Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 18 min.
Herkomst:

De nieuwe ridders van koning Arthur Van de jongens, die uittrokken om koning Arthur te helpen

De nieuwe ridders van koning ArthurEens gebeurde het, dat koning Arthur in zijn eigen land van twee kanten tegelijk door vijandelijke legers bestookt werd. In het noorden deden zeven koningen met grote legers een inval in het land en in Wales trokken een aantal heidense koningen met hun troepen het land binnen. Het was een moeilijke tijd voor de koning, want als hij in het noorden tegen de vreemde koningen vocht, namen de heidenen die gelegenheid waar, om in het zuiden de dorpen uit te plunderen en de arme bewoners te mishandelen en te doden.

Koningin Morgven, de vrouw van koning Lot van de Orkaden, had vijf zonen. Eens op een dag zat ze met haar jongste zoontje Mordred bij de grote vuurhaard in haar kasteel en dacht er aldoor aan, hoe mooi en dapper haar vier oudste zoons toch waren en hoe het langzamerhand tijd begon te worden, dat de oudste, Gawaine, de gouden sporen zou krijgen en tot ridder worden geslagen.

En juist toen ze daar zo over nadacht, kwam Gawaine zelf thuis van de jacht. Wat zag hij er stralend en vrolijk uit, toen hij de zaal binnenkwam, gevolgd door zijn jachthonden!

"Lieve moeder," zei hij, "waarom zit ge hier zo alleen in de schemering en, waarom kijkt ge zo treurig?"

"Ik zit er over te denken, mijn zoon," was haar antwoord, "dat ik u zo graag geridderd zou zien. Dan kon ge tegen 's konings vijanden strijden, in plaats van de gehele dag op de hazenjacht te gaan. Want de koning, uw oom, verkeert in groot gevaar. Maar helaas, uw vader zal dit nooit toestaan, hij is de koning niet goed gezind."

"Wat mijn vader ook moge zeggen," riep Gawaine uit, "ik zal mij door niemand anders dan door koning Arthur tot ridder laten slaan; want hij is de grootste held van de gehele wereld. En ik beloof u, moeder, dat ik geen dag langer op de hazenjacht zal gaan, nu ik uw toestemming heb voor iets beters."

Toen riep hij zijn drie broeders Agravaine en Gaharet en Gaheries, en sprak met hen over het plan, dat hij gevormd had.

"Dat had ge al veel eerder moeten bedenken!" riep Agravaine uit. Gawaine had namelijk niets meer of minder besloten, dan om met de hulp van enige dappere neven een klein legertje bijeen te brengen en daarmee tegen de vijand op te trekken.

En zie, hun neef Galashin, die in het graafschap Cornwallis woonde, had op hetzelfde ogenblik, toen Gawaine met zijn broeders het grote plan ontwierp, met zijn moeder over hetzelfde onderwerp gesproken.

"Moeder," had hij gezegd, "is koning Arthur werkelijk mijn oom?"

"Zeker," zei zijn moeder, "en, al leeft uw vader in onmin met hem, ik zou niets liever wensen dan dat ge oud genoeg waart om met hem ten strijde te trekken."

"Oud of jong," riep Galashin, "dat doet er niet toe; ik zal voor hem vechten, en dan geve God, dat ik niet moge sneuvelen, eer de grootste held van de wereld mij tot ridder heeft geslagen!"

En hij zond dadelijk een bode naar Gawaine om hem te verzoeken, mee ten strijde te trekken. Op Paasdinsdag zou Galashin hem en de zijnen verwachten te Newark, om vandaar samen verder te trekken.

De broeders kwamen natuurlijk tijdig op de afgesproken plaats en dat wel met een gevolg van vijfhonderd jonge ridders en schildknapen, terwijl Galashin tweehonderd volgelingen meebracht. Ze besloten naar de stad Logres op te marcheren, waar ze de eerste Mei konden zijn. Daar zouden ze dan zeker wel te weten kunnen komen, waar de koning was en waar zijn heidense vijanden stonden.

Gawaine voerde het legertje aan, omdat hij zeventien jaar was en dus niet alleen de oudste van allen, maar ook de dapperste en sterkste, zoals dat behoorde voor een koningszoon.

Terwijl ze nu langs de wegen van het graafschap reden, waar de lucht vervuld was van de geuren van viooltjes en meidoorn, zagen ze plotseling in de verte een grote stofwolk naderen en wat later onderscheidden ze duidelijk een troep mensen - zó rampzalig, ach, zó rampzalig! Allemaal arme stumpers in verscheurde kleren, doodmoe en met stof bedekt, kleine kindertjes, te moe om nog te schreien, gewonde mannen met kinderen in hun armen en vrouwen, die zich in de achterhoede met moeite voortsleepten over de stoffige weg. Allen keken verbaasd en verschrikt naar die troep vrolijke jongens op hun steigerende paarden. Bevreesd weken ze terug.

Maar Gawaine reed hun tegemoet en vroeg: "Wie zijt ge toch, arme mensen? En waarom zwerft ge in zulk een ellendige toestand langs de wegen?"

Een oude man trad naar voren. "De heidenen hebben onze dorpen verbrand, onze zonen gedood en onze dochters meegesleept," sprak hij.

"Wee, wee, mijn zonen, mijn zonen!" gilde een oude vrouw zó smartelijk, dat de jongens er van rilden, en Galashin, die de tranen in de ogen kreeg, zei fluisterend tegen Gawaine: "Laat ons tegen die heidenen optrekken en hen uit het land verdrijven!"

"Goede mensen," zo sprak nu Gawaine de vluchtelingen toe, "wij zijn neven van koning Arthur en wij zullen deze heidenen uit het land verdrijven. Al uw leed zal gewroken worden, vertrouw daarop! Kunt ge ons ook zeggen, waar koning Arthur zich tegenwoordig ophoudt?"

"Hij is naar Tamelide vertrokken," zei de oude man.

"Welnu," sprak Gawaine tot zijn volgelingen, "wat zullen wij thans doen: de koning volgen, of eerst dit land verdedigen tegen de ongelovigen?"

"Laat ons hier blijven," riepen allen, "wij wensen die wreedaards te straffen voor al het leed, dat ze deze ongelukkigen hebben aangedaan!"

Nu reden de jongens verder naar Logres, maar eer ze deze stad bereikten, ontmoetten ze een bende van wel drieduizend heidenen, die onder wild geschreeuw verward door elkaar reden. Zij voerden een lange rij wagens met zich mee, beladen met alles, wat ze in de dorpen hadden gestolen; en overal langs de wegen, waar ze langs getrokken waren, zagen de jongens de rook en de vlammen opstijgen van in brand gestoken huizen en schuren.

Gawaine overzag zijn troepje dapperen en riep uit: "Neven en vrienden, vooruit - ten strijde!"

Nu stormden ze in gesloten gelederen los op de verwarde troep heidenen en weldra kon men hen niet meer onderscheiden tussen hun vele vijanden. Gawaine was een uitstekend aanvoerder. Telkens en telkens liet hij hen de aanval herhalen en ik zou u niet kunnen zeggen, hoeveel vijanden hij wel met eigen hand versloeg. De jongens vochten zo dapper, dat de heidenen weldra de strijd moesten opgeven. In grote wanorde vluchtten ze weg over de velden.

Toen zag Gaheries, Gawaines jongste broeder, die nog maar dertien jaar oud was, hoe de heiden Gyneband zijn broeder Gaharet neersloeg! Hij dacht, dat deze dood was en wierp zich op de heiden, om zijn broeder te wreken. Maar daarbij waagde hij zich te ver en zag zich weldra omringd door zoveel heidenen, dat hij zich niet langer kon verdedigen - en ach, hij was zo ver van zijn broeders afgedwaald! Doch een van de schildknapen zag het gevaar, waarin hij verkeerde en ging dadelijk Gawaine roepen.

"Wee mij," riep Gawaine, "als ik mijn jongste broeder hier moest verliezen! Volg mij, Galashin!"

Toen ze het dal, waar Gaheries overweldigd was, bereikten, zagen ze hem op de grond liggen. De heidenen hadden hem zijn helm afgenomen en waren nu bezig zijn handen en voeten aaneen te binden.

"Gaheries!" schreeuwden zijn redders; meteen hakten ze links en rechts de heidenen in de pan en het gelukte Gawaine, zijn broeder uit hun handen te bevrijden. Hij was gelukkig nog ongedeerd. Dit was het einde van de strijd, want er waren maar dertien heidenen overgebleven van de gehele troep en het gehele land jubelde over de overwinning van de jongens.

Ze bleven een poos in de stad Logres en verenigden zich daar met de bewoners, om verder tegen de heidenen te vechten. Weldra kwamen nog meer neven van koning Arthur hen helpen. Daar waren ten eerste de drie Ewains; Ewain de Lionel, Ewain Withand en Ewain Esclains; ook Dodynel voegde zich bij hen en Kay Destraux en Keheden.

Juist in die tijd kwam toevallig Segramore, de neef van de koning van Konstantinopel, die in zijn ver land veel had horen spreken over de roem van koning Arthur, naar Engeland, om diens hof te bezoeken Maar toen hij nu het gehele land in oorlog vond, wist hij niet, waarheen zich te wenden. Zodra hij van de dapperheid van het jongensleger hoorde, besloot hij, regelrecht naar Logres te rijden. Maar de wijze tovenaar Merlijn wist, dat tussen de plaats, waar Segramore zich bevond, en de stad Logres honderden woeste heidenen in hinderlaag lagen, en hij besloot alles te doen wat hij maar kon, om de dappere jonge prins te redden. Hij klopte aan de poort van Logres in de gedaante van een arme oude man en deed niets dan huilen en snikken en jammeren en met zijn kruk op de grond stoten, alsof hij helemaal buiten zichzelf was.

"Wat deert u, oude man," vroeg Gawaine medelijdend, "ik ben de neef van koning Arthur - wat kan ik doen om u te helpen?"

"Ge kunt me niet helpen," jammerde de slimme oude, "want ge zijt nog niet oud genoeg en niet dapper genoeg om de woeste heidenen te verslaan, die ginder in hinderlaag liggen en de dappere vreemde prins te redden, die, zonder kwaad te vermoeden, op reis is naar deze stad! Hiervoor zouden volwassen krijgslieden nodig zijn. Wee mij, wee mij! De heidenen zullen de prins vermoorden!"

Toen Gawaine dit hoorde, riep hij uit: "Op, broeders en vrienden, allen te wapen!" En ze reden de stad uit, Segramore tegemoet. Op een mijl afstand van Logres vonden ze hem in gevecht met een grote troep heidenen. Hij streed dapper, maar de overmacht was te groot! Gawaine en de zijnen wierpen zich nu op de vijand, bevrijdden Segramore en voerden hem in triomf naar Logres. Van die dag af werd de vreemde prins een der hunnen en vocht met hen tegen de heidenen.

Omstreeks deze tijd had koning Arthur de op roerige koningen in het noorden des lands verslagen en de wijze Merlijn voegde zich bij hem en vertelde hem, wat zijn dappere jonge neven voor hem hadden gedaan en hoe zij de heidenen reeds bijna geheel uit het land hadden verdreven. Daarop reisde de koning regelrecht naar Logres, om hen te Ieren kennen.

Toen de jonge helden vernamen, dat hij in aantocht was, trokken ze hem tegemoet, Gawaine voorop. Ze vonden koning Arthur met zijn gevolg rustende onder de schaduw van een grote boom.

"Wie van u is de koning?" vroeg Gawaine.

"Dit is hij," antwoordde een der ridders, "de edelste en de jongste van ons allen!"

Toen bogen Gawaine en de andere jongens de knie voor koning Arthur en Gawaine sprak: "Ik en mijn broeders en mijn neven, die hier voor u knielen, smeken u, ons de ridderslag te willen geven; want wij hebben voor u gestreden en wensen u ons gehele leven lang te dienen, omdat gij de grootste held van de wereld zijt."

Koning Arthur zag vriendelijk op hen neer. Hij legde zijn hand op Gawaines schouder en vroeg hem de namen van allen, die met hem waren. Toen noemde Gawaine eerst zijn eigen naam en die van zijn broeders. "En die daar," vervolgde hij, "die korte dikke, dat is mijn neef Galashin; en die andere, die lange slanke jongen, is Ewain, en die daar naast hem is de 'Andere Ewain', zijn broeder; en die twee bruine jongens zijn de zonen van koning Belinan en die daar, met zijn schoon gelaat, die daarginds geheel alleen staat, is prins Segramore, die geheel van Konstantinopel is gekomen om u te dienen."

Daarna noemde hij nog de namen van alle anderen en koning Arthur was zo blij, dat hij Gawaine kuste en hem opdroeg, zichzelf en zijn makkers voor te bereiden voor de plechtige ridderslag, die zij de volgende morgen zouden ontvangen.

Die gehele nacht lagen de jongens op de knieën voor het altaar in de Kathedraal te Logres, en na deze plechtige nachtwake sloeg koning Arthur met zijn wonderbaar zwaard Excalibur Gawaine op de schouder en gaf hem de ridderslag. En koning Arthur bevestigde eigenhandig een van zijn gouden sporen aan de rechterhiel van Gawaine en koning Ban bevestigde de andere aan zijn linkerhiel.

En op dezelfde wijze ontvingen ook alle andere jongens de ridderslag met alle mogelijke eerbewijzen; want koning Arthur wist wel, dat elke koning trots kon zijn op een gevolg van zoveel dappere jongens.

En hij was trots op hen allen - maar Gawaine had hij lief als een broeder.



*   *   *

De nieuwe ridders van koning Arthur Samenvatting
Van de jongens, die uittrokken om koning Arthur te helpen. In dit in 1925 geschreven verhaal wordt op sierlijke wijze verteld hoe de eerste ridders van wat later de Ronde Tafel zou worden zich bij de nog jonge koning Arthur aansluiten. Lees het verhaal

Toelichting
Een versie van de sage van Arthur Pendragon is: Arthur, Koning over eeuwen.

Over Merlijn gaat het volgende verhaal: De sage van Tovenaar Merlijn.

Er zijn weinig historische feiten aan te voeren die bewijzen dat koning Arthur en zijn Ronde Tafel ooit hebben bestaan. Maar zijn persoon is zo innig verbonden met de volksgeest dat hij in ieder geval is te beschouwen als belichaming van eigenschappen van vele kleinere helden die mogelijk hebben bestaan. Of Arthur echt heeft bestaan en zoja, of hij alle daden heeft verricht die aan hem worden toegeschreven, is voor onze waardering van de Arthurromans van ondergeschikt belang.

Heel veel plaatsen in Wales, Schotland en Engeland bevatten sporen van Arthurs invloed. We kunnen dan ook gerust stellen dat als Arthur heeft bestaan, hij een Brit was. Zijn roem strekte zich echter tot ver buiten de grenzen van zijn kleine rijk uit. Op het laatst waren de verhalen over zijn dapperheid over heel Europa verspreid. De populariteit van de verhalen blijkt uit het feit dat ze al snel na de uitvinding van de boekdrukkunst zijn gedrukt en op die manier nog meer gelezen werden.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Uit het Sagenland. Sagen uit Nederland, Europa, Indonesië, Suriname en de rest van de wereld" opgetekend en bewerkt door Nienke van Hichtum. Groningen, 1929. ISBN: 90-6158-027-7

Herkomst: Groot-Brittannië
Verteltijd: ca. 18 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook