Volksverhalen Almanak

De drie sinaasappels Een Frans sprookje over een gemene stiefmoeder

De koningin van een groot land was gestorven en haar dochtertje, prinses Marie, had nu geen moeder meer om voor haar te zorgen. Daarover was de koning zo bedroefd, dat hij op reis ging om een nieuwe moeder voor zijn dochtertje te zoeken.

Het duurde niet lang, of hij kwam terug met een mooie jonge prinses. Nu werd er een prachtige bruiloft gevierd en Marie had weer een moeder.

Ze was heel blij, het kleine prinsesje, en de nieuwe koningin was in het begin heel lief voor haar. Maar nadat ze na een poosje zelf ook een dochtertje had gekregen, begon ze al minder en minder van Marie te houden. En ach, toen nu de kleine prinses Marie al mooier en mooier en al liever en liever werd en haar eigen dochtertje al lelijker en lelijker en al stouter en stouter, toen werd de koningin heel jaloers en Marie mocht nooit meer in dat gedeelte van 't paleis komen, waar zij met haar dochtertje woonde.

En later, toen ze het moest aanzien dat Marie was opgegroeid tot een schone jonkvrouw en dat de prinsen uit alle landen kwamen aangereden om haar ten huwelijk te vragen, terwijl geen mens haar eigen dochter aankeek omdat ze altijd zo boos en ontevreden was, toen begon ze Marie te haten en ze vertelde de koning zulke lelijke dingen van zijn dochter, dat die woedend werd en het arme meisje wegjoeg uit het paleis.

Schreiend trok de jonge prinses nu de wijde wereld in. Ze liep zeven dagen en nachten door, zonder dat ze iets te eten of te drinken vond. Maar de achtste dag kwam ze bij een grote tuin met veel vruchtbomen. Vlak tegen de tuinmuur stond een oranjeboom en aan de overhangende takken van die boom groeiden drie sinaasappels. Marie kon er net bij en ze plukte ze alle drie; want ze had honger en dorst.

Ze ging in 't gras zitten en begon de eerste te pellen. Maar kijk - dit was geen gewone sinaasappel! Pas had ze er een groot stuk schil afgetrokken, of er sprong een piepklein meisje uit, dat voor haar ogen opgroeide tot een volwassen jonkvrouw.

Prinses Marie keek haar verbaasd aan, maar de jonkvrouw zei: "Geef me dadelijk te drinken, ik heb een vreselijke dorst!" Marie wou juist zeggen: "Hier is geen water in de buurt," maar opeens hoorde ze achter zich iets ruisen en toen ze zich omkeerde, stond ze voor een heldere, frisse bron. Graag had ze zelf eerst wat gedronken, maar ze deed het niet. Vlug schepte ze de beker, die ze bij zich had, vol water, en gaf dat aan de jonkvrouw.

Ach, wat had dat vreemde schepseltje een dorst! Ze vroeg telkens om nog een beker water en hield niet op met drinken, voordat de hele bron leeg was.

"Weet je geen ander water hier in de buurt?" vroeg ze toen, "ik heb nog net evenveel dorst als toen ik begon te drinken."

Nee, Marie kon heus geen ander water vinden, en toen besloot de jonkvrouw er zelf naar te gaan zoeken. Tot afscheid zei ze tegen Marie: "Ik zal je een goede raad geven, meisje, en dat is deze: pas op, dat je de twee andere sinaasappels niet openmaakt, als er niet genoeg water in de buurt is om de dorst te lessen van de twee wezens, die er in zijn opgesloten!"

Nadat ze dit gezegd had, was ze opeens verdwenen en Marie liep weer door, net zolang tot ze bij een groot meer kwam. "In dit meer zal tenminste wel genoeg water zijn om de dorst te lessen van het levende wezen, dat in deze sinaasappel zit," zei ze bij zichzelf, en, nadat ze zelf eerst gedronken had, ging ze in het gras zitten en begon de sinaasappel te pellen.

Evenals uit de vorige, sprong ook uit deze vrucht een klein schepseltje, dat voor Marie's ogen opgroeide tot een jonkvrouw, nog veel mooier dan de eerste. "Water… water… water!" jammerde ze. "Geef me dadelijk te drinken! Ik sterf van de dorst!"

"Drink maar uit dit meer, als je lust hebt," zei Marie, en de jonkvrouw knielde neer aan de oever, boog zich voorover en dronk… en dronk… net zolang, tot het meer helemaal leeg was! Toen stond ze op en smeekte Marie, haar nog meer water te brengen. Maar ach, er was nergens in de omtrek ander water te vinden. Nu ging ook deze jonkvrouw er op uit om zelf een ander meer te gaan zoeken, en Marie bleef weer alleen. 't Speet haar erg, ze had 't juist zo gezellig gevonden, zo'n aardig jong meisje bij zich te hebben!

"Ach," zuchtte ze bij zichzelf, "waar zal ik ooit genoeg water vinden voor de jonkvrouw uit de derde sinaasappel?" Maar na een poosje kwam ze aan een rivier, zo breed, zo breed, dat je de overkant haast niet kon zien.

Toen opende Marie de derde sinaasappel, en o, wat kwam daar een beeldschone jonkvrouw uit! Die riep ook alweer om water en Marie zei, dat ze maar uit de rivier moest drinken, als ze lust had. En de jonkvrouw liet zich op de knieën vallen, boog zich over het water en dronk - en dronk… en dronk… net zolang tot ze niet meer kon! Ze kon onmogelijk die hele rivier leegdrinken!

Toen keerde ze zich om naar Marie en zei: "Je hebt me overwonnen, prinses en nu mag je zelf kiezen, welke beloning je daarvoor verlangt. Want ik ben een tovergodin en kan al je wensen vervullen."

"Ik heb maar één wens," antwoordde Marie, "en dat is deze, dat je altijd bij me mag blijven - je hebt zo'n lief gezicht!"

De tovergodin moest lachen om deze wens, maar ze gaf Marie de hand en zei: "Kom maar mee naar mijn kasteel - ik zal je de weg wijzen."

Het duurde niet lang, of ze stonden voor een prachtig marmeren paleis. Daar woonde de tovergodin en Marie mocht bij haar blijven. Ze kreeg een heerlijk zacht bed, lekker eten en drinken en mooie kleren, en de goede tovergodin was altijd lief voor haar.

Marie voelde zich hier zo gelukkig, dat ze eens op een morgen, toen ze voor het open raam zat, begon te zingen. Ze had een mooie stem en haar lied klonk ver over de velden.

Juist was de prins van een naburig land in die streken aan het jagen en toen hij dat mooie gezang hoorde, liet hij zijn paard stilstaan, om beter te kunnen luisteren.

Marie zong maar door en de prins reed langzaam in de richting, waar die lieflijke muziek vandaan kwam. Hij werd er helemaal door betoverd, en toen hij eindelijk die mooie prinses daar voor 't raam zag zitten, dacht hij bij zichzelf: "Met deze jonkvrouw wil ik trouwen, en met geen andere."

En hij klopte aan de poort van het kasteel en vroeg aan de tovergodin of de schone jonkvrouw, die zo mooi kon zingen, zijn vrouw mocht worden?

De tovergodin vond het goed, want ze kende deze prins wel en Marie vond het ook goed; want ze was van hem gaan houden, zodra ze hem zag.

Toen reisden ze met hun drieën naar het paleis van zijn vader, en de prins zei tegen zijn ouders, dat deze jonkvrouw zijn bruid was.

De koning en de koningin keken Marie eens aan en ze vonden haar heel mooi en lief. "Maar… maar," zeiden ze tegen hun zoon, "je hebt immers aan de vader van prinses Carniolina beloofd, dat je met zijn dochter zou trouwen?"

"Ja," zei de prins, "dat heb ik wél beloofd, maar toen wist ik nog niet hoe slecht prinses Carniolina en haar moeder zijn en hoe ze de arme prinses Marie, die de oudste dochter van deze koning is, het huis hebben uitgedreven, door aan haar vader allerlei leugens te vertellen. Hier staat prinses Marie, en hier staat de tovergodin, die er alles van weet. Is 't niet waar, goede tovergodin?"

"Ja, het is waar," zei de tovergodin, "prinses Carniolina is een slecht meisje en haar moeder is nog erger. Ik trof de arme prinses Marie alleen in de woestijn en heb haar in mijn huis ontvangen als een lieve zuster."

Nu moesten de koning en de koningin het wel geloven, en ze gaven dadelijk hun toestemming. De bruiloft werd met grote pracht gevierd en toen Carniolina en haar moeder hoorden wat er gebeurd was, werden ze groen en geel van jaloersheid en de oude koning, die nu van de tovergodin alles vernam, joeg hen allebei het huis uit, net als hij vroeger de arme Marie had weggejaagd.

De tovergodin bleef altijd bij het jonge paar wonen en telkens, als zij een kindje kregen, gaf ze het allerlei goede gaven mee op de levensweg.


*   *   *

De drie sinaasappels Samenvatting
Een Frans sprookje over een gemene stiefmoeder. Het lukt een jaloerse stiefmoeder om haar stiefdochter voorgoed het huis uit te sturen. Onderweg plukt het meisje drie sinaasappels, in elk waarvan een fee zit die ontzettende dorst heeft. De eerste twee kan ze niet helpen, maar de derde fee uit de sinaasappel krijgt genoeg water te drinken. Als dank mag het meisje bij de tovergodin blijven. Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 315-319.

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 13 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook