Volksverhalen Almanak

Het Lichtkasteel Een Marokkaans verhaal over een afgunstige stiefmoeder

Er was eens een man die een beeldschone vrouw had. Zij schonk het leven aan een zoon die zo mooi was, dat zij hem Habbat er-roumane noemden, wat 'granaatappelpit' betekent. De vrienden die de gelukkige ouders kwamen feliciteren wisten niet wat zij het meest in deze baby moesten bewonderen: de prachtige kleur van zijn huid, zijn mooie trekken, zijn handjes of zijn lijfje.

Helaas! Korte tijd later stierf de jonge moeder. In de jaren die volgden zocht de vader een nieuwe moeder voor zijn zoon. Hij wilde alles geven om een gezond, goed opgevoed mens van hem te maken. Zijn nieuwe echtgenote moest net zo mooi zijn als zijn eerste vrouw en waardig zijn haar plaats in te nemen. Ten slotte sloot de man een tweede huwelijk met een mooie vrouw. Hij had er geen flauw idee van welk ongeluk deze schoonheid in zijn gezin zou brengen.

De vader hield zielsveel van zijn zoontje. Misschien had hij medelijden met hem omdat hij zonder moeder opgroeide, of misschien zag hij in het kind dezelfde charme als de moeder had bezeten. Gezegd moet worden dat het kind steeds mooier werd naarmate hij ouder werd. Hij was nu bijna zeven jaar. Zijn bewegingen waren soepel, zijn gang was bekoorlijk. Hij leek wel een prins.

De grote bewondering van de vader voor zijn zoon kwetste de nieuwe echtgenote, die ook bewonderd wilde worden. En zo ontstond er bij haar een gevoel van vijandschap ten opzichte van het kind, dat eerst bijna onmerkbaar was, maar dat steeds hardnekkiger werd, tot zij razend was van jaloezie.

Met haar man kon zij er niet over praten, net zo min als met haar vriendinnen, die haar jaloezie belachelijk gevonden zouden hebben. Ten einde raad wendde zij zich tot de maan:
"Maan, ik smeek je
Zeg mij de waarheid
Wie is de mooiste, Habbat of ik?"
De maan antwoordde:
"Habbat er-roumane."
Die nacht viel de stiefmoeder ten prooi aan een onbeschrijflijke woede. 's Morgens nam zij een besluit. Zij ging naar een visser van wie zij wist dat hij bereid was lastige klusjes op te knappen. Ze zei: "Ik wil dat jij mij afhelpt van een jongetje dat mijn huwelijksleven vergiftigt. Als jij hem doodt en mij een fles met zijn bloed brengt is deze zak goudstukken voor jou."

De visser ging met haar mee naar de tuin waar Habbat er-roumane aan het spelen was. De schoonheid en gratie van het jongetje maakten diepe indruk op hem, maar de hebzucht won het. Hij nam de opdracht aan, maar bedacht een plan om het leven van het jongetje te sparen zonder de zak goudstukken te verspelen. Hij ging naar huis en maakte beslag voor pannenkoeken. Twee soorten bakte hij: een aantal normale en een aantal met enorm veel zout. Toen ging hij weer terug naar de tuin en probeerde Habbat te verleiden tot een boottochtje. Het kind was nog nooit op zee geweest en enthousiast ging hij met hem mee. Na een tijdje varen kregen ze honger. De visser gaf Habbat een paar van de zoute pannenkoeken. Het kind at gulzig en kreeg enorme dorst; zo'n dorst dat hij dacht te zullen stikken. Toen zei de visser: "Je mag uit mijn fles drinken op voorwaarde dat je mij je rechteroog geeft." Het was een gruwelijke list, maar het jongetje hijgde van de dorst en stemde toe. De visser stak hem het rechteroog uit en zorgde ervoor dat het bloed uit de wond in een fles opgevangen werd. Dat bloed zou hij de stiefmoeder geven.

Zij voeren verder en aten nog wat pannenkoeken. En weer kreeg het kind afschuwelijke dorst, en het vroeg nog eens uit de kruik van de visser te mogen drinken. Nu zei de visser: "Ik wil je wel te drinken geven, maar alleen als jij mij je linkeroog geeft." Weer stemde het kind toe.

Met het linkeroog gebeurde hetzelfde als met het rechteroog; weer werd het bloed opgevangen in een fles, die nu aardig gevuld was. De opdracht was uitgevoerd en de visser zette het blinde jongetje aan de overkant van boord en ging naar de stiefmoeder.

Habbat er-roumane liep tastend door een land waar hij de weg niet kende; hij voelde zich ellendig. Opeens hoorde hij vechtende vogels boven zich. Zij krijsten en hun vleugels klapten tegen elkaar, en kreunend viel er een op de grond. Habbat raapte het diertje op, aaide het en voelde dat het een duif was waarvan de ogen waren uitgepikt. Habbat trok zich het lot van het beestje aan. Woedend riep hij in de richting van de aanvaller: "Je mag een andere vogel niet blind maken." Tegen de vogel in zijn armen zei hij: "Nu weet jij ook wat het betekent blind te zijn." Tot zijn verbazing antwoordde de aanvaller vanuit de lucht: "Huil jij maar om je eigen verdriet. Ik weet hoe ik mijn zuster kan genezen. Ik weet welk kruid ik moet gebruiken om haar het licht in de ogen terug te geven." Hierop vloog ze weg om kruiden te zoeken, die ze met haar snavel fijnmaakte en kneedde. De gewonde duif kreeg dit mengsel op haar ogen en kon weer zien. Er was nog genoeg van het mengsel over om haar nieuwe vriend Habbat op dezelfde manier te genezen.

Habbat zag dat hij te doen had met een groep van zeven duiven. Ze namen hem mee naar een kasteel aan de rand van een dorp. Het kasteel stond boven op een rots die uittorende boven de eindeloze zee. Een van de zijden van het kasteel keek uit op het plein van het dorp. De zeven duiven lieten Habbat alle kamers zien, alle behalve één: de verboden kamer. Uitgerekend deze kamer had uitzicht op het marktplein.

Na de kamers bekeken te hebben deden ze het volgende: iedere duif pikte zichzelf in de poot, uit iedere poot vingen ze een druppeltje bloed op. Habbat krabde zijn been open tot er wat bloed uitkwam. Zij vermengden hun bloed en sloten zo een vriendschapsverbond. Het jongetje en zijn nieuwe familie beloofden plechtig dat ze elkaar altijd zouden helpen.

In de tussentijd bracht de visser de fles bloed naar de stiefmoeder. Zij gaf hem zijn beloning, maar ze twijfelde eraan of de jongen echt dood was. Zodra het donker werd ging zij de tuin in met een schaal granaatappelpitten en vroeg de maan:
"Maan, ik smeek je
Zeg mij de waarheid
Wie is er mooier, Habbat of ik?"
De maan antwoordde:
"Habbat is mooier dan jij."
Het was waar dat Habbat na die afschuwelijke blindheid steeds mooier werd in zijn nieuwe omgeving. Vele uren bracht hij door aan de grote baai bij de oceaan. 's Morgens keek hij hoe de zon opkwam en het licht het won van de duisternis. Het licht trok een streep tussen de horizon en de voet van het kasteel. Om twaalf uur bejubelde hij de weerschijn van de hemel in het water. En zo ging de dag voorbij, tot de schemer viel en het licht langzaam doofde.

Het was niet moeilijk om aan voedsel te komen. Hij ging het heldere water in om vissen te vangen en verzamelde de schelpen die door de zee op de rotsen waren geworpen. Op weg naar het kasteel plukte hij vruchten uit de rijkbeladen vruchtbomen.

En langzaam besefte hij wie hij was: een kleine jongen, alleen, in een prachtige wereld. Buiten straalde de natuur in al haar schoonheid hem toe. Binnen werd hij omringd door de vriendschap van zijn zeven zusters, de duiven. Hij hoefde niets te doen voor zoveel rijkdom. 's Nachts wiegde het rustige gekabbel van de golven hem in slaap en sliep hij met de zekerheid dat er weer een nieuwe morgen zou aanbreken.

Het was of de natuur een verbond had gesloten met deze jongen. Het licht van de hemel en de kleur van de zee kwamen terug in dit kind, waar hij ook was, binnen of buiten, in het licht of in het donker. Hij kreeg er niet genoeg van door het kasteel te dwalen en er de pracht van te bewonderen. Tot hij op een dag zijn nieuwsgierigheid niet kon bedwingen en besloot de verboden kamer in te gaan. Hij opende de deur: de kamer zag er net zo uit als de andere. Hij deed de luiken open en zag de mensen druk in de weer op de markt.

Opeens herkende hij zijn vader en riep naar hem:
"Hallo, Baba Ali!"
"Wat doe je daar, mijn zoon?"
"Ik woon in dit kasteel
dat uittorent boven het water
met mijn zusters, zeven duiven."
De vader ging terug naar huis en vertelde zijn vrouw over de ontmoeting met zijn zoon. De vrouw kon haar woede nauwelijks bedwingen en vroeg 's avonds aan de maan:
"O maan, ik smeek je
Zeg mij de waarheid
Wie is de mooiste, Habbat of ik?"
De maan antwoordde:
"Habbat, daar is geen twijfel aan."
Radeloos ging de stiefmoeder de volgende dag raad vragen aan een bijzondere raadsheer: Cheikh al moedabbar.

Deze zei het volgende tegen haar: "Vraag je man weer naar de markt te gaan. Als hij Habbat er-roumane weer ziet, moet hij hem vragen de vogel die de zorgen verjaagt te gaan zoeken. Dat zal zijn geluk compleet maken. Het is een machtige en geduchte vogel. Het is nog nooit iemand gelukt de vogel te vangen. Wie het probeert, zal sterven."

De stiefmoeder raadde haar man dus aan terug te gaan naar zijn zoon met het advies de vogel die de zorgen verjaagt te vangen. Toen Baba Ali op de markt kwam ging het venster van de verboden kamer open en Habbat er-roumane vroeg aan zijn vader: "Wat zei mijn stiefmoeder toen zij hoorde dat:
Ik in dit kasteel woon dat
uittorent boven de zee en het land
met mijn zusters de zeven duiven."
"Zij zei dat je, om nog gelukkiger te worden, de vogel die de zorgen verjaagt moet vangen en dat je deze zeldzame vogel mee naar huis moet nemen."

Het ontging de duiven niet dat de jongen plotseling verdrietig en bezorgd was. Hij bekende dat hij in de verboden kamer was geweest en dat hij het bevel had gekregen de vogel die de zorgen verjaagt te vangen.

Zijn zusters zeiden: "Ga er niet heen. Die vogel is te sterk, je kunt hem niet aan. Als je hem gaat zoeken zul je zeven reuzen op je pad vinden."

Maar zijn besluit stond vast. Hij bereidde zich voor op zijn reis en vroeg de duiven zeven grote broden, zeven kammen en één schaar in zijn bagage te stoppen. Hijzelf maakte een kooi van goud, afgezet met edelstenen en met een gouden stokje vol diamanten erin.

Hij pakte zijn zak en sprong op zijn paard. Na maanden zwerven kwam hij bij een grote berg die bewaakt werd door de eerste reus. Het was een monster met een warrige bos haar die zelfs zijn ogen bedekte. Daardoor merkte hij ook niet dat Habbat hem naderde. De jongen haalde de schaar te voorschijn en een van de kammen. De klitten die niet meer te ontwarren waren knipte hij uit het haar van de reus. Hij legde één van de broden op de knieën van de reus en kamde het haar netjes uit zijn gezicht. De reus was zo blij weer te kunnen zien dat hij riep: "Ik zal degene die ervoor gezorgd heeft dat ik weer kan zien geen kwaad doen. Wat kom jij hier doen?"

"Ik zoek de vogel die de zorgen verjaagt."

"Mijn broers en ik zijn de bewakers van de zeven bergen die de vogel die de zorgen verjaagt verbergen. Ik zal je het wachtwoord geven voor mijn jongere broer. Als je dat gebruikt zal hij je geen kwaad doen. Hij zal je sturen naar de broer die jonger is dan hij. Net zo lang tot je bij de jongste broer bent. Doe bij de anderen precies wat je bij mij hebt gedaan."

Habbat er-roumane zwierf weer een paar maanden tot hij hij de berg kwam die bewaakt werd door de tweede reus. Hij ging bij hem net zo te werk als bij de eerste, haalde de klitten uit zijn haar, legde een brood op zijn knieën en kamde het haar dat voor zijn ogen hing zorgvuldig weg. Toen de reus weer kon zien was hij de jongen net zo dankbaar als zijn oudere broer.

Zo ging Habbat verder tot hij na jaren trekken van berg naar berg uiteindelijk bij de zevende reus kwam. Die was opgetogen toen zijn haar uit de war gehaald was en hij weer kon zien. Hij zei: "Degene die jou hierheen heeft gestuurd, wilde dat het je dood zou worden. Maar omdat je zo graag de vogel wilt vangen zal ik wat aanwijzingen geven om je te helpen. De vogel die de zorgen verjaagt bevindt zich achter die twee ruige rotspieken die je daar ziet. Wanneer iemand probeert tussen de twee bergen door te glippen, bewegen de bergen zich naar elkaar toe en verpletteren de stakker. De enige manier om dat te voorkomen is op dit schaap de pas door te trekken. Lukt het je zo het koninkrijk van de vogel binnen te komen, verberg je dan met het schaap in het dichte bos. Zet het deurtje van je mooie gouden kooi open en laat het stokje schommelen. Let goed op. Als de zon op de diamanten schijnt laat de vogel zich misschien lokken."

Habbat luisterde goed naar deze raadgevingen en had er ook vertrouwen in. Hij had de kooi immers als val gebouwd. Ging een dier door het geopende deurtje, dan sloot het zich vanzelf en was de indringer gevangen.

Op zijn paard ging hij op weg naar de pas tussen de twee rotsen. Daar aangekomen stapte hij van het paard op het schaap over, dat hem veilig door de pas bracht. In het bos zette hij de kooi goed in het zicht en zette het stokje in beweging. Het schaap bond hij vast en hij klom in een boom om de komst van de vogel af te wachten. De vogel kwam al snel rond de kooi scharrelen, maar waagde zich drie dagen lang niet naar binnen. De derde dag spreidde hij zijn vleugels en stootte hij een vreselijke kreet uit. Onmiddellijk werd de hemel wit en een deken van sneeuw bedekte het land. Toen lachte de vogel en de zon stond gloeiend aan de hemel, alles verblindend met zijn licht.

De vogel besloot de kooi binnen te gaan. Achter hem viel het deurtje dicht.

Habbat sprong uit de boom, maakte het schaap los, greep de kooi, ging de pas tussen de rotsen door, verruilde het schaap voor zijn paard, groette alle zeven reuzen onderweg en keerde terug naar het kasteel aan de zee.

In de jaren die deze reis had geduurd was Habbat een stralende jongeman geworden. In het kasteel zaten de duiven somber bij elkaar. Het was zo lang geleden dat Habbat vertrokken was dat ze niet meer geloofden hem nog terug te zullen zien. Hoe gelukkig waren ze toen hij voor hen stond met in zijn hand de kooi met de vogel!

Habbat holde naar het raam van de verboden kamer. Daar zag hij zijn vader op het plein en hij riep:
Baba Ali, hoe is het met je
en met mijn stiefmoeder?
Zeg haar dat
ik weer in het kasteel ben
dat uittorent boven het land
en de zee
met de duiven, mijn zusters.
De vogel heeft zijn vleugels
gevouwen."
Toen de vader nietsvermoedend het nieuws vertelde aan zijn vrouw, barstte zij bijna uit elkaar van woede. Zij ging snel naar Cheikh al moedahbar om hem op de hoogte te brengen van wat er gebeurd was. Hij had nog één advies voor haar om haar stiefzoon kwijt te raken. "Laat je stiefzoon weten dat hij pas echt gelukkig kan worden als het hem lukt de bloem der bloemen, prinses Zehriat ezzohour, te ontvoeren."

De vader ging weer op pad om zijn zoon deze boodschap over te brengen. De duiven werden bang toen ze hoorden wat er nu weer van Habbat werd verlangd. "Ga er niet heen! De vogel die de zorgen verjaagt is van haar en zij zal woedend zijn dat jij hem hebt gevangen. Velen hebben geprobeerd Zehriat ezzohour te ontvoeren, maar niemand heeft het overleefd."

Maar Habbats besluit stond vast en opnieuw vertrok hij, dit keer met zeven broden, zeven kammen en zeven spiegels voor de reuzen. Net als op zijn eerste reis kamde hij het haar van iedere reus, zodat het niet meer voor hun ogen hing, en gaf hun elk een brood. Daarna hield hij ze een spiegel voor en toonde ze hun spiegelbeeld. De laatste reus bij wie hij aankwam - de jongste - vertelde hem wat bijzonderheden over de prinses: "Het ene jaar slaapt zij en het andere jaar is zij wakker. Dit jaar is zij wakker." Daarna gaf hij hem het schaap om de pas door te komen.

Habbat sprong op het schaap en passeerde ongedeerd de pas. Vol moed toog hij naar het paleis van de bloem der bloemen. Hij ging naar binnen en liep verschillende kamers door, alle prachtig versierd maar leeg, tot zijn oog viel op een deur die nog rijker was aan beeldhouwwerk en miniaturen dan de andere. Voorzichtig opende hij hem en hij bevond zich tegenover iemand die zo mooi was dat je er alleen van kunt dromen. Zij lag op bed met haar gouden lokken uitgespreid om zich heen. Aan haar hoofdeinde stond een gouden kandelaar met een brandende kaars. Aan haar voeten een iets kleinere zilveren kandelaar. Habbat nam de kandelaar die bij haar hoofd stond om hem bij haar voeten neer te zetten en zette die van haar voeten bij haar hoofd. De prinses opende haar ogen en glimlachte naar Habbat. Zodra de jongeman binnenkwam, wist ze dat hij degene was die haar kwam bevrijden. Ze zei: "O Habbat er-roumane, ik weet dat er geschreven staat dat ik met jou zal trouwen en ik weet dat jij de vogel die de zorgen verjaagt gestolen hebt. Ik wil vrij zijn en zal graag met je meegaan." Zij blies de kaarsen uit, draaide aan haar ring en in een oogwenk was alles rond Habbat en haar verdwenen, kasteel, bos en bergen. De prinses had namelijk een toverring, en deze ring bracht hen bij het kasteel aan de zee en de zeven duiven. Maar de zeven duiven waren nu zeven mooie vrouwen geworden.

Habbat ging snel naar de verboden kamer in de hoop zijn vader te zien.
"Baba Ali, hoe gaat het met je?
Zeg tegen mijn stiefmoeder dat
ik weer in het kasteel ben
dat uittorent boven de zee
met mijn zeven zusters,
mijn vriendinnen,
en de vogel die de zorgen verjaagt,
en ook de bloem der bloemen.
Deze week nodigen wij de gasten uit,
volgende week is ons huwelijk."
Toen de stiefmoeder het nieuws hoorde, verborg zij haar woede en vroeg bij het huwelijk aanwezig te mogen zijn. Zij ging naar Cheikh al moedabbar. Hij zwoer haar dat het nog nooit eerder iemand gelukt was de bloem der bloemen te ontvoeren. Nu was er nog maar één oplossing: vergif. Dit dodelijke vergif kwam van de as van een draak die vroeger huisde in een grot. Cbeikh al moedabbar had de draak gedood. Daarna had hij het monster in brand gestoken en de as verzameld. Hij gaf de stiefmoeder er een klein beetje van en raadde haar aan het door het eten van het bruidspaar te mengen of het uit te strooien over hun lakens. Gewapend met dit gif ging zij naar het kasteel aan de zee. De prinses, die alles wist, waarschuwde de zeven zusters.

De stiefmoeder vroeg: "Laat mij helpen het huwelijksmaal te bereiden en de slaapkamer in orde te brengen." De zeven zusters bedankten haar vriendelijk, maar zeiden dat het eten al klaar was. Maar als zij wilde mocht zij het huwelijksbed opmaken. Dat deed de stiefmoeder en zij strooide de as van de draak over het huwelijksbed, hopend dat het daarmee een doodsbed zou worden.

De hele avond werd er gefeest. Diep in de nacht trokken de prinses en Habbat zich terug in de bruidskamer die was klaargemaakt door de zeven zusters. 's Morgens begroette het paar gezond en wel de gasten. De stiefmoeder begreep dat zij ergens anders hadden geslapen en zij stierf van woede. De onschuldige Baba Ali werd uitgenodigd de rest van zijn leven te wonen in het kasteel aan de zee, bij zijn geliefde kinderen, de zeven zusters en de vogel die de zorgen verjaagt.


*   *   *

Het Lichtkasteel Samenvatting
Een Marokkaans verhaal over een afgunstige stiefmoeder. Een Marokkaanse versie van Sneeuwwitje, met in de hoofdrol een beeldschone jongen. Ook hier lukt het de jaloerse stiefmoeder niet om de jongen te doden, en dus stuurt ze hem maar op een reis vol gevaren en onmogelijke opdrachten. Deze reis is het symbool van de inwijding in het leven. Lees het verhaal

Toelichting
Dit verhaal vertoont sterke overeenkomst met het sprookje van Sneeuwwitje bij Grimm. Alleen vormt hier een jongen de bedreiging voor de stiefmoeder. Nadat deze er niet in is geslaagd haar stiefzoon te doden stuurt ze hem op een reis vol gevaren. Deze reis is het symbool van de inwijding in het leven. De beschermers van de jongeling zijn niet zeven dwergen maar zeven duiven.

De granaatappel geldt in de Noord-Afrikaanse literatuur als een symbool van liefde en schoonheid.

Uit: J. Scelles-Millie, Paraboles et Contes d'Afrique du Nord, Parijs 1982. Le chateau de lumière, p. 11-33.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Reizen. Verhalen over avontuurlijke reizen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: Marokko
Verteltijd: ca. 30 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook