Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 30 min.
Herkomst:




Het gewaad van de koningstijger Een sprookje uit Mongolië over een dappere en sterke man

Er was eens een arme herder, die maar een melkkoe en twee geiten bezat. Samen met zijn vrouw sloeg hij zich zo goed en zo kwaad als het ging door het leven, maar ze konden de eindjes niet aan elkaar knopen. De drie kinderen die zijn vrouw hem geschonken had, waren allen op zeer jeugdige leeftijd gestorven. De ouders waren zo langzamerhand over hun verdriet heen gekomen en hadden de hoop op een verdere kinderzegen opgegeven. Na enkele jaren schonk de vrouw echter, tegen alle verwachtingen in, midden in de winter het leven aan een jongen. De vader en de moeder waren dolgelukkig. Inmiddels was goede raad duur, want waarmee moesten ze het kleintje nu opvoeden? Als er nu nog maar een koe of nog een paar geiten meer geweest waren! De ouders zeiden: "Komt tijd, komt raad," en melkten eerst maar eens, voor hun tent gezeten, de koe. Zo verzadigden ze de nieuwgeborene met verse melk.

Tot grote verbazing van beiden groeide het kind echter niet in vele dagen en jaren, maar werd in een paar uur steeds groter. Nauwelijks was de dag voorbij of het was al een volwassen man geworden en overtrof wat lichaamslengte betreft alle andere mensen. De ouders waren verschrikt en blij tegelijk. Zij gaven hun zoon de naam Goenan.

De eerste dag toonde Goenan zo‚n grote honger, dat hij een geit met huid en haar opat en op de tweede dag verorberde hij zonder veel ophef ook de tweede. De ouders zagen dit met grote ontsteltenis aan en zeiden tegen elkaar: "Morgen zal hij onze enige koe ook nog opeten! Hoe moeten we dan verder leven?"

Op de derde dag zei Goenan tegen zijn moeder: "Liefste moedertje! Onze familie is zo arm en er is nog maar één koe over. Laat me de wereld ingaan zodat ik voor mijn eigen kostje kan zorgen. Altijd thuisblijven wil ik ook niet; dat vind ik te vervelend, ik word er nu al gek van!"

De moeder keek haar grote en ijzersterke zoon een poosje aan en zei met tranen in haar ogen: "Mijn zoon, wat zou je nu in dit land kunnen beginnen? Je kunt het beste eens naar onze vorst, de kahn gaan; misschien heeft die wel werk voor je." Goenan dacht hierover na en nam toen de raad van zijn moeder aan.

Hij was nog maar halverwege toen hij een uitgehongerde wolf tegenkwam. Nauwelijks had het beest de reiziger ontdekt of het viel hem aan. Goenan hield de wolf tegen, maakte het met één enkele greep van kant en vilde hem. Hij maakte ter plaatse een vuur en braadde het vlees.

Nadat hij de wolf tot op het bot had opgegeten, vervolgde hij zijn weg. Tegen de avond bereikte hij de tent van de vorst. De khan was een wantrouwig en sluw man en wilde eerst wel eens zien hoe sterk Goenan wel was. Om de jongeman op de proef te stellen liet hij een os braden en nodigde Goenan voor de maaltijd uit.

Omdat Goenan alweer een geweldige honger had, verorberde hij niet alleen al het vlees, maar knaagde ook nog de botten af.

De khan liet hem daarop in zijn tent komen en benoemde hem tot zijn lijfwacht.

Vaak vergezelde Goenan nu de khan bij de jacht. Zij reden dikwijls naar ver afgelegen wouden en kwamen steeds met een rijke buit weer thuis. Op een dag stuitten ze tussen de bergen op een diep ravijn.

Opeens sprong er een tijger op hen af, wiens ogen geniepig en moordlustig fonkelden. Bij het zien hiervan liep de khan het koude angstzweet over de rug. Hij liet de zweep knallen en rende, zonder zich om Goenan te bekommeren, hals over kop de berg af. Ook het hele gevolg ging er zo snel mogelijk vandoor. Alleen Goenan was blijven staan. Koelbloedig ging hij een stapje opzij toen de tijger op hem af sprong, pakte het ondier op hetzelfde moment bij de achterpoten, slingerde hem in 't rond en wierp hem tegen een dikke boom, zodat deze kraakte en de bladeren van de takken dwarrelden. Door deze klap barstte de buik van de tijger open en het dier was dood. Goenan wierp het dode roofdier over zijn schouders en haastte zich met reuzenschreden naar de tent van de khan.

De khan was weliswaar op zijn vlucht ongedeerd gebleven, maar hij beefde over zijn hele lichaam, zo had hij de schrik te pakken gekregen. Zijn gevolg, dat ook spoedig arriveerde, moest de khan zelfs uit het zadel helpen. Nauwelijks voelde de vorst echter vaste grond onder de voeten of hij begon te schreeuwen van ontzetting. Hij zag namelijk Goenan met de tijger op zijn schouders komen aansnellen en dacht dat het roofdier nog leefde. Met één sprong was hij in zijn tent en vergrendelde van binnen de deur. De mensen buiten schreeuwde hij toe: "Kom hier en bewaak direct de ingang en laat in 's hemelsnaam dat beest niet bij mij binnen!" Toen hoorde hij dat de tijger dood was. Nu kwam hij naar buiten en deed zichzelf als een moedig man voor en gaf Goenan een uitbrander. Toen de mannen van zijn gevolg de tijger gevild hadden, brachten ze de huid van de tijger naar zijn tent.

De daaropvolgende dagen liet de khan van het tijgervel een kleed voor onder zijn bed maken. Vaak keek hij overdag naar het prachtig getekende vel van het roofdier en daarbij kwam de wens in hem op ook nog eens een gewaad van een koningstijger te bezitten. Hij liet Goenan bij zich komen en beval hem, ten overstaan van het hele gevolg, binnen drie dagen de koningstijger te doden. Zou hij het vel niet binnen deze tijd inleveren, dan stond hem de doodstraf te wachten. "Waar moet ik die koningstijger nu zoeken?" vroeg Goenan zich af en wist zich geen raad. "Men zegt dat hij ergens in een hol in het Noordgebergte moet zitten, ver, ver van hier. In die buurt moet het wemelen van de tijgers. Maar een gewone sterveling kan daar helemaal niet komen!"

Nog diezelfde nacht keerde Goenan bezorgd naar zijn ouders terug en vertelde hun wat de khan hem bevolen had.

De beide goede mensen wisten ook niet wat zij hun zoon moesten aanraden. Het liefst zouden zij hem bij zich gehouden en in hun tent verborgen hebben, maar het gevolg van de khan zou hem daar dadelijk vinden. Wenend zaten de beide oudjes daar. Lieten zij hem gaan, dan was de vraag of hij het waagstuk volbrengen kon; rieden zij hem aan hier te blijven, dan zou de boosaardige khan hun zoon vast en zeker laten doden. ook Goenan zelf zag geen uitweg uit deze netelige, ingewikkelde toestand.

Toen kwam er onverwacht een stokoude ervaren herder de tent binnen. Deze zei tegen Goenan: "Jongen, verlies de moed niet! De koningstijger is voor heel veel dingen bang, maar voor niets zozeer als voor een dapper mens. Je zult alle moeilijkheden kunnen overwinnen, als je van ganser harte aan je geboorteplaats denkt en aan de mensen die je lief en dierbaar zijn. Ga maar direct op weg! Voor de tent staat een bontgevlekte pony, die krijg je van mij! En nu het allerbeste en veel geluk!"

De oude herder kuste Goenan zacht op het voorhoofd en haastte zich de tent uit.

Goenan snelde naar buiten en zag inderdaad een bontgevlekte pony staan! Toen het dier Goenan aankeek, hief het zich op zijn achterpoten en hinnikte. Goenan onderzocht zijn boog en scherpte zijn zwaard. Bij het aanbreken van de dag besteeg hij de pony en nam afscheid van zijn ouders. Zwaarbewapend galoppeerde hij weg. Het paardje draafde eerst als een gewone pony, toen echter schoot het als een pijl uit de boog over de vlakten, zodat Goenan nauwelijks nog de omtrek van de huizen aan beide zijden kon herkennen. plotseling begon de pony langzamer te lopen, alsof er gevaar dreigde. En toen zag Goenan gelijk hoe daar voor hem, vlak bij de hut, een wolf zich op een klein meisje stortte. In een paar seconden had Goenan zijn boog gespannen en geschoten.

Peng! De pijl suisde door de lucht en trof de wolf precies in de kop. Toen Goenan dichterbij kwam, kon hij alleen maar vaststellen dat hij de wolf ter plekke gedood had. Er kwam een oude grootmoeder uit de hut. Ze sloeg de handen boven het hoofd tegen elkaar toen ze zag uit welk gevaar Goenan haar kleinkind gered had.

Dankbaar nodigde ze de trefbare schutter in haar hut en schonk hem een kop thee met melk in.

De oude overhandigde Goenan een ezelsbot als afscheidsgeschenk en zei: "Neem dit bot mee, het zal je goede diensten bewijzen!"

Goenan dankte haar, besteeg zijn paard en reed verder in noordelijke richting.

Na een lange tocht bereikte Goenan een brede rivier, die hem de weg versperde. Goenan dacht erover na hoe hij de andere oever zou kunnen bereiken en bekeek keurend de stroming en het golvenspel. Opeens begon het water van de rivier te kolken en een reuzenschildpad dook uit de diepte op. De schildpad kwam vlak bij de oever en riep naar Goenan: "Jonge vriend, deze rivier kom je niet over, rij maar snel terug naar huis!"

"Hoezo, oude vriend?" riep Goenan terug. "Moeilijkheden zijn overal, maar die kan men overwinnen!"

"Als je dan zo dapper bent, jonge man, help mij dan eerst eens!" vroeg de schildpad. "Mijn linkeroog doet me pijn, daar heb ik al zolang last van. Ik zou graag een nieuw oog ervoor in de plaats hebben. Dat kan echter pas, als iemand mijn oude oog uitrukt. Kom gauw en help daarmee!"

Goenan ging naar de oever toe en rukte de schildpad met zijn vingers de oogappel uit. Toen roerde zich het water en de schildpad veranderde in een draak. Met zijn vleugels slaande verhief hij zich in de lucht en riep Goenan toe: "Je hebt een goed hart! Neem als dank de oogappel mee op je reis, hij zal je goede diensten bewijzen!" Na deze woorden zweefde de draak weg en was al gauw niet meer te zien.

Goenan bekeek nu de oogappel in zijn hand wat beter. Hij geloofde zijn ogen niet: het oog was inmiddels in een fel schitterende parel van onschatbare waarde veranderd. Goenan merkte dat er ook met zijn eigen ogen iets gebeurd was, toen hij lange tijd naar de parel gekeken had. Plotseling kon hij alles helder en duidelijk zien; hij kon zelfs de paar tenthutten aan de horizon in de verte onderscheiden.

Vol vertrouwen besteeg Goenan weer zijn paard. De pony scheen te begrijpen wat zijn heer van hem wilde en zijn gedachten te kunnen lezen: met een aanloopje sprong hij hinnikend in de rivier. Goenan keek verbaasd naar beide zijden. Nauwelijks had het water de kostbare parel bevochtigd of het week naar beide zijden uiteen. De geweldige watermassa's stapelden zich tot twee doorzichtige muren op, waar tussendoor een droog pad liep.

Zonder moeite bereikte Goenan met zijn pony de andere oever. Achter de hoeven van het paard vloeide het water direct weer samen alsof het nooit anders geweest was. Na een korte galop bereikte Goenan de hut die hij reeds vanaf de zuidelijke oever gezien had. Voor de hut zat een bejaarde herder en weende hartverscheurend. Goenan sprong van het paard en vroeg: "Grootvader, waarom huilt u zo droevig? Misschien kan ik u helpen. Zeg mij waarom u zo'n verdriet hebt?"

De oude herder wreef zich de tranen van het gezicht en vertelde zuchtend: "Mijn dochter, mijn enige dochter is gisteren door de koningstijger geroofd. Ik weet niet of ze nog leeft of al dood is. Ik heb alleen maar deze dochter! Maar u zult me niet kunnen helpen. Wee mij!" En weer begon de oude te wenen. "Wees maar niet zo verdrietig, vadertje!" zei Goenan en troostte hem met de woorden: "Uw dochter zal weer bij u terugkeren. Ik ben juist op weg om deze tijger op te sporen. Vind ik hem, dan red ik uw dochter, zo waar als ik hier sta!"

De oude herder zag hem met betraande ogen aan en nodigde hem in zijn hut. Een beetje opgelucht zette hij hem een schaal thee met melk voor. Goenan bleef een poosje bij de oude, dronk de thee op, bedankte en reed toen weer door.

Voor de duisternis inviel bereikte hij het gebied van de koningstijger. Het berghol, waarin het verschrikkelijke dier zich bevond, was reeds duidelijk uit de verte te zien. Een dozijn tijgers hield voor de ingang de wacht.

Voorzichtig sloop Goenan naar het hol toe. De meute tijgers had hem echter al opgemerkt en stortte zich op hem. Goenan wierp het ezelsbot tussen de meute, waar de beesten direct om begonnen te vechten in een poging het elkaar afhandig te maken. Ongemerkt drong hij toen het hol binnen. Na enige tijd zoeken vond hij daar het geroofde meisje. De herdersdochter vertelde hem, dat de koningstijger deze morgen vroeg was weggegaan en waarschijnlijk niet lang meer op zich zou laten wachten. Het meisje wilde Goenan ergens verstoppen, maar die wilde er niets van horen. "Eerst breng ik jou in veiligheid en breng je naar je vader terug!" zei de dappere jongeling. Goenan tilde het meisje voor het hol op de bontgevlekte pony en liet de zweep knallen. Als de stormwind galoppeerde de pony de berghelling af.

Toen zij de vlakte bereikt hadden zagen ze hoe door hun galop het gele zand als in een wervelwind omhoog gedwarreld was. Plotseling zagen zij met schrik dat in de grauwe zandstorm een monster achter hen aan zat. De kop was die van een tijger, de romp leek echter op die van een mens en was van onder tot boven met gouden haren begroeid. Goenan wendde zich met zijn gehele bovenlichaam op het paard om en schoot een pijl af, die de koningstijger het linkeroog kostte. Het ondier brulde van woede en pijn. Hij spreidde zijn moordenaarsklauwen uit en wierp zich met één enkele sprong op Goenan, sleurde hem van zijn paard en sloeg hem met zijn machtige klauwen tot over de heupen in de aarde. Hier was geen overleg mogelijk. In enkele seconden tijds had Goenan zich er weer uitgewerkt en gaf zijnertijds het monster zulk een houw dat dit tot de nek in de bodem verdween en alleen nog zijn kop er bovenuit stak. Ogenblikkelijk trok Goenan zijn korte zwaard en stootte dit het beest in de schedel. Daarmee was het lot van de koningstijger bezegeld. Goenan trok het dode lichaam uit de grond, pakte het bij de achterpoten en spong op de pony.

De vreugde van de oude man was onbeschrijfelijk, toen Goenan met het meisje ongedeerd bij de hut aankwam. De oude herder weende nu weer, ditmaal echter van vreugde. Goenan was van het meisje gaan houden en de oude herder gaf de dappere jongeling zijn dochter gaarne tot vrouw. De volgende nacht bracht Goenan na vele verhalen door onder het dak van zijn schoonvader. Bij zonsopgang besteeg hij met zijn vrouw de pony. Juist zouden zij wegrijden toen zij een geraas en een geloei in het noorden hoorden, dat als een orkaan klonk. Al gauw werd het hen duidelijk: de tijgermeute, die gisteren om het ezelsbot gevochten had, zat achter hen aan. Vlug bracht hij zijn vrouw in de tent in veiligheid. Toen spande hij zijn boog en liet een pijl van de pees wegschieten. De tijger aan de spits van de roedel, stortte dodelijk getroffen neer. Nu trok Goenan zijn korte zwaard en ging met grote stappen de meute tegemoet. Een woest gevecht ontstond. Dapper en verbeten vechtend versloeg Goenan al dadelijk acht dieren. De overgebleven drie tijgers scheen de lucht van het hete bloed nog wilder te maken; zij vielen Goenan daarom met des te meer woede aan.

Goenan merkte echter dat zijn krachten hem begonnen te begeven. Lang, zo moest hij toegeven, zou hij het niet meer kunnen volhouden. De oude herder, die in vele dingen zeer ervaren was, bracht nu de redding. In allerijl had hij een dozijn jonge mannen bijeengeroepen, van wie hij de leiding had. Met stangenlasso's, die zij meestal gebruikten voor het vangen van paarden, vingen zij de drie roofdieren en maakten ze onschadelijk. Goenan dankte de mannen hartelijk voor hun hulp en liet hen alle tijgers als buit houden, die hij zojuist met eigen hand gedood had. De zegenwensen van alle herders begeleidden hem, toen hij deze morgen voor de tweede maal het paard besteeg. Ongehinderd bereikte hij nu met zijn vrouw de hut van zijn ouders.

In de ogen van de khan blonk tegelijkertijd vreugde en woede, toen hij zag, dat Goenan de koningstijger gedood had en ook nog een aardige vrouw meebracht. Goenans vrouw moest nu voor hem het koningstijgergewaad maken. Iedere haar van het vel van de koningstijger moest ze op de kostbare stof naaien. De jonge vrouw was erg handig en naaide het gewaad zo onberispelijk, dat ze het al gauw door Goenan aan de vorst kon laten overhandigen. De aanblik van het prachtkleed deed het hart van de khan sneller kloppen. Iedereen moest het nu weten: de khan bezit een koningstijgergewaad van onschatbare waarde! Hij besloot zich in dit gewaad in het hele koninkrijk duidelijk opvallend te tonen en spoedig een grote rondreis door zijn gebied te beginnen. Maar eerst moest de kostbare aanwinst thuis gevierd worden. In de daaropvolgende dagen liet hij naast zijn hoofdtent een tribune opslaan. Alle hoge ambtenaren van de khan werden daarop voor een feestmaal uitgenodigd, dat hij op de tribune liet aanrichten. Op een behoorlijke afstand van de tribune stond een grote mensenmenigte, die uit alle windrichtingen samengestroomd was. Ieder wilde het koningstijgergewaad zien.

Na een poosje schreed de khan feestelijk, vergezeld van de feestmuzikanten naar de rand van de tribune. Hij gaf een teken met de hand. Een dienaar die en hoge functie bekleedde droeg met ernst en waardigheid een met gele stof ingepakt pakket en haalde er het als goudstralende koningstijgergewaad uit. Toen hield hij het naar de drie kanten in de hoogte, zodat alle toeschouwers het konden zien. Net als bij een feestelijke ceremonie hielp hij nu de khan het gewaad aan te trekken. Nauwelijks had de khan het gewaad aan of hij begon een merkwaardige verandering te ondergaan. Hij veranderde op datzelfde ogenblik in een verscheurende tijger. Met een ontzettend gebrul sprong hij midden tussen de mensen in en veroorzaakte bij velen van hen met zijn klauwen diepe wonden. Alle dienaren en hoge ambtenaren sprongen verschrikt op hun paarden en vluchtten in alle richtingen. Goenan, die pas nu ter plekke verscheen, wist niets van deze gedaanteverwisseling af. Hij zag alleen maar dat er een tijger vanaf de tribune midden tussen de mensen sprong en bloeddorstig onder de omstanders te keer ging. Hij stond eerst versteld, maar greep toen onwillekeurig naar zijn pijlenkoker. Nu pas merkte hij dat hij geen wapen bij zich had. Toen hij zich naar de plaats van het feest begaf, had hij pijl en boog en ook zijn korte zwaard thuis gelaten. Hij had verder geen tijd erover na te denken, want de tijger stortte zich nu ook op hem. Rustig bleef Goenan staan en liet de tijger op zich af komen. Zijn blik was slechts gericht op de staart van de tijger. Voordat het ondier erop verdacht was, had Goenan hem reeds bij de staart gepakt en slingerde hem in het rond. Meer dan tien keer liet Goenan daarbij het lichaam van het monster tegen de grond slaan. De tijger bloedde uit al zijn lichaamsopeningen, maakte nog een paar stuiptrekkende bewegingen en bleef toen dood liggen. De mensen stroopten hun van gedaante veranderde khan het vel niet af, maar stopten hem eenvoudigweg onder de grond.

Goenan was nu zijn eigen baas en reed sindsdien dagelijks op zijn bontgevlekte pony ter jacht.

Met zijn kostbare parel genas hij de ogen van de mensen, die van heinde en verre naar hem toe kwamen. Het geschenk van de draak bewees een ware wonderparel te zijn. Wanneer oude mensen de parel ook maar één maal zagen, werden hun wazige ogen weer helder. Kon iemand nog maar nauwelijks meer iets zien, dan streek Goenan hem met de parel zachtjes over de oogleden en dan was hij al genezen.


*   *   *

Het gewaad van de koningstijger Samenvatting
Een sprookje uit Mongolië over een dappere en sterke man. Goenan gaat naar de khan om werk te zoeken en hij wordt de persoonlijke lijfwacht van de khan. Als een tijger het gezelschap aanvalt, doodt Goenan het dier en de khan laat een kleed maken van het vel. Hij vindt het zo mooi, dat hij Goenan opdraagt om de koningstijger te doden voor een gewaad van zijn vel. Lees het verhaal

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes uit de wereldliteratuur. Chinese sprookjes" uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 1990. Eerder verschenen in de serie 'Volkssprookjes'. ISBN: 90-6120-8343

Herkomst: Mongolië
Verteltijd: ca. 30 min.
Leeftijd: vanaf 9 jaar

Lees ook