Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 20 min.
Herkomst:




Rabbi Nachman - De gouden vogel De gouden vogel

Rabbi Nachman van Bratslav had de gewoonte alleen lange wandelingen in het bos te maken, zoals ook zijn overgrootvader, de Baal Sjem Tov, had gedaan. Op een goede dag liep rabbi Nachman in gedachten verzonken tussen de prachtige bomen, toen hij in de verte het trillend gezang van een vogel hoorde. Dat lied klonk zo mooi dat rabbi Nachman dieper het bos inging, in de hoop een glimp op te vangen van de vogel die zo schitterend zong. Hij liep en liep maar, zonder op de weg te letten, zo nieuwsgierig was hij. Maar ofschoon zijn gehoor zich instelde op het fijnste geluidje, was het bos merkwaardig stil en hoorde rabbi Nachman nog geen blad ritselen, want zelfs de wind scheen zijn adem in te houden.

Tenslotte meende rabbi Nachman dat hij in de verkeerde richting moest zijn gelopen en bedroefd ging hij zitten aan de voet van een der woudreuzen, waarvan de bovenste takken tot in de hemel schenen te reiken. Terwijl hij daar zat, schoot hem plotseling een psalm te binnen: De Tora is een Boom des Levens voor hen die zich eraan vasthouden, en op dat ogenblik dwarrelde er een veer tussen de takken van de boom door en viel naast rabbi Nachman op de grond. Op datzelfde moment hoorde hij duidelijk het ontroerende lied van de vogel die hem naar die plek had gelokt. Toen sprong rabbi Nachman op en zocht in de takken, in de overtuiging dat de vogel in deze boom moest zitten, maar er was niets te zien. Hij bleef nog doorzoeken toen het wel duidelijk was dat de vogel hem opnieuw was ontglipt.

Hij ging weer zitten en raapte de veer op, en ontdekte tot zijn stomme verbazing dat die van goud was en in de zon fonkelde als een spiegel. En toen hij de gouden veer zag, wist hij dat die van de vogel met het betoverende lied moest zijn en weer werd hij overweldigd door een heftig verlangen om hem te vinden. Maar toen merkte rabbi Nachman dat de zonnestralen schuin door de bomen vielen en hij besefte dat de middag ten einde liep. Hij wist heel goed hoe gevaarlijk het zou zijn om in het donker in het bos te blijven, en met grote tegenzin verliet hij de plek en ging naar huis. Maar tot zijn verbazing leek het wel alsof hij werd geleid door een onzichtbare gids, want hij vloog door het bos alsof hij er zijn leven lang had gewoond en nog voor de zon achter de horizon verdween, kwam hij uit het bos te voorschijn, met de gouden veer in zijn hand. Na nog een laatste blik achterom ging hij naar zijn huis in Bratslav. Hij vertelde niemand wat hij die dag had meegemaakt. En die avond legde hij, voordat hij ging slapen, de gouden veer onder zijn kussen.

En nauwelijks was rabbi Nachman in slaap gevallen, of hij was opnieuw in het bos, met de gouden veer nog steeds bij zich. In de verte zag hij een ronde bosvijver en hij bedacht dat hij erge dorst had. Hij liep naar de vijver, boog zich voorover en dronk van het heldere water, dat hem verkwikte tot in zijn ziel. Toen hij overeind kwam, zag hij in het water de weerspiegeling van de gouden vogel, die over de vijver vloog. Zo mooi had hij zich die vogel nooit kunnen voorstellen. Maar toen hij opkeek was het dier alweer verdwenen. En opnieuw besefte rabbi Nachman dat hij niet zou rusten voordat hij deze vogel met eigen ogen had gezien. En toen werd hij wakker.

De hele volgende dag vroeg rabbi Nachman zich af of hij die nacht zijn speurtocht naar de gouden vogel zou mogen voortzetten. Want hij begreep dat het geen zin had in het bos naar de vogel te zoeken; de vogel zou te vinden zijn in het rijk der dromen. En die nacht gebeurde het dat hij in zijn slaap opnieuw in het bos wandelde.

Ditmaal kwam hij op een plek vanwaar hij in de verte een tuin kon zien. Maar van welke kant hij die ook probeerde te benaderen, de tuin verdween voordat hij een poort had kunnen vinden. En telkens wanneer de tuin opdoemde, hoorde rabbi Nachman weer het aangrijpende lied van de gouden vogel, dat hem trof tot in het diepst van zijn ziel. En hij wist dat als hij maar een manier kon bedenken om in de tuin te komen, hij de gouden vogel wel zou kunnen vinden. Maar ofschoon hij telkens weer een glimp van de tuin opving, lukte het hem maar niet de ingang te vinden.

Toen herinnerde rabbi Nachman zich opeens de gouden veer, die in de zon had geblonken als een spiegel. Hij haalde hem te voorschijn en hield hem zo vast dat de plek waar de tuin zich moest bevinden erin zichtbaar was. Hij merkte meteen dat in de spiegel van de gouden veer de tuin niet verdween, maar duidelijk zichtbaar bleef. Toen liep hij nog een keer om de tuin heen, terwijl hij in de spiegel van de veer bleef kijken, en zo zag hij eindelijk de poort, die eerst onzichtbaar was geweest. Ook zag hij dat de poort zo vlug open en dicht ging als het knipperen van een ooglid. Hij liep erheen, ging voor de poort staan, deed zijn ogen dicht, en toen hij ze weer open deed merkte hij tot zijn ongenoegen dat hij wakker was geworden. Weer was de droom afgelopen voordat hij zijn doel had kunnen bereiken. Maar ditmaal was hij vol vertrouwen dat hij binnenkort de tuin van de gouden vogel zou kunnen binnengaan.

En nadat hij in de derde nacht zijn ogen had gesloten om te gaan slapen bleek rabbi Nachman, toen hij zijn ogen weer opende, in die prachtige tuin te zijn, waar hij het ontroerende gezang van de gouden vogel weer duidelijk kon horen. In de verte zag hij een boom die zo dik was dat hij dacht dat het wel vijfhonderd jaar zou kosten om er omheen te lopen. Onder de boom ontsprongen vier rivieren die door de tuin stroomden, één in elke richting. En hoog in die boom zag rabbi Nachman de gouden vogel, oplichtend tussen de takken als een gouden ster. En toen de vogel begon te zingen, voelde rabbi Nachman zich weer tot in zijn ziel ontroerd.

Plotseling zag hij een man in de tuin wandelen. De ogen van de man straalden zo'n sterke gloed uit dat zij het pad waarop hij liep schenen te verlichten. Deze man liep naar rabbi Nachman toe, die de ogen neersloeg omdat hij wist dat hij in de aanwezigheid van een heilig man was. En de man zei: "Welkom in deze tuin, rabbi Nachman. Vanaf het ogenblik dat u de gouden veer vond, heb ik op u gewacht, want ik wist dat u niet zou rusten voordat u de vogel gevonden had van wie die veer was. Wat mij betreft, ik ben hier de tuinman; ik mag hier de gewijde bloemen en vruchten verzorgen en erop toezien dat zij rijpen."

En rabbi Nachman zei: "Vrede zij met u. Ik verlangde er al naar om iemand te vinden die mij zou kunnen rondleiden in deze betoverde tuin, en wie zou dat beter kunnen dan de tuinman? Maar zegt u mij, hoe is uw naam, en hoe bent u ertoe gekomen deze tuin te onderhouden?" De man zei: "Ik ben de Ari. Zoals ik eens de tuinman van de Tora ben geweest, en de verborgen betekenissen vond, begraven onder de oppervlakte, en begreep hoe uitgewaaierde vonken kunnen wortelschieten en een overvloedige oogst voortbrengen, zo ben ik nu als beloning aangesteld als tuinman van deze tuin waarin de gouden vogel woont."

Rabbi Nachman was overweldigd door het feit dat hij zich bevond in aanwezigheid van de Ari, zoals rabbi Izak Luria werd genoemd. Eerst zweeg hij, maar toen vond hij de moed om te spreken, want nu kreeg hij eindelijk de gelegenheid om het geheim te ontraadselen van de gouden vogel, wiens gouden veren in het zonlicht flonkerden en wiens lied hem had gelokt. En hij vroeg of de Ari dit geheim met hem wilde delen. De Ari antwoordde hierop: "Die gouden vogel, rabbi Nachman, is de geliefde vogel van de Messias. Want het lied van die vogel vertaalt de gebeden van Israël in een aangrijpende muziek die de hemelen vult."

Op dat ogenblik herinnerde rabbi Nachman zich plotseling het verhaal over zijn overgrootvader, de Baal Sjem Tov. Deze had eens, toen hij aan het bidden was met zijn Chassidim, de Achttien Zegeningen zo lang gerekt, dat zijn Chassidim ongeduldig werden en een voor een het gebedshuis verlieten. Later vertelde de Baal Sjem hen dat zij door hun vertrek voor een grote scheiding hadden gezorgd. Want terwijl de Baal Sjem aan het bidden was, was hij bezig de ladder van hun gebeden op te klimmen naar een plek waar hij in een visioen een gouden vogel had gezien, wiens lied wel vrede moest brengen in de harten van alle mensen die het hoorden. En de Baal Sjem vertelde hen dat hij door zijn hand uit te strekken juist dichtbij genoeg was geweest om de vogel uit de boom te tillen. Maar op dat ogenblik was de ladder van hun gebeden gebroken en was hij teruggevallen in deze wereld, terwijl de vogel wegvloog.

Toen sprak de Ari, die rabbi Nachmans gedachten kon lezen: "Ja, dit is dezelfde gouden vogel die de Baal Sjem heeft gezien. Het was ook geen toeval dat zijn Chassidim ongeduldig werden, want daar zorgde de hemel voor, zodat de Baal Sjem er niet in zou slagen de vogel te vangen eer de tijd was gekomen voor de geboorte van de Messias onder de mensen. Want deze tuin is de woonplaats van de Messias en daarom wordt zijn paleis wel het Vogelnest genoemd, want het is het lied van die vogel dat de werelden boven en beneden in stand houdt. De Messias betreedt die verborgen verblijfplaats met nieuwe maan en op godsdienstige feestdagen en op de Sabbat, want dan verlaat de vogel deze betoverde boom en keert terug naar zijn nest, waar hij onafgebroken zingt.
De Messias verheugt zich in zijn lied, dat het wezen in zich draagt van honderdduizend gebeden. Was de Baal Sjem erin geslaagd ook maar één gouden veer mee terug te nemen, dan zou er gedurende vele geslachten vrede hebben geheerst. En had hij de gouden vogel meegevoerd, dan was de Messias hem zeker gevolgd om maar bij het lied van de gouden vogel te kunnen blijven."

Rabbi Nachman schrok toen hij dit hoorde en hij werd heel ernstig, want evenals de Baal Sjem verlangde hij niets liever dan dat de Messias het Einde der Tijden zou inluiden. Ten slotte zei hij tot de Ari: "En als ik nu eens zou proberen de gouden vogel mee te nemen uit deze tuin?"

Maar hij had die woorden nog niet gezegd, of een plotselinge wind stak op en rukte de gouden veer uit zijn hand en voerde hem weg, zodat rabbi Nachman wist dat hij voorgoed was verdwenen, en hij begreep dat hij even snel uit de tuin verdreven kon worden als de veer was meegenomen door de wind.

Toen antwoordde de Ari: "U, rabbi Nachman, bent dit koninkrijk binnengetreden als dromer, terwijl de Baal Sjem hier kwam als wakende. Ook al slaagde u erin de gouden vogel te vinden, u zou hem nooit voorbij de poort van het rijk der dromen kunnen brengen.
Op het ogenblik dat u hem aanraakte, zou u dadelijk alleen en met lege handen in de mensenwereld staan."

Rabbi Nachman was niet verbaasd die woorden te horen, want hij was niet vergeten dat hij het rijk der dromen was binnengegaan. En het laatste wat hij wilde was eruit verdreven worden. Toen zei hij tot de Ari: "Maar zeg mij, als ik het tenminste mag weten, hoe ik de terugweg naar deze tuin zou kunnen vinden om de gewijde zang van de gouden vogel te horen. Het hindert niet of ik hier dromende of wakende kom."

Daarop glimlachte de Ari en zei: "Voor u zal dat heel eenvoudig zijn. U hoeft alleen maar te denken aan het vers waarin staat geschreven De Tora is een Boom des Levens, en dat zal uw sleutel tot dit rijk zijn. Want op die nacht zult u naar deze wereld reizen in een droom en de aanwezigheid meemaken van de gouden vogel en het lied dat de gebeden der mensen transformeert, gebeden die, zoals u hebt gezien, zelf de sleutels tot de hemel zijn."

En nauwelijks was de Ari uitgesproken, of rabbi Nachman ontwaakte en bevond zich weer in de wereld der mensen. Maar ditmaal had hij niet meer het gevoel dat zijn zoektocht was mislukt; integendeel, hij begreep dat zijn wortels onder de levenden even diep gingen als die welke hem naar de wereld hierboven trokken, waar het lied van de gouden vogel de hemelen vervulde. Vanaf die tijd merkten zijn Chassidim op dat rabbi Nachman elke avond de Heilige Schrift naast zijn bed had liggen, geopend bij de Psalmen. En vanaf die tijd merkten zij ook op dat er wanneer hij ontwaakte een goddelijke glimlach om zijn lippen en in zijn ogen te zien was. En allen die hem kenden verwonderden zich erover hoe vredig hij elke ochtend was, alsof hij was teruggekeerd van een reis naar een ver vredesrijk.


*   *   *

Rabbi Nachman - De gouden vogel Samenvatting
De gouden vogel. Rabbi Nachman hoort tijdens een wandeling het lied van een vogel en hij krijgt een heftig verlangen om het dier te vinden, maar hij vindt alleen een gouden veer. In zijn dromen zoekt hij verder en komt bij een tuin waar hij de gouden vogel ziet. De tuin blijkt een bijzondere, vredige plek te zijn. Lees het verhaal

Toelichting
Een vertelling van rabbi Nachman van Bratslav, een beroemde chassidische 'rebbe' (rabbijn) uit de negentiende eeuw. Het Chassidisme is een mystieke beweging, die ontstond onder de joden in Polen in het begin van de achttiende eeuw en die in de twee daaropvolgende eeuwen invloed kreeg op vrijwel de helft van de joodse gemeenschap in de wereld. Haar stichter is de Baal Sjem Tov, de overgrootvader van rabbi Nachman.

In de vertelling treedt ook de Ari op, een beroemde mysticus uit de zestiende eeuw, die in Egypte en Israël leefde. De achttien 'zegeningen', waarover gesproken wordt, maken deel uit van het ochtend-, middag- en avondgebed.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" Lemniscaat, Rotterdam, 1990.

Herkomst: de Joodse traditie
Verteltijd: ca. 20 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook