield ik twee vingers omhoog om te tonen dat mijn ene oog net zoveel waard was als zijn twee. Toen dreef hij zijn schimpscheuten nog verder, stak drie vingers op om jullie een gemene lach te ontlokken, waarmee hij wou zeggen dat hier twee mannen stonden met maar drie ogen in hun bezit. Ik liet mijn gebalde vuist zien, om hem duidelijk te maken wat hem te wachten stond als hij niet vlug een ander deuntje zong. Hij komt aanzetten met een aardbei om mij te vertellen dat hij niet zoveel om mij geeft. Ik kom aan met een kruisbes, om hem te laten weten dat ik niet zoveel om hem geef of om al zijn beschaving en geleerdheid. Toen daarna die gemene kerel aan komt zetten met appel, om mij onder de neus te wrijven dat ik maar de zoon van een appelkoopman ben, haal ik zelf een tweestuiversbrood tevoorschijn. Dat nam ik net mee naar huis voor mijn avondeten, toen jullie me vingen en me hier naar sleepten - ik steek het brood omhoog, om hem te laten weten dat ik hem de hersens ingooi als hij niet gauw betere manieren vertoont en ophoudt met zijn uitdagingen. Maar die brutale kerel, op zijn eigen ondergang uit, zet zijn tanden in die appel om mij eraan te herinneren hoe vaak ik als jochie de appels van mijn arme, kreupele moeder stal en ermee wegliep en ze opat. Dat was de laatste druppel - ik raakte hem met mijn brood tussen de ogen, zodat hij tegen grond ging. 't Was een mooie overwinning, dat was het," zei de arme, onnozele kerel.

"Een mooie overwinning, dat was het helemaal," zei Zwarte Patrick. "En," zei hij tegen Johnnie, "ik wens je geluk, hooggeleerde heer, en alle andere geleerde heren hier, met deze hoogst merkwaardige triomf."

"Een verschrikkelijke triomf, dat was het zeker," zei de koning. "En," zei hij, "nu beveel ik dat gij, geleerde heren, de nieuwe eredoctor geleidt naar de mooiste vertrekken, die er in uw deel van het kasteel te vinden zijn, en hem van nu af aan met alle eerbied en eerbewijzen omringt. En nu nog wat jezelf betreft, Zwarte Patrick," zei de koning.

"Daar, majesteit," zei Zwarte Patrick, "was ik juist aan toe. Wat uw hoogst grootmoedig aanbod aan mijzelf betreft, majesteit, het spijt me, maar dat moet ik afwijzen. Iemand als ik, een onwetende, arme man uit de bergen, zou treurig misplaatst zijn aan een hof waar zulke grote, geleerde heren verkeren als degenen, die ik de eer heb gehad hier om mij heen te zien. Geleerdheid," zei hij, "is iets prachtigs, helemaal. Ik dank u nederig en van harte, majesteit," zei hij, en maakt een buiging voor de koning, "en vaarwel! Het wordt tijd dat ik op weg ga om mijn huisje tussen de moerassen in Donegal weer op te zoeken."

De koning zelf deed al zijn best om hem tegen te houden. Maar het hielp niet. Patrick hees zijn kleine reisbundeltje aan zijn stok en zij, die hem nakeken, zagen hem weldra eenzaam maar vastbesloten de weg naar het noorden inslaan.


*   *   *

De geleerdendag Samenvatting
Een Iers verhaal over Zwarte Patrick en een wedstrijd tussen geleerden. Als de burgers van een stad in paniek raken als ze een wedstrijd moeten organiseren tussen de knappe koppen van het land roepen ze de hulp in van een oude eenvoudige boer. Hij weet raad. Eenvoud met het warme hart brengt oplossing. Lees het verhaal

Toelichting
De verhalen van zwarte Patrick maken deel uit van de zeer omvangrijke Ierse verteltraditie. Onderdelen zijn vaak terug te vinden in Noord-Europese verhalen en sprookjes.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"De ketellapper van TamIacht en andere Ierse verhaIen" door Seumas MacManus. Vertaald uit het Engels door Tine Leiker-Kooijmans. Christofoor, Zeist.

Herkomst: Ierland
Verteltijd: ca. 27 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook