Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 13 min.
Herkomst:




Het Sylvestermeisje Een verhaal over een meisje tijdens oud en nieuw

Met oudjaar komen de herinneringen; kwebbelende, murmelende oude mensjes, de Sylvestervrouwtjes. De Sylvestervrouwtjes komen van alle kanten, ze vullen de kamer, ze giechelen en zuchten en zeggen: "Weet je dit nog, weet je dat...?"

Later, als de klok goed en wel twaalf uur heeft geslagen, verdwijnen ze, met de sfeer van kaarslicht en dennengroen. De mensen lachen opgelucht: "Weg met het verleden." Ze steken overal de lichten aan, alle lichten. Een zee van licht valt over witte, feestelijk gedekte tafels. In de kristallen vazen staan witte seringen. Uren, dagen, maanden, jaren... is achter de rug.

De radio komt met jazzmuziek. Op straat en in de restaurants wordt gedanst. De lucht is vol confetti. Je hoort gekling-klang van glazen: "Geluk en gezondheid in het nieuwe jaar." Ze gooien aardewerk aan scherven, over het water loeien de sirenes van de boten, hier en daar is het schijnsel van vuurwerk te zien. De herinneringen zijn weer veilig en wel weg, terug naar het verleden. Dat is altijd zo gegaan, eeuwen achter elkaar.

De Sylvestervrouwtjes zijn allemaal zo'n beetje hetzelfde: oud en zeurig en sentimenteel. Er is er niet één die uit de toon valt. Maar eens op een keer, met oudjaar, is er iets vreemds gebeurd; toen is - per vergissing - in die grauwe rijen iets jongs meegekomen, een klein kind, een meisje.

Denk nu niet dat het verleden een janboel is. Alles is daar werkelijk keurig geregeld. Alles staat op kaart, en ieder Sylvestervrouwtje krijgt een overstap en een papiertje waarop het adres staat waar ze heen moet. Maar een administratieve fout blijft altijd mogelijk.

In ieder geval, het kleine meisje kreeg net als de anderen haar overstap en adrespapiertje. Vader Tijd, die de paperassen uitreikte, keek wel even verwonderd, maar hij had zoveel aan zijn hoofd...

Zonder iets te zeggen stapte het kind tussen de oude vrouwtjes het verleden uit.

Er was niemand die speciaal op haar lette. Ze hield zich muisstil. Ze verloor het adrespapiertje, maar dat hinderde niet, ze wist toch niet wat ze ermee moest doen. Ze dacht: "Ik ga zoeken naar een mevrouw met blond haar en een litteken op haar voorhoofd. Ik heb óók blond haar en een litteken op mijn voorhoofd. Ik ga zoeken naar de mevrouw die ik geworden ben..."

"Tiktak, tiktak," zeiden alle klokken van de stad. "Half twaalf. Nog dertig minuten... nog negenentwintig..."

De oude vrouwtjes verdwenen links en rechts. "Tot straks," fluisterden ze. Ze lieten het kleine meisje alleen achter in een brede straat met grote huizen. Voor de huizen waren tuintjes, waar de sneeuw op lage taxushagen en dennenboompjes lag.

In een van die tuintjes, met zijn rug tegen het stammetje van een kale kastanje, zat de nachtwaker. Zijn brandende lantaarn stond naast hem op de grond.

Hij at een erg vet oliebolletje, en hij zei tegen het meisje: "Waarom heb je je verkleed?" Het meisje keek hem vragend aan. Zij had zich helemaal niet verkleed. Zij droeg een tamelijk lang, roodgeruit jurkje. Het hoge boordje was afgezet met zwart bandfluweel. Haar zwarte rijglaarzen waren netjes gepoetst en haar lange, blonde krullen waren bovenop haar hoofd opgenomen met een grote, wijduit staande vuurrode strik.

"Als je maar weet," ging de nachtwaker verder, "dat je er erg opgedirkt uitziet met dat losse haar. Wat loop je hier eigenlijk te zoeken?"

Het meisje steunde haar ellebogen op het hekje en staarde in het licht van de lantaarn. Ze wist heel goed wat ze zocht, ze had kunnen antwoorden: "Ik zoek de vrouw die ik geworden ben." Maar ze zei zomaar wat, iets heel anders. "Ik zoek een poes..."

"Zeg dat dan," bromde de nachtwaker. "Er zit een rooie poes in het portiek van nummer drie."

Toen de rooie poes van nummer drie het meisje zag zei ze: "Ik ben de dochter van de dochter van Minet. Je weet wel, alle poezen heetten vroeger Minet."

"Tiktak, tiktak," zeiden de klokken. "Nog twintig minuten..."

Het meisje werd onrustig. Wat vloog de tijd... "Dochter van de dochter van Minet, zou je me alsjeblieft willen zeggen waar ze is?"

"Ze, ze, wie is ze?" vroeg de poes snibbig, en het meisje trachtte halsoverkop de zaak uit te leggen, wat heel moeilijk was.

"Vóór de klok twaalf slaat, zie je," besloot ze haar relaas, "vóór die tijd wilde ik haar even goedendag zeggen. Ik zou haar zó herkennen. Aan dat litteken op mijn voorhoofd, ik bedoel op haar voorhoofd."

De rooie poes vond het een verward verhaal, maar ze begreep toch wel, dat het meisje iemand zocht. Een lieve dame... "Luister," zei ze. "Je belt gewoon overal aan en vraagt mevrouw te spreken. Allicht loop je die dame dan tegen het lijf... ik ga nu maar. Ik wil nieuwjaar vieren met de zwarte kater van de hoek."

Het meisje keerde zich om en belde aan de eerste de beste deur.

Ze werd opengedaan door een prachtige blauwfluwelen lakei, die "nee, nee, nee..." zei.

Even hoorde ze in de verte geroezemoes van stemmen. Even rook ze de geur van punch en gebak. Toen werd de deur zacht maar onherroepelijk voor haar gesloten.

De tweede deur werd opengedaan door een statige huishoudster. "Nee," zei de huishoudster. "Wij willen geen kinderpostzegels. We hebben geen ouwe kranten, en we kopen niet aan de deur." De derde deur werd zó plotseling voor haar gezicht dichtgegooid, dat er een slip van haar jurkje tussen kwam te zitten, waardoor ze nog eens moest bellen...

Bij de volgende deur was er een jongen, die naar haar schopte, en bij de daaropvolgende deur een oude heer, die zei dat het zondig was voor een jongedame om zo laat op straat te lopen...

Toen het meisje bij de tiende deur aanbelde, was er iets opstandigs in haar hart gekomen.

Ze duwde iemand, die haar de pas wilde afsnijden, opzij, stormde de gang in, greep een paraplu uit de koperen standaard, zwaaide die en riep: "Ik wil mevrouw spreken..."

Ze had blijkbaar heel hard geroepen. In minder dan geen tijd stond de hal vol mensen. De mensen knipperden met hun ogen in het felle licht van de kristallen ganglamp, want ze hadden urenlang in de schemerige salon gezeten om het vlammende haardvuur, waarin ze - met verveelde gezichten - de verdroogde hulsttakjes van het kerstfeest opstookten.

"Wie is dat? Wie is dat?" riepen de mensen. Ze keken kwaadaardig en de vrouw des huizes, een kleine dame in zwart velours chiffon, die zich de hele avond had zitten ergeren aan haar mislukte permanent, stiet een vreselijke kreet uit: "Ze heeft de paraplu van tante Clasien gestolen! Houd de dief..."

Bliksemsnel schoot het meisje de deur uit. Ze rende door de straten, en vlak achter haar aan kwam de velours chiffondame. Ze zou dat kind krijgen. De paraplu van tante Clasien had een gouden knop, en goud is goud. "Houd de dief!" Eigenlijk had haar man achter die paraplu aan moeten gaan, maar haar man was een man van niets. De hele avond maar ginnegappen tegen die idiote mademoiselle. En ondertussen liet hij alle paraplu's het huis uitdragen. Hem een zorg als zij een longontsteking kreeg.

En dan die permanent. Ze zou alles kort en klein willen slaan. Ze zou beginnen met dat misdadigerskind daar voor haar...

"Tiktak, tiktak," zeiden de klokken, en klikklak, klikklak, vlak achter het meisje aan, kwam het geluid dat de hogehakschoentjes van de boze dame maakten op het natte asfalt.

Bij de lantaarn op de hoek van de Mandarijnstraat, struikelde het meisje over de rooie poes, die bezig was met een schelviskop, het nieuwjaarsgeschenk van haar vriend, de zwarte kater.

Flang, daar lag ze languit in de sneeuwmodder. Een seconde later stond ze alweer overeind, maar het was te laat. "Lelijkerd." De boze dame pakte het kind bij haar roodgeruite pofmouwtjes en schudde het door elkaar of ze alle ergernis van die avond, van dat jaar, van haar hele leven op die manier wilde koelen. "Ga mee, ik zal je naar de gevangenis laten brengen." Maar het meisje bleef doodstil staan en luisterde hoe de klokken begonnen aan het voorspel van het hele uur. Toen sloeg ze haar ogen op en keek de vrouw recht in het gezicht. En toen...

Je kunt iemand herkennen aan de blik van zijn ogen, aan de kleur van zijn haar, aan de manier waarop hij lacht... De vrouw en het meisje herkenden elkaar aan alles.

De ogen van het meisje waren groot en vrolijk geworden. Alle lichtjes van de kerstboom schitterden erin, en alle spiegelende zonneplekjes op het water van de zee, en al de felle tinten blauw en paars van hyacintenvelden in het voorjaar.

De klok begon te slaan. "Een, twee, drie..."

"Ik wist niet," zei de vrouw, "dat iemand zo in de war kon raken door een paar glazen punch..." Ze kneep haar ogen dicht. Toen ze ze weer opendeed, was de hemel rood van Bengaals vuur. Er werd geschoten en gejuicht.

"Twaalf uur!"

"Gelukkig nieuwjaar!"

Het meisje in het ouderwetse, roodgeruite jurkje was weg. Onder de lantaarn lagen de schelviskop en tante Clasiens paraplu met de gouden knop.


*   *   *

Het Sylvestermeisje Samenvatting
Een verhaal over een meisje tijdens oud en nieuw. Met oudjaar komen de herinneringen; de Sylvestervrouwtjes. Eén oudjaar loopt er tussen de oudere vrouwen opeens een jong meisje dat ook het verleden uitstapt. Het meisje gaat op zoek naar de vrouw die ze is geworden. Lees het verhaal

Trefwoorden

Thema