Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 22 min.
Herkomst:

De wever als Vishnu Een Indiaas sprookje over een verliefde en listige jongeman

In een stad woonden twee vrienden, een wever en een wagenmaker. Sinds hun jeugd waren ze steeds met elkaar omgegaan, ze waren elkaar zeer toegedaan en waar de een was, kon je altijd ook de ander aantreffen.

Op een dag werd in deze stad in een tempel een groot feest gevierd dat gepaard ging met een processie. De twee onafscheidelijken slenterden rond te midden van de drukte van dansers, toneelspelers, muzikanten en de mensenmenigte die van aller heren landen waren komen toestromen. Toen zagen ze een koningsdochter die eveneens gekomen was om de godheid te aanschouwen. Ze reed op een wijfjesolifant, was door kamerlingen en eunuchen omringd en droeg aan haar lichaam alle tekenen van het geluk. Door haar aanblik was het alsof de wever door een demon overvallen was of vergif had gegeten, want hij stortte plotseling neer. Maar wat hem geveld had, dat waren de pijlen, waarmee de god van de liefde hem had getroffen.

Het verdriet van de vriend was ook het verdriet van de wagenmaker. Toen hij de wever in zo'n droevige toestand zag, hielp hij hem overeind en door goede vrienden ondersteund bracht hij hem naar zijn eigen huis. Er werden dokters gehaald die allerlei verfrissende middelen voorschreven en kenners van toverspreuken die zich voor hem inspanden en door hun gezamenlijke pogingen slaagden ze er uiteindelijk in de zieke weer tot bewustzijn te brengen. De wagenmaker vroeg hem: "Wat is er gebeurd, lieve vriend, dat je zo plotseling flauwviel? Zeg me wat er met je aan de hand is." De zieke zei: "Als je het dan weten wilt, lieve vriend, luister dan. Ik wil je mijn geheim toevertrouwen en niets verzwijgen. Ach vriend, als het je ernst is met je vriendschap, bewijs me dan de laatste liefdesdienst en stuur me naar de brandstapel. Als ik je eens in mijn leven te na gekomen ben, vergeef het me; de oorzaak kan slechts een overmaat aan liefde geweest zijn."

Toen de wagenmaker dat hoorde, vulden zijn ogen zich met tranen en snikkend antwoordde hij: "Staat het zo, mijn vriend? Maar zeg me toch eerst wat voor leed je overkomen is, opdat ik er iets aan kan doen als dat mogelijk is. Want er staat:
In de wereld is er niets van alles dat het ei van Brahman omringt, waar je niet iets aan kunt doen door geneeskrachtige kruiden, geld, machtige toverspreuken en door het verstand van mannen met geestkracht.
Dus is je ziekte door een van deze vier middelen te genezen, dan zal ik je genezen." De wever zei: "Dat kan zijn, lieve vriend, maar het kwaad dat mij overkomen is, kan niet tenietgedaan worden door deze vier middelen, noch door honderdduizend andere middelen. Je kunt hoogstens mijn dood vertragen en dat heeft geen zin." De wagenmaker antwoordde: "Toch zou je het me kunnen zeggen, al was het maar om er mij van te overtuigen dat je ziekte ongeneeslijk is, zodat ik samen met jou het vuur in kan gaan. Want als ik van jou gescheiden word, zal ik geen moment meer blijven leven; dat is mijn vaste wil." Toen zei de wever: "Luister dan, mijn vriend. Je herinnert je de koningsdochter die daar voor het feest op een wijfjesolifant aangereden kwam. Nauwelijks had ik haar gezien of de heilige god die de krokodil in zijn vaandel voert (de god van de liefde), deed mij dat leed aan. Die pijn te verdragen gaat mijn krachten te boven!"

Voor deze woorden had de wagenmaker slechts een glimlachje over en hij zei: "Als dat alles is, beste vriend, mijn gelukwensen! Je wens wordt vervuld. Vanavond nog zul je je met haar verenigen." Waarop de wever zei: "Vriend! Haar maagdenpaleis is door bewakers omringd en behalve de wind heeft niemand er toegang. Hoe kan ik daar met haar samenkomen? Ik vind het niet netjes van je om juist mij met je leugens te honen." Maar de wagenmaker zei: "Je zult eens zien wat mijn slimheid vermag." Zo sprak hij en hij ging aan het werk en in een handomdraai had hij van wajudshahout een Garuda gemaakt die met de ellebogen voortbewogen kon worden, bovendien een paar armen, een mosselschelp, een knots en een lotusbloem, een krans van bosbloemen, een diadeem en een juweel, zoals dat de borst van Vishnu siert. Hij zette de wever op deze Garuda, de lievelingsvogel van Vishnu, sierde hem met het teken van de godheid, liet hem zien hoe hij de vogel met zijn ellebogen moest voortbewegen en riep: "Welnu, lieve vriend! Te middernacht zal de koningsdochter zich op de bovenste verdieping van het zeven verdiepingen tellende paleis bevinden. Kom je dan in deze gedaante haar vertrek binnen, dan zal zij je in haar argeloosheid voor Vishnu houden; je betovert haar volkomen met sluwe leugens en zij is de jouwe."

Dat liet de wever zich geen twee keer zeggen! Hij vloog in zijn Vishnu-gedaante naar haar toe en sprak haar aldus aan: "Slaap je, koningsdochtertje, of ben je nog wakker? Ik verlangde zo naar je dat ik mijn vrouw Lakshmi's zijde in de melkzee verlaten heb. Dus schenk je aan mij!" De jonkvrouw zag hem op zijn Garuda zitten, met vier armen en met alle wapens van Vishnu uitgerust. Ze verhief zich heel verbaasd van haar leger, legde heel vroom haar handen tegen elkaar en zei: "Heilige god! Ik ben slechts een onreine mensenworm, jij echter bent de verheven geest, door de driewereld aanbeden die hij geschapen heeft. Hoe kan er geschieden wat je wilt?" De wever antwoordde: "Al goed, mijn liefje! Maar toen ik nog in het huis van de herder Nanda verblijf hield, bezat ik een gemalin die Radha heette. Die ben jij, mijn vrouw. Daarom ben ik naar je toegekomen." Ze antwoordde: "Als dat zo is, heilige god, dan hoef je mijn vader maar om mijn hand te vragen, hij zal zich geen ogenblik bedenken en me aan je schenken." Daarop zei de wever: "Mensen, mijn liefje, kan ik niet toestaan mij te zien en nog veel minder kan ik met ze babbelen. Schenk je dus aan me weg in een Gandharwa-huwelijk (hiervoor is slechts de wil van de twee geliefden nodig) of ik vervloek je en verander je met al de jouwen in as."

Na deze woorden daalde hij van zijn Garuda af, pakte de van schaamte en angst bevende jonkvrouw bij haar linkerhand en voerde haar naar haar leger en nadat hij het nog resterende deel van de nacht met haar omgegaan was zoals de richtlijnen van Watsjajana die voorschrijven, keerde hij bij het ochtendgrauwen ongezien naar zijn woning terug. Van toen af aan bracht hij regelmatig de tijd door met de genietingen die de liefde voor het koningskind hem verschaften.

Maar op een dag merkten de kamerdienaars dat de koraalrode lippen van de prinses fatale kwetsuren vertoonden en ze zeiden tegen elkaar: "Potverdrie! De lichaamsdelen van onze koningsdochter zien eruit alsof ze een man gelukkig heeft gemaakt. Wat moet dat betekenen? Zoiets terwijl dit gebouw toch zo scherp bewaakt wordt! Dat moeten we aan de koning melden!" Zo gezegd, zo gedaan! Ze gingen naar de koning en zeiden tegen hem: "Majesteit! Het is ons een raadsel, maar ondanks de strengste bewaking komt er een man in het harem van de prinses. Voor het overige moet jij, o koning, maar zeggen wat er gedaan moet worden."

Deze woorden ontketenden een storm in het hart van de koning. Hij ging meteen naar zijn gemalin en zei tegen haar: "Koningin! Onderzoek toch eens precies wat er waar is van de woorden van de kamerdienaars. Die deze misdaad begaan heeft roept de toorn van de god van de dood over zich af." Toen de koningin dit hoorde, raakte ze eveneens hevig opgewonden, ijlde naar haar dochter en zag dat er in haar lippen gebeten was en dat haar lichaam schrammen vertoonde. Toen riep ze: "Jij slechtaard! Hoe kun je zo je kuisheid en samen met jou ons huis tenietdoen! Wie is de man die naar je toekomt en nu de dood in de ogen ziet? Zeg het mij en probeer niet tegen me te liegen!" Het hoofdje gebogen van schaamte biechtte ze op wat er tussen haar en de als Vishnu uitgedoste wever was gebeurd. Toen de koningin dat gehoord had, lachte ze met haar hele gezicht en ging er een rilling van verrukking door haar heen. Ze liep ijlings naar de koning en riep hem toe: "Mijn hartelijke gelukwensen, majesteit! Het is de heilige Vishnu die onze dochter benadert, en wel regelmatig te middernacht. Hij heeft met haar een Gandharwa-huwelijk gesloten. Laten we vanavond aan het raam gaan staan, dan kunnen wij hem te middernacht zelf zien. Want praten doet hij niet met mensen."

Toen de koning dat hoorde was hij weer vrolijk. De dag leek wel honderd jaar te duren; hij kon nauwelijks wachten tot hij verstreken was. Tenslotte brak de nacht toch aan en toen de koning vanuit zijn schuilplaats aan het raam naar buiten loerde, de blik op de hemel gericht, zag hij op het verwachte tijdstip de wever op de Garuda uit de lucht neerdalen, met mosselschelp, discus en knots in de handen, kortom met alle reeds vermelde tekenen gesierd. Hij voelde zich alsof hij zich baadde in een overvloed van amrita (nectar) en hij zei tegen de koningin: "Lieve vrouw, niemand is gelukkiger dan wij en kan zich met jou en mij vergelijken, nu de heilige Vishnu ons kind bezoekt om met haar te vrijen. Nu zijn alle wensen vervuld die ons hart begeert. Nu zal de macht van mijn schoonzoon mij ten goede komen; ik zal de hele aarde aan mij onderwerpen!"

Om dit besluit uit te voeren trok hij de grenzen van zijn land over en viel de rijken van al zijn buren binnen. Toen ze dat merkten, trokken ze hem samen tegemoet en dwongen hem slag te leveren. Toen liet de koning zijn dochter door de mond van de koningin zeggen: "Jij bent mijn dochter en de heilige Vishnu is mijn schoonzoon; is het betamelijk dat alle vorsten mij mogen bevelen? Praat daarom vandaag met je gemaal en haal hem over mijn vijanden te vernietigen."

Toen nu de wever de volgende nacht weer bij de prinses verscheen, zei deze nederig tegen hem: "Papa wordt door zijn vijanden in het nauw gebracht, ondanks het feit dat je zijn schoonzoon bent, heilige god! Als hij verliest is dat een schande voor jou. Wees hem daarom genadig en vernietig zijn tegenstanders!" De wever antwoordde: "Wat hebben die paar vijanden te betekenen, mijn liefje! Wees maar niet bang! Ik heb maar een ogenblikje nodig om ze met mijn discus in stukken te hakken die niet groter zijn dan sesamkorrels."

Maar de tijd ging voorbij, de vijanden verwoestten het hele land en tenslotte had de koning alleen nog maar zijn vesting over. Desondanks merkte hij niet dat er een wever onder de Vishnu-gedaante schuilging en hij stuurde hem nog altijd en pas nu juist de heerlijkste reukwerken, zoals kamfer en muskus, samen met gewaden, bloemen, allerhande spijzen en dranken en liet zijn dochter zeggen: "Morgen, heilige god, zal mijn vesting beslist vallen. Want niemand heeft meer voedsel voor mens en dier. Bovendien zijn alle mensen lichamelijk zo verzwakt dat niemand meer kan vechten en velen zijn al omgekomen. Neem hier kennis van en doe wat de tijd vereist." Toen de wever dat hoorde, dacht hij: Als de vesting valt, zal dat ook mijn dood zijn en scheiding van de prinses inhouden. Dan wil ik toch liever mijn Garuda bestijgen en mij met mijn wapens hoog in de lucht aan de vijanden tonen. Misschien houden zij me ook voor een belichaming van Vishnu, worden daardoor bang en laten ze zich door de soldaten van de koning doden. Want er staat:
Ook een slang die geen gif heeft, moet zich opblazen. Of ze dan gif heeft of niet, doordat ze zich opblaast, jaagt ze schrik aan.
Val ik echter in de strijd voor de stad, dan valt mij nog een beter lot ten deel. Want er staat:
Wie voor koeien, voor brahmanen, voor zijn stad, voor zijn vrouw of voor zijn heer het leven laat, die behoren de eeuwige werelden.
Hij kwam dus tot een vast besluit en nadat hij op zijn tandenhout gekauwd had (Indiërs kauwden op hout in plaats van hun tanden met een borstel te poetsen) zei hij: "Niet eerder, mijn liefje, zal ik voedsel tot mij nemen of met je vrijen dan nadat ik alle vijanden heb vernietigd. Maar je moet tegen je vader zeggen dat hij bij het ochtendgrauwen met een zo groot mogelijke strijdmacht de stad verlaat en ten strijde trekt. Ik zal in de lucht zweven en al zijn tegenstanders van hun kracht beroven, zodat hij hen gemakkelijk kan verdelgen. Want als ik ze zelf doodde, dan zouden al die booswichten mijn hemel binnenkomen. Daarom moet hij het zo ver zien te krijgen dat ze vluchten en dus niet in mijn hemel komen." Toen de prinses dat gehoord had, ging ze zelf naar haar vader toe en deelde hem alles mee. En de koning volgde haar aanwijzingen en in de ochtendschemering trok hij ten strijde, terwijl de wever die had besloten te sterven, een boog in de hand nam en naar het slagveld zweefde.

Toen dacht de heilige Vishnu, aan wie verleden, toekomst en heden bekend zijn, aan zijn Garuda en door alleen maar aan hem te denken verscheen de adelaar voor hem. Vishnu had de wever onder zijn vermomming herkend en zei tegen Garuda: "Weet je het al, adelaar? Een wever vliegt in mijn gedaante op jouw houten evenbeeld naar een koningsdochter om de liefde met haar te bedrijven." De vogel antwoordde: "Zijn hele doen en laten is mij bekend, o god. Wat denk je nu te doen?" - "De wever is vastbesloten om te sterven," zei de god, "en is uitgevlogen naar het toneel van de strijd. Hij komt daar tegenover een menigte van de edelste en meest beproefde strijders te staan en zal ongetwijfeld, door een pijl getroffen, sterven moeten. Maar als hij dood is, zullen de mensen zeggen: Vele edele krijgers hebben met vereende krachten Vishnu en Garuda gedood en dan is het voor altijd uit met de verering die de mensen mij tot nu toegedragen hebben. Ga daarom snel de vijanden tegemoet en vaar in de houten Garuda, dan zal ik in het lichaam van de wever varen, zodat hij in staat is zijn vijanden te vernietigen. Door zijn tegenstanders te vernietigen, zal ons eigen aanzien groter worden."

Garuda gehoorzaamde zijn heer en deed zoals hem bevolen was en de heilige Vishnu voer in het lichaam van de wever. Op hetzelfde ogenblik werden al die edele krijgers door de gloed van Vishnu en Garuda verteerd en door de koning gedood.

En nu kon de wever voor het oog van iedereen zo vaak en op welke manier hij maar wilde met de koningsdochter vrijen.


*   *   *

De wever als Vishnu Samenvatting
Een Indiaas sprookje over een verliefde en listige jongeman. Een wever wordt ziekelijk verliefd op een koningsdochter. Zijn vriend, een wagenmaker, helpt hem en bouwt een complete uitrusting voor de wever, waardoor deze op de god Vishnu lijkt. In godengedaante verleidt hij de prinses en kan zo ongestoord met haar de liefde bedrijven. Totdat de koning denkt dat hij werkelijk Vishnu aan zijn zijde heeft en een oorlog begint... Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Indische sprookjes" bijeengebracht door Johannes Hertel. Keuze en vertaling: Ef Leonard. Oorspronkelijke titel: Indische Märchen, © 1953. A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1977. ISBN: 90-229-3315-6

Herkomst: India
Verteltijd: ca. 22 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook