Volksverhalen Almanak

De duif Een Napolitaans sprookje over de verwensingen van een heks

Er was eens acht mijlen van Napels verwijderd, in de richting van het jachtgebied der Astroni, een vijgen- en populierenbos, waar de stralen van de zon tegen botsten zonder er door te kunnen breken. Daar woonde in een bouwvallig krotje een oud vrouwtje, dat zo weinig tanden had als ze veel haren bezat en zo'n hoge bult droeg als ze weinig geld had. Zij had wel honderd rimpels in haar gezicht, maar was totaal glad in haar portemonnee; haar haren waren geheel van zilver, doch zij bezat niet een van die 120 muntjes, die tezamen de gouden carlino vormen, om wat lafenis aan de geest te kunnen geven.

Daarom ging zij de hutten in de omtrek langs en bedelde wat aalmoezen bij elkaar om het leven voort te slepen. Maar omdat men in de tegenwoordige tijd gemakkelijker een beurs vol geld aan een spion geeft dan een paar centen aan een arm mens, moest het stakkerige oudje gedurende de gehelen tijd van het dorsen veel moeite doen om een schotel bonen bij elkaar te krijgen, in een seizoen, waarin zoveel overvloed in die streken was, dat de meeste huizen er schepels vol van overhielden.

Dat beetje bonen bracht ze dus naar huis en zij maakte ze schoon en deed ze in een pan, en daarna zette zij dit pannetje op de vensterbank buiten het raam neer, terwijl ze weer uitging om wat takjes in het bos te zoeken, om de boontjes dan straks te kunnen koken. Men pleegt te zeggen, dat een oude ketel gekneusd wordt en er een gat in valt, en ook, dat God naar een mager paard vliegen zendt en bovendien, dat een gevallen boom de bijl voelen gaat. Zo gebeurde het, dat daar in de tussentijd de zoon van de koning langs kwam, Nardaniello, die op jacht ging; en toen hij het pannetje op de vensterbank zag, kreeg hij grote lust, er eens naar te gooien en zich met de mannen uit zijn gevolg te meten, wie het beste kon mikken en precies midden in het pannetje met een steen raken. En inderdaad, de prins nam het als mikpunt en trof na een stuk of drie worpen raak en deed het in duizend stukken vallen.

Juist op dat moment kwam het oudje terug, dat bij het zien van die ramp buiten zichzelf van woede raakte en begon te schelden: "Mooi zo, de bok, die tegen mijn pannetje gestoten heeft, kan er prat op gaan, hoor! Zo'n duivel, zo'n lomperik, die mijn boontjes op de grond gegooid heeft! Als hij geen druppel medelijden met mijn armoedje had, dan had hij wat meer respect voor zijn eigen belang moeten hebben en niet zijn eigen leven op het spel zetten. Ja zeker, want ik bid de hemel op mijn blote knieën en uit het diepst van mijn hart, dat hij verliefd mag worden op de dochter van een heks. Dat hij verstrikt door de schoonheid van de dochter en door de toverkunsten van de schoonmoeder nooit weg kan gaan en zo erg te lijden krijgt van de kwellingen van die lelijke heks, dat hij meer dan eens over mijn boontjes, die hij op de grond gegooid heeft, zuchten zal!"

Deze verwensingen van het oude vrouwtje vlogen dadelijk ten hemel op. En hoewel men pleegt te zeggen, dat men de scheldpartijen van een vrouw aan zijn laars kan lappen en een uitgevloekt paard er welgedaan uitziet, toch troffen ze deze keer de prins direct. Want er gingen geen twee uren voorbij, of hij verdwaalde in het bos, ver van zijn gevolg en ontmoette een schone jonkvrouw, die slakjes aan het verzamelen was en voor haar vermaak een aardig liedje zong.

De duif
De prins voelde zich duizelen, toen hij zich tegenover deze schrijn der kostbaarste schatten uit de natuur zag, deze bank der rijkste deposito's van de hemel, dit arsenaal der machtigste krachten van liefde. En toen de stralen uit dat bolle gelaat van kristal zijn hart troffen, ontvlamde hij zo volledig, dat hij een oven werd, waarin de stenen der goede voornemens gebakken werden, om het huis der hope te bouwen.

Filadoro (zo heette die jonkvrouw) pakte flink aan, want daar de prins een knappe kerel was werd zij dadelijk verliefd op hem en de een vroeg de ander medelijden met zijn blikken. En terwijl hun ogen aldoor elkaars aanblik wilden drinken, waren hun blikken als klaroenen van een heraut, die het geheim der ziel bekend maakten. Nadat zij zo een hele tijd sprakeloos gebleven waren, zodat er geen kwaad woord tussen hen kon vallen, draaide de prins tenslotte het kraantje der stem open en begon te spreken: "Uit welke weide is deze bloem van schoonheid ontsproten? Uit welke hemel is deze dauw van gratie komen regenen? Uit welke mijn is deze schat van verbluffende dingen gedolven? O, gelukkige wouden, o fortuinlijke bossen, die bewoond worden door deze triomferende pracht, beschenen door deze illuminatie der festijnen van liefde. O, bossen en wouden, waar geen takjes voor bezems gehakt worden, geen stammen voor galgen, doch alleen deuren voor de tempel der schoonheid, steunbalken voor de woning der Gratiën en schachten voor de pijlen van liefde vervaardigd worden!"

"Kalm een beetje, mijn ridder!" antwoordde Filadoro, "u bent te beleefd, want uw deugden en niet mijn verdiensten vormen de lofrede, die u hield: ik ben een vrouw, die mij naar de omstandigheden weet te schikken en ik wil niet dat een ander mij als maatstok dient. Doch hoe ik ook ben, mooi of lelijk, zwart of wit, mager of vet, licht of zwaar, een heks of een fee, ik ben geheel tot uw beschikking; want uw mooie mannelijk uiterlijk heeft mij het hart geroerd, uw edel gezicht heeft mij doorboord door en door en ik bied mij u als slavin in boeien, van nu tot in eeuwigheid."

Deze woorden klonken hem als trompetgeschal in de oren; zij riepen hem aan de dis der liefde en wekten hem op ten strijde. En toen hij zich een vinger van zoete min aangeboden zag, nam hij de gehele hand en kuste het ivoren haakje, dat aan zijn hart gehecht zat.

Filadoro leek, toen zij deze vorstelijke ceremoniën meemaakte, wel een schilderspaneel, waarop een mengeling van kleuren te zien is, menie van schaamte, kersrood van angst, groen van hoop en vermiljoen van het verlangen. Nardaniello had graag op deze aangename wijze willen door converseren, toen er een einde aan gemaakt werd. Er bestaat immers in dit droeve mensenleven geen wijn van voldoening zonder droesem van tegenslag, en geen vet soepje van tevredenheid zonder schuim van ongeluk.

Terwijl hij op het toppunt van vreugde stond, kwam daar plotseling Filadoro's moeder aan, die zo'n lelijke heks was, dat de natuur haar als model van alle gedrochtelijkheden gemaakt scheen te hebben. Zij had haren als een muisdoornbezem, niet, om de huizen van roet en spinrag te zuiveren, doch om de harten zwart te maken en te roken. Haar voorhoofd was van slijpsteen, om het mes van de angst te wetten, dat de harten verscheurde. De ogen waren kometen, die bibberbenen, hartkrampen en een dodelijke verstarring van de geest, een zware melancholie en ingewandsstoornissen voorspelden, want zij droeg verschrikking in haar gelaatstrekken, ontzetting in haar blik, leed in het geluid van haar voetstappen en hevige angst in de klank van haar stem. Haar mond had slagtanden als van een wild zwijn, was lang als de snuit van een zeug, vertrokken als van iemand die aan krampen lijdt, kwijlerig als de bek van een muildier; om kort te gaan, van het hoofd tot de voeten zag men een aftreksel van alles wat lelijk, een hospitaal van alles wat invalide is.

Zeker, de prins moest wel geschraagd worden door zijn liefdesgeschiedenis, als hij niet gek werd bij deze aanblik. De heks greep hem bij zijn buis en zei tegen hem: "Daar hebben we het vogeltje geknipt!"

"Dat kan je net denken!" antwoordde de prins, "achteruit, canaille!" en hij wilde zijn zwaard grijpen, dat nog een van de goede oude soort was. Doch hij bleef als een schaap, dat de wolf gezien heeft en kon zich niet meer verroeren, noch adem halen; zodat hij naar het huis van de heks gesleept werd als een ezel bij de halster vastgepakt.

Dadelijk, toen ze daar gekomen waren, vermaande de heks hem: "Zorg, dat jij je flink afjakkert als een hond, als je tenminste niet creperen wilt als een zwijn. Als eerste taak moet jij zorgen, dat voor vandaag het stuk grond gespit en bezaaid wordt, welk gelijk met deze kamer ligt, en prent je goed in, dat ik je zal verslinden, als ik vanavond thuis kom en het werk niet af vind!"

En na haar dochter gezegd te hebben, in huis te wachten, ging zij met de andere heksen in het bos een buurpraatje houden.

Nardaniello, die zich zo diep gezonken zag, begon stromen tranen te storten. Hij vervloekte zijn lot, dat hem deze misstap had laten doen. Filadoro daarentegen troostte hem en sprak hem moed in, omdat zij haar leven zou instellen om hem te redden en ze zei dat hij zijn lot niet zwaar moest opnemen, daar het hem immers geleid had naar dit huis, waar hij zo hartstochtelijk door haar bemind werd en dat hij weinig dankbaarheid voor die liefde betoonde door zo wanhopig te blijven om alles wat gebeurd was.

De prins antwoordde haar: "Ik heb er geen spijt van, van het paard op de ezel gestapt te zijn, of het koninklijk paleis voor dit krot verwisseld te hebben, de open tafel met een homp brood, het gevolg van dienaren met het daglonerschap, de scepter met een schop, het angst aanjagen van legers met het zelf angstig worden voor een bijzonder lelijke heks, want al mijn ongeluk zou ik voor geluk houden, daar jij hier bent en ik je met deze ogen kan aanschouwen. Maar wat mij het hart doorboort is, dat ik spitten en wel honderd keren in mijn handen spuwen moet, waar ik tot nu toe steeds verachtte, ook maar een kruimeltje met een natte vinger op te nemen; en wat nog erger is, ik moet zoveel doen, dat er geen paar ossen genoeg voor zouden zijn. Als ik het werk vanavond niet af krijg, zal ik door je moeder opgegeten worden, en dan zal ik niet zozeer leed hebben om het feit, dat ik mij losmaak van mijn ellendig lichaam, als wel dat ik me verwijderen moet van het schone wezentje, dat u bent!"

En bij deze woorden snikte hij het erbarmelijk uit en huilde tranen met tuiten. Filadoro droogde hem de ogen en zei tegen hem: "Geloof niet, mijn lief, dat je andere grond te bewerken hebt dan de hof van liefde, en vrees niet, dat moeder jou één haar krenken zal. Je hebt Filadoro en nu hoef je niet bang te zijn, want, dat weet je misschien nog niet, ik bezit toverkracht en kan het water bevriezen en de zon verduisteren. Genoeg hierover! Laat ons dus vrolijk wezen, want het stuk grond zal vanavond gespit en bezaaid zijn, zonder dat jij er één hand voor uitgestoken hebt!"

"Maar als jij, zoals je beweert, toverkracht bezit, o schoonheid der wereld, waarom gaan wij er dan niet vandoor en verlaten dit land? Want ik wil je graag meenemen als een koningin naar het huis van mijn vader."

"Een bepaalde verwikkeling in de loop der sterren verhindert dit spelletje; doch binnenkort zal die invloed over zijn en dan zullen wij gelukkig worden!"

Zo redeneerden ze met elkaar en de dag verliep. De heks kwam uit het bos en riep al van de weg af naar haar dochter: "Filadoro, laat je haren eens zakken!" (Het huis had geen trappen en zij kwam er altijd binnen langs de haren van haar dochter). En Filadoro maakte, toen zij de stem van haar moeder hoorde, haar kapsel los en liet de haren neer en verschafte zo een gouden trap voor een hart van staal. Zo gauw de heks binnen was, liep ze vlug naar de tuin en toen zij deze bewerkt vond, bleef zij buiten zichzelf van verbazing, daar het haar onmogelijk voorkwam, dat een jongeman, gewend aan een fijn leventje, dit zware werk had volbracht.

De volgende morgen, toen de zon zich vertoonde, om het zweet te lozen, dat hij aan de rivier van Indië opgedaan had, ging de oude heks weer het huis uit en naar het bos, niet zonder eerst tegen Nardaniello gezegd te hebben, dat hij vanavond zeven boomstammen, die in een kamer opgestapeld lagen, in kleine stukjes gehakt moest hebben; anders zou zij hem tot mosterd slaan en van hem een half-gedraaide maken voor de avondboterham.

Filadoro, die zag, hoe bleek hij werd bij het horen van de afkondiging van dit decreet, en half dood bleef, verweet hem: "Bangerik dat je bent! Toe nou kerel, zou jij bang worden van je eigen schaduw?"

"Nou, lijkt je dat dan soms niemendal?" antwoordde Nardaniello, "zeven bomen in kleine stukjes hakken, van nu tot vanavond? Ach, nog eerder zal ik mij in twee helften hakken, om het keelgat van dat ellendige wijf te vullen!"

"Maak je geen zorgen," zei Filadoro, "want zonder dat jij er enige moeite voor hoeft te doen, wordt het hout kant en klaar gehakt. Maar wees dan ondertussen ook opgeruimd en hak mijn ziel niet in stukjes door al je geklaag!"

De heks vond bij haar terugkeer in huis, op het ogenblik, toen de zon haar winkel van stralen sloot om geen licht aan de duisternis te verkopen, het hout gekloofd en zij ging binnen, vermoedende dat haar dochter haar schaakmat gezet had.

En op de derde dag beval zij, opdat het geval zich niet herhalen zou, aan Nardaniello, dat hij een waterreservoir vol met duizend tonnen voor haar zou schoonmaken en dat alles 's avonds klaar moest zijn. Anders zou zij weer half-gedraaide van hem maken.

Nardaniello begon weer met zijn gebruikelijke jammerklacht en Filadoro, die zag, dat de zorgen zonder ophouden elkaar opvolgden en dat haar moeder de arme jongen beestachtig met moeilijkheden, de ene al groter dan de andere, belastte, zei tegen hem: "Houd je mond, want nu zijn we het punt voorbij, dat mijn toverkracht tegenhield, en vóór de zon zegt: 'Ik groet je,' zullen wij tegen dit huis zeggen: 'Het ga je goed!' Genoeg hierover, vanavond zal moeder het huis leeg vinden en ik zal met jou weggaan, levend of dood!"

De prins, die bijna dood was, herademde bij dit nieuws en omarmde Filadoro: "Jij bent de noordenwind van deze geteisterde bark, mijn ziel! Jij bent de steun van mijn verwachtingen!"

Zo vluchtten de twee tegen de avond door een gat, dat Filadoro in de tuin gemaakt had en dat uitliep in een grote gang, in der haast naar Napels.

Maar toen ze bij de tunnel van Porzuoli gekomen waren, zei Nardaniello tegen Filadoro: "Het is beneden mijn waardigheid, je mijn paleis te laten binnentreden te voet en gekleed zoals je nu bent. Wacht daarom in deze herberg, want ik kom gauw terug met paarden, koetsen, gevolg en kleren en andere kleinigheden!" En Filadoro bleef en hij vervolgde zijn weg naar de stad.

Intussen kreeg de heks, toen zij thuis kwam en Filadoro niet op haar gebruikelijke roep antwoord gaf, een vermoeden en aanstonds holde zij naar het bos, sneed een langen staak af, zette deze tegen het raam van het huis, klauterde er als een kat tegenop en ging naar binnen. En binnen en buiten, boven en beneden zocht zij, maar zij vond niemand en eindelijk ontdekte zij het gat, en toen zij merkte, waar de gang uitliep, trok zij zich de haren uit en vervloekte haar dochter en de prins en bad de hemel, dat de prins bij de eerste kus, welke hij van een willekeurig iemand zou ontvangen, haar vergeten zou. Doch laat ons de oude heks haar dolle Paternosters bidden en terugkeren tot de prins.

Toen de prins zijn paleis binnen kwam, waar hij voor dood gehouden werd, kwam alles in huis in rep en roer en snelden allen hem tegemoet met blijde kreten: "Wel gelukgewenst, hoor! Welkom! Hoera, dat je gered bent! Wat zie je er best uit!" en een massa andere vriendelijke opmerkingen meer. Doch terwijl hij de trap op ging, om zich naar het appartement van de koning te begeven, ontmoette hij halverwege de trap zijn moeder, die de armen om zijn hals sloeg en hem een kus gaf: "Mijn jongen, mijn juweel, mijn oogappel, waar ben je dan geweest? Wat ben je lang weggebleven en wat heb je ons een angst bezorgd!"

De prins wist niet wat te antwoorden. Hij zou stellig zijn wederwaardigheden verteld hebben, doch niet zo gauw had zijn moeder hem met verdovende lippen gekust of hem schoot, als gevolg van de vervloeking van de heks, alles wat gebeurd was uit de herinnering. Ja, toen de koningin er aan toevoegde, dat zij hem zou laten trouwen, om hem de gelegenheid op jacht te gaan en zijn leven in de bossen te wagen te ontnemen, antwoordde hij zelfs: "Uitstekend, ik ben bereid, om alles te doen wat mijn moeder en meesteres wenst!"

"Zo doen brave kinderen!" besloot de koningin heel tevreden.

Er werd bepaald, dat hij over vier dagen naar het huis van zijn bruid geleid zou worden, die uit de omgeving van Vlaanderen in hun stad gekomen was; en er werden alle toebereidselen gemaakt voor feestelijkheden en banketten.

Doch in de tussentijd merkte Filadoro, die in de herberg gebleven was, dat haar man talmde met terugkomen en op de een of andere wijze kwam haar het gerucht, dat men overal ging rondstrooien, over dit feest ter ore. En daarom besloot zij op weg te gaan, om te zien, wat er gebeuren ging. En toen zij de kleren van de knecht van de waard ontdekte, die hij bij het te ruste gaan 's avonds aan het voeteneinde van zijn strozak placht te leggen, nam zij ze weg en legde er de hare voor in de plaats. En als man verkleed kwam zij aan het hof van de koning. De hofkoks, die het in deze dagen bijzonder druk hadden, zodat er best helpers te gebruiken waren, namen, toen deze jongeman zich aanbood, hem als keukenjongen aan.

En de volgende morgen, toen de zon aan de bank van de hemel de certificaten ter verzilvering aanbood, welke haar door de natuur geschonken waren en die het zegel van het licht droegen, en als een kwakzalver op de markt geheime middeltjes verkocht om het gezicht te verhelderen, verscheen de bruid bij de klank van schalmeien en jachthoorns.

De tafels stonden toebereid en allen zetten zich neer; en terwijl de kostelijkste gerechten in overvloed werden opgediend, sneed de voorsnijder een grote tulband aan, die Filadoro eigenhandig gebakken had; en uit de tulband vloog een duif. Zij was zo bekoorlijk, die duif, dat de genodigden vergaten te eten en er sprakeloos de schoonheid van bewonderden.

Doch de duif richtte zich met een meelijwekkend stemmetje tot de prins en sprak: "Heb je soms kattenhersenen gegeten, o prins, dat je plotseling je liefde voor Filadoro bent vergeten? Zijn je zo de diensten, welke zij je bewezen heeft, uit het geheugen ontschoten, o vergeetal? Vergeld jij zo, dat zij je aan de klauwen van de heks ontrukt en je het leven en zichzelf gegeven heeft? Is dit de grote dank, welke jij betuigt aan die ongelukkige jonkvrouw om de vurige liefde die zij je betoond heeft? Rampzalig de vrouw, die teveel ingaat op woorden van mannen, die steeds met hun woorden veronachtzaming meebrengen, met hun weldaden ondank en met hun schulden het vergeten! De ongelukkige verbeeldde zich, dat zij op je rekenen kon en nu merkt zij, dat er met haar gespeeld is. Zij geloofde, dat zij je gebonden had en nu neem jij de benen. Zij dacht, altijd bij je te kunnen zijn en nu krijgt zij de kous op de kop! Goed zo, bekommer je maar niet om haar, houd je maar van de domme, dan moge je van ganser harte treffen, wat dat arme meisje je toewenst! Je zult bemerken, wat het betekent, een meisje voor de gek te houden, een arm onschuldig meisje iets wijs te maken, door haar deze poets te bakken en aan je laars te lappen, wat zij allemaal voor je deed. Maar als de hemel niet een blinddoek voor de ogen heeft, als de goden niet hun oren dichtgestopt hebben, zullen zij het onrecht, dat jij gedaan hebt, zien en wanneer je dat het minst vermoedt, zul jij je verdiende loon krijgen! Doch genoeg hierover, eet jij maar lekker, amuseer je zoveel als je wilt, vaarwel, en triomfeer met je nieuwe bruid; want Filadoro zal haar levensdraad afbreken en jou vrij spel laten om vreugde te hebben met je nieuwe vrouw!"

Na deze woorden vloog ze het raam uit, waar haar de wind opnam. De prins bleef een tijdje in diepe gedachten verzonken, toen hij deze predicatie van de duif gehoord had. Tenslotte vroeg hij, waar de tulband vandaan gekomen was; en toen hij van de voorsnijder vernam, dat een keukenjongen hem gemaakt had, die voor deze gelegenheid in dienst genomen was, beval hij, dat deze voor hem geleid zou worden. Filadoro kwam en zij wierp zich aan de voeten van Nardaniello en zei onder het storten van een stroom van tranen niets anders dan: "Wat heb ik jou gedaan, lafbek? Zeg, wat heb ik je gedaan?"

De prins, die zich als gevolg van haar schoonheid en door de toverkracht, die Filadoro bezat, herinneren ging, welke verplichting hij aan de rechtbank der liefde op zich genomen had, deed haar dadelijk opstaan en naast zich plaatsnemen en vertelde aan zijn moeder, hoeveel hij aan deze schone jonkvrouw verplicht was en wat zij al voor hem gedaan had, en van zijn woord, dat hij haar gegeven had en dat hij moest houden.

De moeder, wier enig geluk deze zoon was, sprak tegen hem: "Doe wat je wilt, mits het strookt met de eer van deze jongedame, welke jij tot vrouw genomen hebt, en het haar goedkeuring wegdraagt!"

De bruid kwam tussenbeiden: "Bespaart u deze moeite, want, om u eerlijk te bekennen, hoe het met het geval staat, ik verbleef tegen mijn zin in dit land. Nu de hemel het goed met mij voorheeft, wil ik echter met uw toestemming graag naar mijn Vlaanderenland terugkeren, om de voorvaderen der bokalen terug te vinden, welke men in Napels gebruikt, waar ik, in de mening, een fijne fles te drinken, bijna mijn levenslampje liet uitgaan."

De prins was heel blij en bood haar een schip en geleide aan. En hij gaf Filadoro prinsessenkleren. En intussen stonden zij van tafel op en kwamen de muzikanten en begon het bal, dat tot laat in de avond duurde.

De aarde had zich bedekt met rouw voor de uitvaart van de zon en daarom waren in de feestzaal de kaarsen aan. En zie, daar hoorde men op de trappen een luid getingel van belletjes en de prins zei tegen zijn moeder: "Het zal een mooie maskerade zijn, om dit feest luister bij te zetten. Waarlijk, de Napolitaanse ridders zijn heel vindingrijk en wanneer het nodig is, geven zij onuitputtelijk veel geld uit!"

Doch terwijl hij dit oordeel uitsprak, verscheen in de zaal een lelijk wezentje, dat niet hoger was dan drie handpalmen, maar dikker dan een ton. Het bleef voor de prins staan en sprak tegen hem: "Je moet weten, Nardaniello, dat je grillen en je slechte gedrag oorzaak waren van alle ongelukken, die je te verduren had. Ik ben de schim van dat oude vrouwtje, wier pannetje jij stuk gegooid hebt. Ik ben van honger gestorven. Ik slingerde je de verwensing achterna, dat je in handen zou vallen van een heks, die jou kwellen zou; en mijn gebed werd verhoord. Doch, dank zij deze schone fee ontsnapte je aan die hel. Maar je had nog een vervloeking te dragen, van de kant van de heks: dat je bij de eerste kus, die je gegeven werd, Filadoro zou vergeten. Je moeder kuste je en Filadoro schoot je uit de herinnering. Doch door diezelfde toverkracht vind je haar nu aan je zijde. Ik kom je nu weer vervloeken: dat je ter herinnering aan het leed dat je mij aangedaan hebt, altijd de boontjes, die je van mij op de grond gegooid hebt, voor ogen zult houden."

Na deze woorden verdween het als kwikzilver en er bleef geen spoor meer van te zien. Filadoro, die de prins verbleken zag, sprak hem moed in: "Maak je toch geen zorgen manlief, ik ben toch immers bij je?"

En na het feest bekrachtigde hij zijn opnieuw gegeven woord en de doorgestane moeilijkheden lieten hem nog meer van de vreugde, die hem ten deel gevallen was, genieten. En weer eens zag men, dat het leven met recht een vallen en opstaan is.


*   *   *

De duif Samenvatting
Een Napolitaans sprookje over de verwensingen van een heks. Een prins raakt door een verwensing in de netten van een heks en haar dochter verstrikt. Hij krijgt onmogelijke opdrachten, maar de heksendochter helpt hem. Samen vluchten ze, maar wanneer hij haar achterlaat om een koets en passende kleren voor haar te halen, kust zijn moeder hem bij thuiskomst en vergeet hij alles. Lees het verhaal

Toelichting
Uit de Pentamerone (Lo cunto de li cunti overo lo trattenemiento de peccerille - Het sprookje der sprookjes, of Vermaak voor de kleinen) van Giambattista Basile (Tweede dag, zevende sprookje).

Vergelijk met De trommelslager, Vrijer Roland, De ware bruid en Helga, de boerendochter.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel
  • La palomma

Bron
"Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff, illustraties van Frans Lammers. Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.

Herkomst: Italië
Verteltijd: ca. 37 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook