Volksverhalen Almanak

Neem mij mee! Een Japans griezelverhaal over waardevolle dwaallichtjes

Lang, lang geleden woonden er in een afgelegen dorpje drie broers. Zij bebouwden het stuk land dat ze van hun ouders geërfd hadden en als de opbrengst nauwelijks genoeg was om die drie gezonde jonge mensen in leven te houden, vlochten ze aardige rieten mandjes en verkochten die op de markt. Maar hoe hard zij werkten en hoe zuinig zij leefden, nooit bleef er wat geld over! En juist als er geen yen meer in huis was, hadden zij een lekkende theeketel of een lege zoutpot. Maar het meest zagen zij op tegen de laatste weken van het jaar, als de belasting betaald moest worden. "Zo gaat het niet langer," zei Saburo, de oudste van de broers, op een dag. "Ik zoek een betrekking. Zonder mij kunnen jullie het werk hier ook wel aan. Als ik genoeg geld voor de belasting heb verdiend, kom ik weer thuis."

De broers vonden dit een goed idee en Saburo vertrok. En in de eerste de beste stad werd hij aangenomen als voerman.

Zes maanden lang reed Saburo met zijn wagen vol thee, zout en andere koopwaar van de ene markt naar de andere. Zijn baas was zeer tevreden en had hem graag voorgoed in dienst gehouden. Maar Saburo sloeg het aanbod vriendelijk af.

"Ik ben blij dat u zo tevreden bent," zei hij, "maar ik moet nu werkelijk naar huis. Het nieuwe jaar staat voor de deur en m'n twee broers hebben mijn verdiende geld nodig voor de belasting."

De koopman gaf hem zijn loon, Saburo bond het geld zorgvuldig in een doek en ging toen, steeds nog achteromziende en buigend, op weg. Hij liep zo vlug mogelijk, maar zag tot zijn schrik dat de duisternis al inviel voordat hij het donkere bos, dat hem nog van zijn dorp scheidde, was doorgetrokken. Saburo huiverde. Maar de broers zouden zeker al op hem wachten. Morgen was het immers Oudejaar. Wat zouden zij grote ogen opzetten, als hij al dat geld op tafel legde! En er was trouwens geen enkel huis in de omgeving waar hij zou kunnen overnachten. Er bleef hem niets anders over dan zijn angst te onderdrukken. Hij rende door het woud, keek links noch rechts, alleen naar de smalle streep van de avondhemel die tussen de hoge boomkruinen zichtbaar was. Het was er zo stil, dat Saburo zich steeds dapperder voelde. Ik ben al over de helft, dacht hij, overal is het stil, waar zou ik eigenlijk bang voor zijn? Doch plotseling schoot er, vlak voor hem, een blinkend voorwerp over de weg.

Hij schrok hevig, maar herstelde zich dadelijk weer. "Ach wat, verbeelding natuurlijk, ik geloof toch niet aan spoken?" riep hij luid.

Toch ging hij langzamer lopen en zag duidelijk steeds meer kleine lichtjes over de weg dansen. Zij cirkelden rond de boomstammen en kwamen, langzaam en geluidloos, dichterbij. Nu hoorde Saburo een zacht zoemen, dat even later in een vreemd gemurmel veranderde. Doodsbleek bleef hij op het bospad staan en hoorde nu heldere stemmetjes:
"Wil je me hebben,
neem mij dan mee,
wil je me niet,
loop dan maar door!

Wil je me hebben,
neem mij dan mee,
wil je me niet,
loop dan maar door!"
En de lichtjes kwamen steeds dichterbij...

"Wat moet ik doen?" riep Saburo wanhopig uit. "Laat mij gaan!" En hij rende weg zo vlug hij kon. Buiten adem en met verwarde haren kwam hij eindelijk thuis. Alsof de spoken hem nog steeds op de hielen zaten, liep hij de hut binnen, trok niet eens zijn sandalen uit en liet zich uitgeput op zijn mat vallen.

Zijn broers zaten juist aan hun avondmaal. Ieder had een tafeltje met een kom rijst voor zich.

"Wat is er met jou aan de hand, dat je naar binnen springt zonder ons te groeten?" riep de jongste broer verontwaardigd. "En kijk eens hoe smerig je je mat hebt gemaakt!"

Nu trok Saburo de sandalen van zijn voeten en sloot zorgvuldig de deur. Toen hij wat bekomen was vertelde hij: "Jullie weten ook niet aan welk een ontzettend gevaar ik ontsnapt ben. Op weg hierheen, in het bos, ben ik door glinsterende spoken overvallen. Ik was helemaal alleen en kon mij nergens verstoppen. Zij dansten om mij heen en riepen steeds maar: 'Neem mij mee! Neem mij mee!' Had ik mij niet zo vlug uit de voeten gemaakt, dan was ik nooit heelhuids thuisgekomen."

"Hebben zij anders niets gezegd?" vroeg Hatschiro, de jongste broer, wiens dapperheid en kracht in het hele dorp bekend waren.

"Of ik daarop gewacht heb! Ik was dolblij dat ze mij niet gepakt hebben," antwoordde Saburo.

"Dat waren eigenaardige spoken!" mompelde Rokuro, de middelste broer. "Misschien had je ze werkelijk kunnen meenemen en zouden zij niet meer in dat bos hoeven te spoken. Je bent natuurlijk geschrokken, omdat het zo plotseling gebeurde. Zei je niet dat het halverwege de stad was? Ik ga er heen, ik wil dat ook wel eens meemaken."

Toen hij in het woud kwam, was het nog later geworden en kon hij door de duisternis de weg nauwelijks meer vinden. Opeens zag hij in de diepe schaduwen iets lichts blinken. Rokuro bleef staan doch kon niets anders ontdekken dan kleine, flakkerende lichtjes. Toen zij dichterbij kwamen, hoorde hij echter 'n vreemd gemurmel en even later klonk het duidelijk:
"Wil je me hebben,
neem mij dan mee,
wil je me niet,
loop dan door!"
Intussen naderden zij hem steeds meer en sloten hem eindelijk helemaal in.

Toen werd Rokuro door een ontzettende angst aangegrepen. Hij had het gevoel of alle lichten zich op hem wilden storten. Hij sloeg van zich af en rende weg zo hard hij kon.

Bleek als een doek wankelde hij de hut binnen en de jongste riep plagend: "Lafaards zijn jullie! Je bent al bang voor woorden, want die lichtjes hebben je toch niets gedaan? Nu ga ik die spoken eens aan de tand voelen!"

Hij haalde een touw tevoorschijn. "Ik wil wel eens zien of die dingen roepen 'Neem mij mee', als ik ze met een touw tegemoet ga."

Intussen was het buiten helemaal donker geworden. Doch Hatschiro kende de weg zo goed, dat hij hem 's nachts ook vinden kon. Halverwege de stad zag ook hij de schitterende lichtjes heen en weer dansen en daar hij niet bang was en gewoon doorliep, stond hij er onverwacht middenin. Van alle kanten zong het in zijn oren:
"Wil je me hebben,
neem mij dan mee,
wil je me niet,
loop dan maar door!"
Het leek of het hele woud van die vreemde murmelstemmetjes vervuld was: "Wil je me hebben, neem mij dan mee..."

"Natuurlijk wil ik je hebben!" riep Hatschiro en hij boog zijn rug. "Hopla, spring er maar op. Dan kan ik tenminste zien wie je bent!"

Ogenblikkelijk verdwenen alle lichtjes en het gemurmel verstomde. Daarvoor in de plaats had Hatschiro een verschrikkelijk zware last op zijn rug gekregen. Hij stond bekend om zijn kracht, maar nu zakte hij toch bijna in elkaar. Hij verzamelde al zijn krachten en richtte zich langzaam op. "Jullie hebt je vergist, beste spoken," riep hij overmoedig, "ik laat niet zo licht met mij spotten!"

Hij knoopte het touw, dat aan zijn gordel hing, los, wierp het over de onbekende vracht op zijn rug en trok het toen samen. Daarna draaide hij zich voorzichtig om en liep zuchtend de weg naar het dorp. Hoewel het diep in de nacht was, verspreidden de spoken op zijn rug zoveel licht, dat het klaarlichte dag leek. Bij iedere stap scheen de last zwaarder te worden, zo zwaar, dat de jongen zich met grote moeite overeind hield. En dat, terwijl hij de sterkste in de hele omgeving was! Buiten adem bereikte hij eindelijk zijn erf en wilde de vracht afwerpen. Maar hoe hij zich wendde of keerde, het leek wel of die vreemde last aan zijn rug vastgegroeid was!

"Maar dat hebben wij niet afgesproken!" riep Hatschiro vertoornd en strompelde achterstevoren de hut binnen. "Ik wil jullie wel hebben, maar niet op mijn rug. Geloof maar niet dat ik jullie eeuwig zal blijven ronddragen!" Hij liep de keuken in en duwde met zijn rug hard tegen de muur.

Er klonk een dof gerinkel... maar de vracht bleef op zijn rug.

"Nu zullen wij toch eens zien wie hier het laatst lacht," brulde Hatschiro. Hij stapte de kamer binnen, nam een aanloop en bonsde met zulk een kracht tegen een van de pilaren waar het dak op rustte, dat zijn vracht uit elkaar vloog. Het rinkelde en tinkelde dat het een lust was en glanzende goudstukken dansten over de grond en tegen de muren. Zoveel waren het er dat ze zelfs het erf op rolden. Opgetogen grepen de broers in die sprookjesachtige goudschat en prezen de jongste om zijn dapperheid.

"Mooie spoken!" lachten zij toen alledrie. "Goud, dat onder de mensen wil. Neem me mee! Neem me mee!"

Sindsdien hebben zij nooit meer gebrek geleden en konden op iedere oudejaarsavond de belasting betalen.


*   *   *

Neem mij mee! Samenvatting
Een Japans griezelverhaal over waardevolle dwaallichtjes. De jongste van drie broers gaat als voerman werken om extra geld te verdienen. Op weg terug naar huis komt hij in het woud dwaallichtjes tegen die hem vragen om hen mee te nemen. Hij is bang en rent hard weg. Beide andere broers willen die spoken in het bos ook wel eens zien en als de oudste broer de dwaallichtjes meeneemt, blijken het goudstukken te zijn... Lees het verhaal

Toelichting
Vergelijk voor een zware onzichtbare last op de rug de Veluwse sagen van Blauwe Gerrit, Van de Aardmansberg en de Echoput en De boze geest van Hoge Duvel.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Japanse sprookjes" bewerkt door Marijke van Raephorst. Uitgeverij N. Kluwer, Deventer, 1971.

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 13 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook